Word abonnee

Atletiek

‘Voor altijd de vader van Saskia’

Hans Reitzema

Atletiek

‘Voor altijd de vader van Saskia’

door: Jasper Boks & Marlies van Cleeff
20 januari 2020
15 tot 20 minuten lezen

Hans Gootjes zag Sanne Wevers in Rio goud veroveren op balk met aan haar zijde coach en vader Vincent. De technisch directeur van de turnbond had zelf ook de droom om samen met zijn dochter op die Spelen te staan. Saskia Gootjes was een groot atletiektalent, maar in plaats van een olympische zevenkamp, werd het een meerkamp tegen kanker.

“Op het moment suprême turnde Sanne Wevers haar beste oefening ooit. Vooraf wisten we al dat Sanne de moeilijkste oefening had van alle finalisten. Als ze die perfect zou uitvoeren, kon ook de Amerikaanse Simone Biles niet van haar winnen. Biles bleef niet foutloos, Sanne was dat meteen erna wel en toen wisten we vanbinnen eigenlijk al: het is goud.
Met zeven finaleplaatsen en de aanwezigheid van een mannen- én vrouwenteam in de landenwedstrijd kon Rio voor ons al niet stuk, maar door die gouden medaille van Sanne werd het helemaal onvergetelijk. Na het goud van Epke Zonderland in 2012 had het Nederlandse turnen weer iets unieks gepresteerd.
Ik zat met enorme bewondering naar Sanne te kijken op de tribune, was trots en blij, maar ik had ook een representatieve rol en kon niet helemaal uit m’n dak gaan. Na de oefening van Sanne knuffelde ik haar tweelingzus Lieke, die naast me zat. Er gingen zoveel emoties door haar heen. Sanne heb ik na afloop omhelsd. Veel zeiden we niet tegen elkaar, was ook niet nodig.
We begrepen allebei wat er allemaal met haar was gebeurd tot die gouden medaille. Vader Vincent, Sanne en Lieke hadden geen makkelijke route naar Rio; ze konden niet meer bij hun vereniging in Almelo terecht, verlieten hun woonplaats Oldenzaal om te kunnen trainen in Heerenveen. Ik heb geprobeerd hen zo goed mogelijk te steunen op weg naar Rio. Misschien heb ik voor een paar procent kunnen bijdragen aan het succes van Sanne. En ook aan dat van Lieke, die in Rio de meerkampfinale haalde en eveneens een bijzondere turnster is.
Het was heel mooi om Vincent als coach en vader met zijn twee dochters op de Spelen aan het werk te zien. Die wens hadden mijn dochter Saskia en ik ook, we hoopten dat ze als meerkampatlete mee zou kunnen doen in Rio. Tijdens de Spelen dacht ik meerdere keren: hoe mooi was het geweest als Saskia hier haar debuut had kunnen maken?
Ik liep als ik Vincent, Sanne en Lieke zag niet rond met een gevoel van: zij wel en ik niet. Met Vincent heb ik het daar over gehad. Er was nog een vader-dochter combinatie in Rio en uitgerekend op de zevenkamp: atlete Anouk Vetter met haar vader en coach Ronald. Ook hen gunde ik alles. Het was een bewuste keuze naar die meerkamp te gaan in het atletiekstadion van Rio. Ik wilde ook graag Nadine Visser in actie zien; zij is een jaargenote van onze dochter.

Saskia werd op 19 januari 1995 geboren. ‘Na een aanloop van lange duur, voortaan met z’n drieën op avontuur,’ stond er op het geboortekaartje. Lang had het er namelijk naar uitgezien dat de kinderwens van mijn vrouw Marja en mij onbeantwoord zou blijven.
Onze dochter maakte van jongs af aan thuis een hindernisparkoers dat ze zo snel mogelijk af wilde leggen. Eenmaal gekozen voor atletiek, bleek ze al snel alles in zich te hebben om een topper te kunnen worden. Ze was vijftien, in de groei, beschikte over een onderscheidende topsportattitude en trainde nog maar drie keer in de week toen ze in mei 2010 derde werd bij de Pinkstermeerkamp in Amstelveen. Die prestatie bleef niet onopgemerkt, door de Atletiekunie werd ze uitgenodigd om op Papendal te komen trainen, onder leiding van Bart Bennema, de coach van Dafne Schippers.
Juist toen ze veel progressie boekte op alle onderdelen van de zevenkamp, liep ze een stressfractuur op in haar middenvoetsbeentje. Dat was in september 2010. Tijdens de blessureperiode kreeg Saskia last van haar rug. Zal wel door het lopen op krukken komen, dachten Marja en ik. Toen ze haar voet weer mocht belasten, bleek ze snel moe en had ze weinig zin om te trainen. Dat was nog nooit voorgekomen. Opvallend was ook dat ze het tijdens de training koud had en af en toe bezweet wakker werd. We veronderstelden dat het de hormonen waren, ze had immers de leeftijd dat een lichaam verandert. Op 5 december merkten we echt dat er iets mis was. We zaten op de bank in de woonkamer en vierden met z’n drieën Sinterklaas met surprises. Saskia gaf aan veel last van haar rug te hebben en ook van haar buik. We haalden een matras van boven, zodat ik haar even kon masseren. Dat deed ik geregeld als ze hard had getraind, maar op die sinterklaasavond dacht ik: hier klopt iets niet.
Bij het wrijven over de pijnlijke plek viel me meteen iets op. De harde buikspieren van Saskia zorgden voor een sixpack om jaloers op te worden, maar ineens was er nog een zevende verdikking zichtbaar en voelbaar. Twee dagen later konden we bij de huisarts terecht, die de dag erna bloed prikte. Weer een dag later was ik thuis aan het werk. Telefoon. De huisarts. Hij vertelde dat de uitslag van het bloedonderzoek niet goed was en dat we nog die dag naar het ziekenhuis moesten. Ik belde naar school, Saskia kwam niet veel later op de fiets naar huis. Ze maakte zich niet heel druk.
In het ziekenhuis in Lelystad zag Saskia aan de lichaamstaal van de arts wel dat het niet veel goeds beloofde, toch bleef ze rustig. De verdikking die we op sinterklaasavond voelden, bleek haar milt te zijn. Die was erg opgezet, net als haar lever. We werden meteen doorgestuurd naar een specialist in het VUmc, op de afdeling oncologie.
We waren natuurlijk bezorgd en ook benieuwd wat het kon zijn. De artsen wisten het niet meteen. In eerste instantie kregen we te horen dat het vrijwel zeker geen kanker was. Maar wat dan wel? Saskia werd dagenlang onderworpen aan allerlei onderzoeken. Een beenmergpunctie gaf uiteindelijk meer duidelijkheid. Op de middag van 17 december, kregen we de uitslag. Onze energieke, sportieve, vijftienjarige dochter had toch kanker. Saskia vroeg: ‘Wat heb ik dan verkeerd gedaan?’ Marja reageerde daar heel goed op, zei: ‘Helemaal niets, lieve schat. Dit is gewoon een kwestie van enorme pech. Jij bent juist het toonbeeld van gezondheid:
nooit ziek, nooit een schooldag gemist of verzuimd voor een training.’ We huilden, hielden elkaar stevig vast. Maar ondanks al het verdriet, spraken we elkaar ook meteen moed in. We gingen knokken, zeiden we strijdvaardig.
Welke vorm van kanker Saskia had, werd vijf dagen later duidelijk. Hepatosplenaal gamma/delta T-cel lymfoom, luidde de definitieve diagnose na intensief speurwerk. Saskia had een extreem zeldzame en zeer agressieve vorm van lymfeklierkanker die niet in de lymfe zat, maar die zich vooral manifesteert in de lever, de milt en het beenmerg.
Ik was na tien minuten klaar met mijn onderzoek op internet. De conclusie: de meeste patiënten overlijden binnen twee jaar. Veel meer was er op dat moment niet
over te vinden. Saskia was op dat moment waarschijnlijk een van de zeer weinigen ter wereld die deze vorm van kanker had.
Ook al was de kans maar één procent dat Saskia het zou overleven, voor ons voelde die als honderd procent. We schakelden meteen: gingen er alles aan doen om er het beste uit te halen. ‘Ze’ moesten van goeden huize komen om ons klein te krijgen. We noemden het een meerkamp tegen kanker waar Saskia aan moest beginnen.
Ik besloot voorlopig met mijn werk bij de KNGU te stoppen, om er samen met Marja volledig voor Saskia te kunnen zijn.

Dat er geen protocol was om de zeer zeldzame ziekte aan te pakken, was duidelijk. Maar er moest wel direct wat gebeuren. Als we op 23 december niet meteen waren
begonnen met chemotherapie, had Saskia de jaarwisseling waarschijnlijk niet eens gehaald.
Tijdens de kerstdagen was ze erg ziek. Ongelooflijk hoe snel Saskia vermagerde. Een van de meest confronterende momenten was toen ik Saskia onder de douche zag
staan. Het was nog niet eens drie weken na sinterklaasavond en haar spiermassa was al flink geslonken, een schril contrast met de enorm opgezette buik die haar sixpack had vervangen. Vooral voor Saskia was dat heel confronterend, net als het moment dat ze plukken van haar lange paardenstaart, haar handelsmerk op de atletiekbaan, verloor of de opmerking tussen neus en lippen door van de arts dat ze als gevolg van de zware chemo geen moeder meer zou kunnen worden. Maar over die tegenslagen heeft ze zich amper uitgesproken. Haar topsportmentaliteit kwam meteen boven, ze was optimistisch en veerkrachtig. Een voorbeeld daarvan was het maken van een dagelijkse quiz en het ontwerpen van een eigen medisch spel: Monopoli.
Vanaf het moment dat de chemotherapie begon, gebeurde er iedere dag wel iets dat niet voorzien was. Ze stond daar dan een paar seconden bij stil en ging weer door. Door naar het nieuwe plan, de nieuwe realiteit. Heel bijzonder voor een meisje van vijftien. In de meerkamp tegen kanker was 11 april een heel belangrijke datum. Na de autologe stamceltransplantatie, zes weken daarvoor in het VUmc, volgde op die dag een allogene stamceltransplantatie in het WKZ Utrecht. Die stamcellen ontving ze van een donor. Het voordeel was dat de afweercellen van de donor de kankercellen, die niet gevoelig waren voor de chemotherapie, konden
aanvallen. De keerzijde was dat die nieuwe donorcellen als lichaamsvreemd werden beschouwd en ernstige afweerreacties konden veroorzaken in Saskia’s organen.
We noemden 11 april 2011 The first day of the rest of her life. Met ‘nieuw bloed’ zette Saskia haar leven voort en dat ging boven verwachting. Op 6 mei mocht ze naar huis, terug naar Dronten, weliswaar met een tas vol medicijnen en sondevoeding. Haar conditie was nog uiterst broos. We zetten een partytent op in de tuin, zodat er voor Saskia een beschut hoekje was om te relaxen of te studeren.
Na vier weken kwam een einde aan die periode in de vertrouwde omgeving, thuis in Dronten. Saskia’s longen bleken het slachtoffer van de zogenaamde transplantatieziekte. Ze moest naar de intensive care. Zeventien dagen lang balanceerde ze op het randje van de dood. Marja en ik deden er alles aan om haar zo goed mogelijk te ondersteunen, maar dachten ook: als ze morgen komt te overlijden, wat dan?
Er was niet altijd ruimte voor het verdriet van Marja en mij. We waren vanaf het moment dat de diagnose was gesteld vooral praktisch en operationeel bezig. Eigenlijk was ik ook in die periode technisch directeur, alleen van een ander team: Team Saskia. Toen onze dochter op de intensive care lag, sliepen Marja en ik weer even bij elkaar en konden we voor het eerst samen verdrietig zijn. Tot die tijd sliep er altijd een van ons bij Saskia en de ander bracht de nacht door in het Ronald McDonald Huis.
Saskia verbaasde iedereen en krabbelde weer op. Ze kon nog nauwelijks praten, maar wilde ons iets vertellen. Twee A4-bladen met letters, één met klinkers en één met medeklinkers, hielpen daarbij. Het was duidelijk dat het woord begon met een M. Daarna wees ze de B aan. Saskia bedoelde MB, ofwel Marco Borsato. We luisterden sinds Saskia ziek was vaak samen naar het veelbetekenende nummer ‘Als rennen geen zin meer heeft’, zij met het ene oortje van de koptelefoon in haar oor en ik met het andere.
De transplantatieziekte had haar longen aangetast, die functioneerden nog op 65 procent. Maar eind juli kreeg Saskia toch weer groen licht om naar huis te gaan. Ze stond in de deuropening met haar rozewitte hoofdbedekking en een zonnebloem in haar hand. Ze wilde al snel na thuiskomst naar de atletiekbaan, op bezoek bij haar meerkampgroep van Flevo Delta. Ze wilde de baan voelen.
Duidelijk was dat Saskia allesbehalve fit was. Ze had veel last van haar rug. In de dagen dat ze thuis was ontstonden er opnieuw complicaties. Haar nierfunctie verslechterde snel. Begin augustus moest ze terug naar het WKZ Utrecht. Het leek voor Saskia een soort opluchting, want daar voelde ze zich comfortabeler dan thuis.

Het ging niet goed met Saskia op de avond van 9 augustus, haar nieren functioneerden bijna niet meer en ook haar longfunctie verslechterde in rap tempo. De artsen riepen ons bij zich. Saskia’s gezondheidstoestand maakte het noodzakelijk dat ze opnieuw opgenomen moest worden op de intensive care. Het werd een bijzonder gesprek waarin duidelijk werd dat er ook op de ic geen perspectief meer zou zijn. Marja en ik besloten in overleg met het medisch team dat verlenging van haar leven zonder perspectief geen optie meer was. Een moeilijk en verdrietig besluit, maar ons restte geen andere keuze. Op 22 december 2010 was de kans op genezing minimaal, vervolgens hadden we acht maanden lang gedaan of statistieken niet bestonden. Maar toen realiseerden we ons dat de complicaties, qua hoeveelheid en diversiteit, zo ernstig waren dat er geen kans meer was op overleven.
De arts vertelde Saskia de boodschap namens ons in de vroege ochtend van 10 augustus. Toen realiseerde ze zich dat ze dood zou gaan. ‘Papa, mag ik een slokje water,’ vroeg ze. Natuurlijk, papa staat altijd voor je klaar, zei ik. ‘Dat hoeft niet lang meer, want dan ben ik er niet meer,’ vervolgde Saskia. Ze besefte dat het echt klaar was. Daarvoor hadden we het nooit gehad over doodgaan. Op die ochtend wilden we nog een paar dingen met haar delen. We vroegen wie ze nog graag wilde zien en wie we moesten informeren. Haar schoolvriendin Tessa vond ze belangrijk, maar die verbleef net in ons favoriete deel van Amerika, waar wij met zijn drieën zulke fijne vakanties hadden gehad. Saskia gaf aan niet gecremeerd te willen worden en maakte kenbaar dat ze haar blauwe vestje aan wilde als ze opgebaard lag. Ook zei ze: ‘Jullie staan mijn longen toch niet af aan een roker?’ Typisch Saskia.
Sporadisch deed ze daarna nog haar ogen open, af en toe kneep ze zachtjes in onze handen. We knuffelden haar, fluisterden lieve woordjes tegen haar en er werd nog een gipsafdruk van haar hand gemaakt. We wachtten tot het onvermijdelijke moment daar was. Op 10 augustus 2011 om vijf over drie ‘s middags ademde Saskia voor de laatste keer.
We hebben Saskia nog een week thuis gehad en daarna volgde een prachtig afscheid met een ereronde op de atletiekbaan en een gedenkwaardige bijeenkomst in de aula van haar school.
Na de uitvaart was er het besef dat Marja en ik na zestien jaar weer met z’n tweeën waren.

Eind januari 2012 ben ik weer begonnen met werken en een paar maanden later liep ik tijdens de openingsceremonie van de Spelen in Londen het atletiekstadion in. Ik had het inspiratiekaartje van Saskia in mijn hand, gaf het een dikke zoen en keek naar boven. Het was Saskia niet gegund om als atlete de Spelen te halen, maar ik had toch het gevoel dat we samen het stadion inliepen.
Vooraf had ik al aangegeven dat ik op 9 augustus hoe dan ook naar huis wilde om op 10 augustus, één jaar na het overlijden van onze dochter, thuis te zijn met Marja. Als dat niet had gekund, was ik ook niet naar Londen gegaan. Op 11 augustus ben ik weer teruggevlogen naar Engeland.
Op Saskia’s sterfdatum was ik dit jaar in Rio, terugkeren naar Nederland was geen optie. Op die tiende augustus was ik om vijf over tien ’s ochtends, dat was vijf over drie in Nederland, bij de gedenkplek die het IOC had ingericht ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de terroristische aanslag op de Israëlische ploeg tijdens de Spelen van 1972. Iedereen had de gelegenheid om daar een boodschap achter te laten voor een geliefde die was overleden. Ik liep of fietste elke dag even langs dat monumentje en had voor Saskia en Mitch Fenner, de bondscoach van de mannenturners die op 3 juli overleed, een mooie tekst in het boompje gehangen.
Vrouwenbondscoach Gerben Wiersma liep in de ochtend van 10 augustus met me mee naar de gedenkplaats en deed iets prachtigs. Hij had ‘Als rennen geen zin meer heeft’ van Marco Borsato meegenomen, zette het aan en ging achter me staan. Dat betekende veel voor me. Ik belde Marja, die op dat moment bij het graf van Saskia was.
Evenals de dagen ervoor stond de rest van de dag in het teken van de nasleep van de beslissing om Yuri van Gelder naar huis te sturen. We moesten ervoor zorgen dat dit besluit de prestaties van de overige turners niet nadelig zou beïnvloeden. Voor Saskia was er helaas even geen tijd.

We zijn ruim vijf jaar verder, maar het gemis wordt steeds groter. Vlak voor haar overlijden zei Saskia tegen Marja en mij: ‘Jullie moeten leuke dingen gaan doen.’ Maar wat is dat dan? Het leven heeft zijn glans verloren, het wordt nooit meer zo mooi als die zestien fantastische jaren met Saskia. Ons leven had het cijfer 9,5 en in het begin vroegen we ons af of dat zonder onze dochter ooit weer een voldoende kon worden. Inmiddels durven we weer te genieten. We zijn nog iedere dag verdrietig, maar Marja en ik hebben weer een ruime voldoende weten te maken van het leven.
Ter nagedachtenis aan onze sportieve atlete  heb ik het boek ‘Als rennen geen zin meer heeft’ geschreven. Sanne en Lieke waren aanwezig bij de presentatie op 24 maart dit jaar. Ik hoop met mijn boek betekenis te geven aan de zestien prachtige jaren die we samen hebben gehad. We hebben er zeven jaar over gedaan om Saskia te krijgen. Ze verrijkte ons leven en maakt van ons drieën een krachtig team. Nu zijn Marja en ik dat met z’n tweeën. Maar Marja en ik blijven altijd de vader en moeder van Saskia.”

Delen: