Puurdere sprinters dan Sebas Diniz zijn er bijna niet te vinden. Op de eerste driehonderd meter behoort hij tot de absolute wereldtop. Weet hij die snelheid nog tweehonderd meter langer vast te houden, dan ligt de wereld aan zijn voeten.
De 23-jarige sprinter uit Borne werd afgelopen seizoen vijfde op de Olympische Spelen en verruilde Team IKO X20 Badkamers vervolgens voor een nieuwe uitdaging bij Team Essent. Daar wil hij met de hulp van onder anderen Björn Magnussen en Joep Wennemars de volgende stap zetten. ‘Ik vind het leuk dat het schaatsen dankzij deze nieuwe generatie meer leeft dan een paar jaar geleden’
Je hebt inmiddels een paar maanden bij Team Essent achter de rug. Hoe zijn die eerste maanden bevallen?
“Heel positief. Ik heb het erg naar mijn zin. Het is gewoon een superleuke ploeg en een heel professionele omgeving. Het is allemaal een stuk groter dan bij Team X20. Er zijn veel meer mensen en er zit echt een gigantisch team achter qua staf. Dat blijft me elke keer weer verbazen.”
Met wie trek je binnen de ploeg veel op?
“Ik trek veel op met Björn Magnussen en Joep Wennemars. Het was voor mij ook echt een doorslag om deze stap te maken: ik wilde met supergoede en snelle gasten kunnen trainen. Het punt waar ik nog veel winst kan maken, is mijn ronde. En deze gasten zijn daar specialisten in. Mijn ronde is de afgelopen jaren al beter geworden, maar ik wil comfortabeler worden op hoge snelheid. Op die manier hoop ik uiteindelijk toptijden te kunnen schaatsen.
Wat leer je dan van die jongens?
“Vooral hoe consistent zij zijn op hoge snelheid. Als je met elkaar schaatst, maak je elkaar automatisch beter. Daarnaast kunnen we ook goed met elkaar sparren over hoe we tegen de sport aankijken en hoe je moet leven als atleet. Dat vind ik heel leuk.”
Jullie zijn binnen de ploeg natuurlijk ook concurrenten. Is dat niet ook lastig soms?
“Ik denk dat het juist mooi kan samengaan. Je kunt goed met elkaar zijn en tegelijkertijd elkaars concurrent zijn. Joep en ik hebben bijvoorbeeld ook weer andere sterke punten. Mijn start is een belangrijk wapen en daardoor is mijn 500 meter mijn sterkste afstand, terwijl Joep weer een betere 1000- en 1500-meterrijder is. Uiteindelijk kun je elkaar daardoor ook helpen om beter te worden.”
Je start is al een van de snelste van de wereld. Als je ronde nog beter wordt, lijkt de aansluiting met de absolute wereldtop dichtbij. Hoe ga je die volgende stap zetten?
“Zo makkelijk is het helaas niet. Het is niet dat wanneer ik mijn laatste 200 meter verbeter, dat ik er dan ben. De rest zit ook niet stil. Ik moet vooral comfortabeler worden op hoge snelheid. Mijn laatste 200 meter moet echt beter. Tot 300 meter zit ik in principe al op een supertijd. Af en toe rijd ik die ook op de 500 meter, maar dat moet gewoon iedere keer lukken.”
Je zegt dat je comfortabeler wilt worden op hoge snelheid. Wat maakt juist die laatste 200 meter zo lastig?
“Ik moet vooral constanter worden in het vasthouden van mijn snelheid en daarbij technisch goed blijven schaatsen. Als dat steeds beter lukt, denk ik dat er hele mooie tijden uit kunnen komen. En hopelijk kan ik die jongens in de trainingen ook helpen om beter te worden.”
Blijf je de komende jaren ook voor de 1000 meter gaan?
“Ik blijf voorlopig wel 1000 meter rijden, maar mijn ambitie ligt echt op de 500 meter. Ik denk zeker dat ik op een goede dag een mooie tijd kan neerzetten op de 1000 meter. Maar ook daar wil ik het vooral vanuit die 500 meter benaderen: een hele snelle eerste 600 meter en hem daarna goed doortrekken.”
Wat leer je allemaal van je nieuwe coach, Jac Orie?
“Heel veel. Zijn kijk op het schaatsen vind ik heel interessant. Wat ik ook heel erg waardeer aan Jac, is dat hij openstaat voor dingen waar ik in geloof en voor mijn eigen kijk op het schaatsen. Dat vind ik heel fijn. En dat is niet alleen bij mij, maar ook voor bijvoorbeeld Björn. Jac luistert ook echt naar onze bevindingen. Ik denk dat dat elkaar heel erg versterkt. Ik denk dat Jac het ook wel leuk vindt om met weer een echte pure sprinter te werken. De laatste pure 500-meterrijder die Nederland heeft gehad, is misschien wel Jan Smeekens. Dat is wel even geleden.”
Hoe ziet jouw kijk op het schaatsen er dan uit?
“Ik zie het minder als: je rijdt een 500 meter en probeert daarna je 1000 meter beter te maken. Ik zie het meer als iets dat vanuit die 500 meter komt. Vanuit daar moet je bouwen. Als ik mijn eerste gedeelte verder kan uitbreiden en dat nog sneller kan maken, wordt uiteindelijk mijn laatste gedeelte ook sneller. Als je op 300 meter al zo ver voor ligt, heb je daar natuurlijk veel voordeel van. Daarbij moet ik technisch goed blijven schaatsen. Als ik dat kan en goed kan trainen met die jongens, kunnen daar hele mooie tijden uit komen. Tegelijkertijd hoop ik dat ik hen ook kan helpen om beter te schaatsen.”
Je stond na je vijfde plek op de Spelen bij het grote publiek ineens in de picture. Is je leven sindsdien erg veranderd?
“Dat valt wel mee. Zeker in de periode na de Spelen was de aandacht wat meer en dat vond ik leuk. Als ik naar de supermarkt ging, werd ik af en toe herkend. Maar ik vind het vooral leuk om te merken dat schaatsen meer leeft dan een paar jaar geleden. Ik hoop dat wij daar met deze generatie ook iets aan kunnen bijdragen. We hebben veel persoonlijkheden, verspreid over verschillende ploegen. Ik denk dat we het schaatsen daarmee nog groter kunnen maken.”
Die nieuwe generatie wordt aangevoerd door namen als Jenning de Boo en Jordan Stolz. Heb je niet ook een beetje pech dat je in dezelfde generatie zit als zulke uitzonderlijke sprinters?
“Pech weet ik niet. Het inspireert me juist om te kijken naar het niveau dat zij halen. Ik wil daar ook graag tegen rijden en snelle tijden schaatsen. Dat vind ik alleen maar hartstikke mooi.”
Wat kunnen we dit seizoen van je verwachten?
“Ik wil zelf een 33’er rijden. Dat zou heel vet zijn. Het is ook een mooi, concreet doel. Uiteindelijk wil ik gewoon de stijgende lijn die ik de afgelopen jaren heb ingezet doortrekken. En ik wil graag een medaille op de WK afstanden.”