Marco van Basten is wel een beetje klaar met voetbal, vertelde hij in aanloop naar de première van de Videoland-serie Basta over zijn leven. De reden? Ongelijkheid. Het grote geld regeert. Zijn leermeester Johan Cruijff zei ooit: ‘Ik heb nog nooit een zak geld een goal zien maken’, maar tegenwoordig zorgen die zakken geld ervoor dat de verhoudingen volledig scheef zijn getrokken. In de Engelse Premier League zijn er ploegen die afgelopen zomer een half miljard hebben uitgegeven om hun elftal te versterken.
“In veel landen kun je op voorhand al invullen wie er kampioen wordt. Bayern München in Duitsland, Paris Saint-Germain in Frankrijk, Barcelona of Real Madrid in Spanje. En wat Europees voetbal betreft kan Nederland niet meer concurreren met Engeland, Spanje en Duitsland. En Engeland verwijdert zich nog verder van de rest. Een slechte zaak. Voetbal gaat om competities met zoveel mogelijk gelijkheid. Er is juist steeds meer ongelijkheid. Een slechte zaak. Het is aan instanties als de UEFA en bonden om voor gelijkheid te zorgen,” stelde Van Basten. Hij verklapte dat hij tegenwoordig op tv met meer plezier naar een film of serie kijkt dan naar voetbal. “Ik wil vrolijk worden van voetbal, niet verdrietig.”
Het is maar moeilijk voor te stellen dat Marco van Basten op de bank naar pakweg Gooische Vrouwen zit te kijken terwijl gelijktijdig op een andere zender een Champions League-wedstrijd te zien is.
Brommer
Ongelijkheid is er ook in het wielrennen. En niet zozeer omdat de ene ploeg veel rijker is dan de andere. Er zijn ploegen die veel meer te besteden hebben dan andere, maar uiteindelijk heeft, om het Cruijffiaans te stellen, een zak geld nog nooit de Tour gewonnen. In het wielrennen is er een heel ander probleem. Er is één renner die zoveel beter is dan de rest dat elke wedstrijd waarin deze hedendaagse Superman aan de start verschijnt, de winnaar bij voorbaat vaststaat. Of het nu eendaagse wedstrijden als de Ronde van Vlaanderen betreft of etappekoersen als de Tour de France. Tadej Pogacar dus. Deels mens, deels brommer van Sloveense makelij.
Wat hij alleen dit jaar allemaal won, is duizelingwekkend. Strade Bianche, Milaan-San Remo, Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik, Ronde van Romandië, Ronde van Zwitserland en met groot gemak voor de vijfde keer de Tour. Bij Pogi, ook wereldkampioen de afgelopen twee jaar, is het alleen nog spannend wanneer hij het peloton der ploeteraars achter zich laat. Doet hij het op honderd kilometer van de streep of houdt hij het spannend en gaat hij pas op vijftien kilometer van de finish? Vooropgesteld, het is ongekend knap wat hij doet, hoe hij letterlijk lachend op de fiets zit, terwijl zijn ‘concurrenten’ niet weten waar ze het moeten zoeken. Maar spannend, nee, dat is het niet. Hij is zo goed dat het saai wordt. Een wielerkoers met Pogacar, nog altijd maar 27 jaar oud, is eerder een repeterende theatervoorstelling waarvan iedereen de uitkomst al weet.
Pushbericht
Nieuws is het tegenwoordig als hij niet wint. Zoals dit jaar in Parijs-Roubaix, toen hij op de wielerbaan de sprint-à-deux verloor van Wout van Aert. Of in de Vuelta. Pogacar had na zeven ritten, waarvan drie etappezeges, alweer een voorsprong van jewelste bij elkaar gefietst en speelde kat-en-muis met de concurrentie. Hij leek op weg om met een kwartiertje voorsprong voor het eerst de Ronde van Spanje te winnen en dus een van de weinige hiaten op zijn erelijst op te vullen. De tv kon uit.
Opeens was er op 29 augustus dat pushbericht. Pogacar moest in de rode leiderstrui opgeven. Hij had in de rode leiderstrui een steen geraakt, sloeg over de kop, liep een gecompliceerde sleutelbeenbreuk en een gebroken nekwervel op. Einde seizoen. Hartstikke sneu natuurlijk. Ik hoorde nog net geen gejuich om me heen. De tv kon weer aan. Ineens was het de vraag wie dan de Vuelta ging winnen.
Koekenpan
Enric Mas weet niet wat hem overkomt. Als hij vandaag op zijn fiets blijft zitten, wint hij op zijn 31ste voor het eerst een grote ronde. En eind deze maand, op zondag 27 september, is in Montréal de WK-wegwedstrijd. Zonder Pogacar, die in 2024 en 2025 met twee vingers in de neus naar de regenboogtrui fietste, belooft dat ineens heel spannend te worden. Mannen die de laatste tijd met kruimels moesten doen, krijgen ineens de kans om een heel brood op te vreten.
In het tennis had je ook een tijdje dezelfde situatie als in het wielrennen. Twintig jaar terug stond er geen maat op Roger Federer. Alles wat hij deed zag er eleganter en beter uit dan ooit was vertoond. Vergeleken met King Roger leek het of de concurrentie bij het inpakken van de tas per ongeluk een koekenpan had verwisseld met een tennisracket. Hoe knap ook wat hij deed, de tv kon wel uit, want spannend was het niet.
Wanneer werd het weer leuk? Toen eerst Rafael Nadal en later ook Novak Djokovic en Andy Murray dichterbij kwamen en ten slotte de meester achterhaalden.
Klasse apart
In het wielrennen is het ook te hopen dat er snel renners opstaan die naar het niveau van Pogacar kruipen. Zeker in de grote rondes. We zagen in de Vuelta de negentienjarige Jakob Omrzel een etappe winnen. In de Tour de France en aan het begin van het seizoen zagen we Paul Seixas, binnenkort twintig jaar, de volgende stap maken. Pogacar zei vol bewondering dat hij misschien wel verder was dan hij op die leeftijd. De 22-jarige Isaac Del Toro werd derde in de Tour. Een probleem: de Mexicaan is ploeggenoot van Pogacar bij Team UAE Emirates. Van de 21-jarige Léo Bisiaux wordt ook veel verwacht.
Marco van Basten had natuurlijk helemaal gelijk dat topsport gebaat is bij gelijkheid en competitie. Dat we niet massaal afstemmen op Netflix of Videoland als de Tour of Champions League bezig is. Of dat we de tv aanzetten nadat we een pushbericht hebben ontvangen dat Pogacar de Vuelta heeft verlaten. Gelijkheid blijheid.
Wat voetbal betreft, kan dat met regelgeving zoals een salarisplafond worden geregeld. Met wielrennen is het een ander verhaal. Het is aan jonge renners om het bizarre niveau van Pogacar als maatstaf te nemen, zoals Nadal en Djokovic dat deden toen Federer heerste. En tot die tijd moeten we niet vergeten bewonderend te kijken naar wat Pogacar doet. Of naar hoe Armand Duplantis al jaren een klasse apart is bij het polsstokhoogspringen.
Zoals Federer in zijn hoogtijdagen op Wimbledon ooit antwoordde toen hij de vraag kreeg of het mannentennis niet saai was door zijn hegemonie: ‘You don’t know what you get, till it’s gone.’ En zo is het maar net.