Frank Vandenbroucke, kortweg VDB. Ook bekend als Het Gouden Jongetje, maar misschien nog wel het meest als God. Hij heeft geleefd en hij is geleefd. “Of alles, of niks, niets daar tussenin”, zo beschrijft zijn biograaf hem. In de koers, in de liefde, in zijn uitspattingen en uiteindelijk ook in zijn ondergang.
Deze week in de rubriek Gevallen Held: wielrenner Frank Vandenbroucke, over een verval dat zijn weerga niet kent in de wielergeschiedenis.
Huisnummer 256
Het is 18 april 1999. Frank Vandenbroucke is 24 en weet het al zeker: hij gaat Luik-Bastenaken-Luik winnen. Niet zomaar, maar op een manier die niemand zal vergeten. Geblondeerd haar, een sikje, een glimmende laag bruin-zonder-zonolie en een fiets met gouden spaken. Bij de start kijkt hij alsof de koers hem persoonlijk toebehoort. “Ja”, antwoordt hij op de vraag of hij gaat winnen. “En ik zal je zelfs zeggen waar. Bij huisnummer 256, net voorbij de Côte de La Redoute. Daar breek ik de koers open.”
Een paar uur later rijdt het peloton langs nummer 256. Vandenbroucke valt aan. Exact daar, met de duimstok gemeten. Michele Bartoli, de huizenhoge favoriet, kan of wil niet reageren. Frank kijkt hem aan en laat hem ter plekke staan. De beelden raken verankerend in het wielergeheugen. Het is meer dan een aanval. Het is een statement: kijk naar mij. Ik ben de beste.
Dokter Mabuse
Het flamboyante wonderkind brengt wielerminnend België in vervoering. Niet alleen met zijn prestaties, maar ook met randzaken. Drie weken na zijn eerste monument wordt hij voor het oog van de wereld in de boeien geslagen. Bernard Sainz, Dokter Mabuse, de omstreden Franse paardenfokker, wordt verdacht van het toedienen van verboden middelen.
Wanneer Vandenbroucke in de Hostellerie de la Place de internationale pers te woord staat, voelt hij zich naar eigen zeggen als een everzwijn dat door een roedel honden in het nauw wordt gedreven. De zaak krijgt de allure van een proces rond een massamoordenaar. “Ik dacht dat meneer Sainz mij homeopathische middelen toediende”, zegt hij. “Hoewel ik twijfels heb bij wat hij gedaan heeft, hoop ik dat ik me vergis. Maar dat kan natuurlijk.”
Twee maanden later neemt Cofidis hem opnieuw aan. Het Franse gerecht heeft geen bezwarende elementen gevonden. Maar er is wel iets veranderd. Het onschuldige wonderkind heeft een knauw gekregen. Misschien is het engeltje verdwenen. Wat overblijft, is een jongen die voortaan ook koerst uit rancune, uit bewijsdrang, uit de behoefte om te laten zien dat niets of niemand hem klein krijgt.
La Dama Bianca
Later dat jaar, tijdens de Vuelta, trekt een Italiaanse vrouw zijn aandacht. Ze heet Sarah Pinacci, draagt een rood Saeco-uniform en werkt voor het promotieteam van de ploeg. Frank ziet een engel en beslist meteen: dit wordt de vrouw van zijn leven. Thuis wachten zijn vriendin Clothilde en hun zesjarige kind, maar die relatie is al langer uitgehold. Sarah is de hedendaagse La Dama Bianca.
De avond voor de zestiende etappe nodigt Frank haar uit in een visrestaurant in Valencia. Hij drinkt wijn alsof het water is en wordt steeds loslippiger.
“Morgen win ik voor jou.”
Sarah schiet in de lach en antwoordt niet.
“Echt waar. Morgen win ik de rit en breng ik je de bloemen. In ruil voor een kus.”
“Op de wang.”
De volgende middag maakt Frank zijn belofte waar. Na een demarrage op zeventig kilometer van de meet rijdt hij solo naar de overwinning. Bij de Saeco-stand overhandigt hij Sarah de bloemen. De eerste kus is een feit. En smaakt naar meer.
Twee dagen later verblijven Cofidis en Saeco in hetzelfde hotel. Frank zoekt Sarah op in haar hotelkamer, geeft haar een kus en speelt open kaart.
“Ik kom net uit een lange relatie.”
“Hoe lang?”
“Lang genoeg voor trouw- en bouwplannen. En een kind.”
“En ben je nog samen met die vrouw?’”
Frank schudt zijn hoofd.
“Dan is er toch geen probleem?”
Ze krijgen allebei de slappe lach.
“Om te bewijzen dat ik van je hou, win ik morgen opnieuw.”
“Jij wint wel graag.”
“Ik ben eraan gewend mijn zin te krijgen.”
“Zo zelfverzekerd.”
Dit keer niet gevolgd door een lach.
“Ik zal zelfs meer zeggen. Als ik morgen win, brengen we de nacht samen door.”
De volgende dag rijdt Frank met een enorm verzet en wint hij na een verwoestende demarrage de negentiende etappe van de Vuelta. Belofte maakt schuld.
Vijand
Frank Vandenbroucke kent slechts één vijand: zichzelf. Want hij rijdt met duizelingwekkende snelheid, maar leeft naast de fiets nog sneller. De zin van zijn bestaan moet steeds opnieuw op een ziekelijke manier bevestigd worden; zijn carrière raakt steeds verder versnipperd in krantenkoppen.
In 2004 doet Vandenbroucke na een hoogoplopende ruzie met zijn vrouw een eerste zelfmoordpoging. Tijdens die ruzie lost hij met zijn jachtgeweer een schot. Drie jaar later, op 6 juni 2007, onderneemt hij met een overdosis medicijnen een tweede poging. Ook die mislukt, zoals wel meer in zijn leven gedoemd lijkt te mislukken. Depressie, verslavingen, auto-ongelukken, een echtscheiding en talloze rechtszaken beheersen in die jaren zijn leven.
Op 12 oktober 2009 wordt Vandenbroucke, amper 34 jaar oud, dood aangetroffen in een smoezelige hotelkamer in Saly, Senegal. De nacht ervoor heeft hij gezelschap gehad van een Senegalese prostituee. Later worden drie mensen opgepakt wegens diefstal van zijn geld en persoonlijke bezittingen. De autopsie wijst uit dat Vandenbroucke is overleden aan een dubbele longembolie, in combinatie met een reeds bestaande hartaandoening.
‘God es van ons p’rochie en riedt met de fiets’
In 2011 schrijft Wannes Cappelle, leadzanger van Het Zesde Metaal, in opdracht van het Wielermuseum Roeselare het nummer Ploegsteert. Het lied wordt tijdens een huldeavond aan Vandenbroucke in het museum gezongen, in aanwezigheid van zijn familie. Cappelle bezingt daarin niet alleen de wielrenner, maar vooral de mens achter de mythe. De jongen uit Ploegsteert die uitgroeide tot een Belgische sportheld en die uiteindelijk ten onder ging aan dezelfde onrust die hem ooit zo bijzonder maakte.
En in Ploegsteert zei de paster:
“‘k Wiste van niets,
maar God es van ons p’rochie en riedt met de fiets.”
Of alles.
Of niks.
Niets daar tussenin.