Olympisch goud op vijf opeenvolgende Spelen. Wat een fenomeen. Ireen Wüst (39), de succesvolste Nederlandse olympiër ooit stopte in 2022. De zesvoudig olympisch kampioene blikte na haar carrière met ons terug.
Tekst gaat verder onder de foto
“Het is eigenlijk voor het eerst dat ik bewust terugga naar 7 februari 2022, toen ik olympisch goud won op de 1500 meter. Ik werd de laatste tijd vooral herinnerd aan het grootse afscheid van Sven Kramer en mij in Thialf. Als ik terugdenk aan die dag van de 1500 meter in Beijing krijg ik zo’n onwaarschijnlijk gevoel. De hele dag had ik er heel veel zin in.
Mijn grootste kans op goud op mijn vijfde en laatste Spelen was die 1500 meter. Ik voelde me de hele week al goed, had me voorgenomen om echt te genieten van mijn laatste Spelen. Mijn moeder riep altijd al: ‘Geniet je wel genoeg?’
Vóór het overlijden van mijn maatje Paulien van Deutekom, begin 2019, dacht ik dat de Spelen van 2018 mijn laatste waren geweest. Na haar overlijden dacht ik: ik ga sowieso nog twee jaar door. En na die twee jaar dacht ik weer: waarom zou ik nu stoppen? Ik heb het mooiste beroep dat er is, ik kan elke dag doen wat ik het allerleukste vind. Paulien zei altijd tegen me nadat ze was gestopt: ‘Buuf, je moet zo lang mogelijk doorgaan, want er is geen leven mooier dan dat van schaatser.’ Bovendien bleek dat ik nog steeds mee kon komen.
Toen ik de kans kreeg om bij Team Reggeborgh te schaatsen, wist ik meteen dat ik nog één keer voor de Spelen zou gaan. Het was natuurlijk heel jammer dat er door corona geen fans, familie en vrienden in Beijing waren, maar ik was daar niet mee bezig. Ik was vooral aan het genieten van de laatste keer dat ik op dat podium mijn kunstje mocht laten zien. Hoe mooi is dat? Die vijf ringen gaven me altijd iets magisch, dan had ik extra veel zin. Als je zo aan het genieten bent, kijk je alleen naar de positieve dingen en heb je geen oog voor het negatieve.
Als topsporter kijk je heel snel kritisch naar jezelf, ben je steeds bezig met wat allemaal beter moet. In de loop van de jaren heb ik geleerd dat de kunst is om eerst vertrouwen te kweken, juist te kijken naar alle dingen die goed gaan. Dat ging in Beijing bij mij bijna automatisch. Met ploeggenoten Kjeld Nuis en Femke Kok deelde ik een appartement. We hadden zoveel lol samen, alles was leuk. Ik kon niet wachten om nog één keer te knallen op de 1500 meter op het allerhoogste podium.
Ik startte en kreeg tijdens de eerste ronde een surrealistisch gevoel. Alsof ik toeschouwer was van mijn eigen race. Op dat moment realiseerde ik me dat dat niet goed was. Kop erbij, zei ik tegen mezelf. Toen wist ik weer wat ik moest doen. Ik zat lekker in de race, kon ook echt door blijven gaan. Toen ik over de finish kwam en zag dat ik een olympisch record had gereden, ontstond er toch een zekere spanning. Het zal toch niet? Het was een heel scherpe tijd op een niet per se heel snelle baan afgaande op de eerder gereden 3000 meter bij de vrouwen en 5000 meter van de mannen.
Toen de anderen niet aan mijn tijd kwamen, was ik vooral heel dankbaar dat het nog een keer was gelukt. Weer goud. Het was emotioneel, heel beladen. Ik kon de overwinning natuurlijk delen met mijn ploeggenoten, met mijn coach Gerard van Velde en met Johan Methorst, de fysio die mij al jaren bijstaat en ook een heel goede vriend van mij is geworden, maar ik voelde op dat moment ook enorm het gemis van mijn vriendin Letitia en mijn familie, maar ook het gemis van Paulien. Daarna de mixed zone in. De Nederlandse pers vond het heel knap wat ik had gedaan, maar de buitenlandse media zeiden pas echt: wauw, je hebt iets gedaan wat nog nooit iemand heeft gepresteerd. Vijf keer individueel goud op vijf opeenvolgende Spelen. Toen kwam pas dat besef.
‘Ik denk dat dat ook komt door het overlijden van Paulien van Deutekom. Daarna ben ik anders in het leven gaan staan. Ik leef sindsdien meer in het nu’
Na die medaille voelde ik geen leegte, iets wat sommige top- sporters na winst ervaren. Eigenlijk voelde ik dat alleen na mijn eerste gouden olympische medaille in Turijn, 2006. Toen ik in 2005 op m’n negentiende bij TVM kwam, zat ik ineens in een ploeg met Gerard van Velde en Jochem Uytdehaage, mannen die ik op m’n vijftiende olympisch kampioen had zien worden. Ik dacht toen: als je olympisch kampioen bent, dan ben je zo speciaal. Ik keek echt tegen ze op.
Op 12 februari 2006 won ik als debutant op de Spelen meteen de 3000 meter. Een dag later werd ik wakker en dacht: oké, ik ben nu dus olympisch kampioen, maar ben precies dezelfde Ireen als ik daarvoor was. Voor mijn gevoel was er niks veranderd. Totdat ik in Nederland kwam, de wereld om me heen verander de en mensen naar me keken zoals ik naar Jochem en Gerard. Ik besefte gelukkig al heel snel: Ireen, je bent gewoon dezelfde persoon.
Ik ben supertrots op mijn dertien olympische medailles, waaronder zes gouden, maar waar ik het meest gelukkig van word en waar ik het meest dankbaar voor ben, zijn de routes die ik naar die medailles heb mogen afleggen. Die waren soms superzwaar, maar door die strijd heb ik me ontwikkeld als mens. Dat vind ik het meest waardevolle van de achttien jaar die ik als topsporter heb mogen meemaken. Ik heb op de hoogste berg gestaan, maar ook in het diepste dal gezeten.
Ik heb veel gehuild na de 1500 meter in Beijing, ook daarna met Letitia en mijn familie aan de telefoon. Ik weet ook niet zo goed waar die emoties vandaan kwamen. Misschien door alles wat er was gebeurd, dat het me was gelukt om het op een andere manier aan te vliegen en toch weer succesvol te zijn. Het heilige moeten met oogkleppen op had plaatsgemaakt voor een meer ontspannen aanpak. Bij mijn laatste Spelen volgde ik heel erg mijn gevoel. Voorheen moest alles perfect zijn. Ik wilde ook afgelopen jaren nog steeds dat alles klopte, hoor, maar als het even niet perfect ging, dan kon ik daar makkelijker mee omgaan.
Ik denk dat dat ook komt door het overlijden van Paulien. Daarna ben ik anders in het leven gaan staan. Ik leef sindsdien meer in het nu, maak me er niet meer zo druk om wat ande
ren van mij vinden of ervan zeggen. Er is er maar één verantwoordelijk voor mijn leven en dat ben ik zelf. Ik moet er iets moois van maken en dat kan ik maar beter nu doen, want als ik dat later doe, is er mis schien geen later. Ik wil een oud vrouwtje worden van negentig met grijze haren en met heel veel lieve mensen om me heen, maar stel dat dat me niet gegund is, dan heb ik in ieder geval een heel mooi leven gehad waarvan ik echt heb genoten.
Dat wil niet zeggen dat ik vroeger niet genoot, hoor, maar het heilige moeten was er de laatste periode een beetje vanaf. Ik had alles al gewonnen. Die laatste Spelen waren gewoon bonus. Zo heb ik het ook heel erg ervaren. Ik dacht: dit zijn de Bonus spelen waarbij niks hoeft en alles mag.
Tekst gaat verder onder de foto
Ik heb een fijne jeugd gehad. Mijn opa noemde mij vroeger altijd een springin’tveld. Ik was lekker druk, continu aan het sporten en buiten aan het spelen. Op school was ik in de pauze altijd met de jongens aan het voetballen.
Ik was een nakomertje, kon me door mijn oudere broer en zus heerlijk laten uitdagen. Ik zat nooit stil en wilde altijd winnen. Je kunt nu steeds beter spelletjes met mij spelen, maar vroeger was dat gewoon niet leuk. Het draaide bij mij alleen maar om winnen, ik was bloedfanatiek.
Dat fanatisme kwam tot uiting toen mijn vader de Elfstedentocht niet voltooide. Mijn vader was mijn schaats held. Ik vertelde iedereen heel stoer dat hij de Elfstedentocht reed, maar hij haalde de finish niet. Ik dacht alleen maar: hoe kan het nou dat mijn held de tocht niet uitrijdt? Hij kon later altijd nog slapen of eten, redeneerde ik, als hij dat ding maar uitreed. Maar mijn vader staakte de tocht, terwijl ik in mijn hoofd had dat je nooit opgeeft.
Over die Elfstedentocht is sindsdien zoveel gesproken en gezegd dat ik inmiddels wel een beetje medelijden met mijn vader heb. Ik denk dat als hij het over had mogen doen, hij hem wel had uitgereden… Maar naarmate ik ouder werd, realiseerde ik me steeds meer dat mijn vader naar zijn gevoel heeft geluisterd. Zijn gevoel zei op dat moment: ik kan niet meer. Dat is ook goed. Maar als meisje snapte ik dat nog niet.
Ondanks de mooie route die ik heb bewandeld, was het ook niet altijd makkelijk Ireen Wüst te zijn. Ik vind dat nog steeds weleens ingewikkeld. Soms zou ik lekker anoniem door het leven willen gaan, een leven leiden waarin niemand van alles van mij verwacht. Ik blijf voor altijd zesvoudig olympisch kampioen, maar ik hoop dat ik met de tijd wat minder vaak herkend word nu ik ben gestopt. Ik wil gewoon mezelf zijn, dan is het weleens lastig als ik ergens kom waar ik meteen word herkend en iedereen wat van me wil. Ik vond het soms lastig als mensen veel van me verwachtten. Het schaatsen heb ik altijd heel leuk gevonden, dat is altijd mijn passie geweest en soms ook mijn uitlaatklep als ik het moeilijk had. In die perioden was schaatsen een soort therapie.
Ik ging soms echt gebukt onder de druk die er altijd op zat bij mij, dat ik altijd moest presteren. Bij mij was het vaak zo: als ik tweede werd, dan had ik al gefaald. Dat vond ik af en toe heel zwaar en moeilijk. Op het moment dat ik over traind raakte, was ik pas 21. Toen ik daarmee worstelde, stond er met koeienletters in de krant: ‘Wonderkind Wüst faalt, Wüst redt het niet.’ Stond ik bij de bakker en kreeg ik zelfs daar goed bedoelde adviezen. Ik kreeg pillen thuisgestuurd en zelf hulpboeken.
Ik heb ook hulp gezocht toen ik overtraind raakte, want ik kwam er zelf echt niet meer uit. Het was niet alleen fysiek, er zat natuurlijk ook die grote mentale component aan vast. Wat mij – en meer topsporters – is overkomen, is eigenlijk hetzelfde als een burnout. Ik ben daar ook open over geweest, maar daar rustte toen toch nog wel een flink taboe op. Je kunt fysiek wel keihard trainen, maar uiteindelijk win je de wedstrijden in je hoofd. Dat zal elke topsporter beamen.
Uiteindelijk heb ik zelf een soort methode ontwikkeld waar door ik ook wist hoe ik mentaal zo scherp als een mes was op de momenten dat ik er moest staan.
Mijn methode? Als je één procentje vertrouwen hebt, probeer je daar twee van te maken door je vast te klampen aan die ene bocht die goed ging. Van die twee maak je vervolgens vier procent door te kijken wat de volgende keer ook goed gaat. En zo bouw je het stap voor stap uit totdat je met vertrouwen aan de start staat met de overtuiging dat je gaat winnen. Dat is een mooi proces.
Ik heb dat mezelf aangeleerd, dat had ik vroeger niet, toen was ik te zenuwachtig en te veel bezig met het resultaat. Ik verknalde de eerste afstand en op de tweede ging het dan wel weer goed. BijJ ong Oranje hadden we een soort sportpsycholoog die destijds zei: ‘Je moet niet resultaat, maar taakgericht bezig zijn. Dus geef jezelf een bepaalde taak.’ Dat is wat ik ben gaan doen, ik gaf mezelf in trainingen een taak, haalde daar vertrouwen uit en heb dat verder uitgebouwd.
Ik heb ook altijd ontzettend veel steun van mijn familie gehad. Zij zijn heel belangrijk. Toen m’n oudere broer en zus niet meer met mijn ouders en mij op vakantie gingen, voelde ik me wel een beetje eenzaam. Maar sportief gezien heb ik weer veel geluk gehad dat ik een nakomertje ben, want daardoor hadden mijn ouders maar één kind dat ze naar de ijsbaan moesten brengen. Mijn broer en zus hebben me overigens altijd aangemoedigd en brachten me ook naar ijsbanen, trainingen en wedstrijden. Ze zijn er altijd voor me geweest, vanaf het eerste pupillentoernooi waarop ik als twaalfjarige dertiende werd. Bijna altijd waren ze erbij; mijn ouders, broer, zus, opa, oma, oom en tante.
Als ik terugkijk heb ik een heel mooie reis gemaakt en die ging niet alleen van succes naar succes. De route naar die medailles verliep met ups en downs. De keren dat ik mezelf ben tegen gekomen, niet ben weggelopen, maar met mezelf aan de slag ben gegaan. De ontwikkeling die ik heb doorgemaakt van klein meisje naar de volwassen vrouw die ik nu ben. Die hele reis is zo de moeite waard geweest. Achteraf omarm ik ook de moei lijke momenten. Toen ik daar middenin zat, waren die echt niet leuk, maar ze zijn zo leerzaam geweest.
Ik heb ook met mezelf geworsteld, dat ik niet wist wie ik was. Ik ben overtraind geweest en werd ineens verliefd op een meisje. Ik denk dat ik mezelf nu wel ken. Ik ben een ‘personenvrouw’, als ik een klik heb met iemand, dan is het goed.
Waar ik nu nog van droom, is mensen helpen, motiveren, inspireren. Als ik iemand kan helpen, kan raken, dan ben ik blij. Dat probeer ik ook bij TalentNed, waar ik nu werkzaam ben en mijn ervaring probeer over te brengen op talenten. En wie weet is een gezin Letitia en mij gegeven. Op dit moment komen er zoveel dingen op me af. Er moet eerst even stabiliteit in ons leven komen.
Me helemaal uit de publiciteit terugtrekken zal niet lukken, want ik geef ook commentaar bij de NOS, omdat ik dat gewoon leuk vind en schaatsen mijn passie is. Ik vind het mooi om over schaatsen te praten en het is ook fantastisch om bij de wereldbekerwedstrijden op de tribune te zitten. Ik ga dus niet in een hutje op de hei zitten.”
Meer lezen?
- Lees het verhaal van Joy Beune
- Lees hier het verhaal van Femke Kok
- Lees hier het verhaal van Marijke Groenewoud

