Jan Janssen en Joop Zoetemelk blikken terug: de enige Nederlandse Tourwinnaars in gesprek

Jan Janssen en Joop Zoetemelk
Lars van den Brink

Ze zijn nog altijd de enige twee Nederlandse winnaars van de Tour de France. Maar de jaren beginnen te tellen voor Jan Janssen (86) en Joop Zoetemelk (79). “Ik vrees dat het nog heel lang gaat duren voordat er een derde Nederlandse Tour-winnaar komt.” We blikken terug op de zomer van 2022, waarin de twee grootheden met ons in gesprek gingen

‘TOUR-68’ staat er op het Belgische kenteken. Achter het stuur van de grijze Audi zit Jan Janssen, winnaar van de Tour de France 1968. Joop Zoetemelk is net uit Frankrijk, waar hij al sinds jaar en dag woont, komen rijden. Een verwijzing naar de eindzege van de Tour in 1980 ontbreekt op zijn kentekenplaat. De begroeting tussen Jan en Joop is hartelijk.

Jan begint meteen enthousiast te vertellen. “We kunnen terugkijken op een schitterende carrière. Ik heb daar nog elke dag plezier van. Ik zit weleens te beredeneren wat er zou zijn gebeurd met mij als ik geen wielrenner was geworden. Wij hadden thuis een aannemersbedrijf, zonder de fiets was ik daar gaan werken.”

Joop: “Zonder het fietsen was ik bouwvakker geworden, timmerman. Ik ben vooral Herman Krott veel dank verschuldigd voor het mooie leven dat ik heb. Hij haalde me bij de olympische ploeg in 1968. Na die Spelen werden veel van de amateurs prof. Ik was pas begonnen met fietsen op amateurniveau, was er nog niet rijp voor.

Ik werd onderhoudstimmerman bij een fabriek in Leiden. Herman zei op een dag: ‘Wat verdien je nou in de bouw?’ Ik vertelde wat ik verdiende en hij zei: ‘Als je wielrenner wordt, verdien je meteen drie keer zoveel. Probeer het twee jaar. Lukt het niet, dan ga je terug.’”

Jan: “Wij hadden het karakter, waren doorpakkers.”

Joop: “Mijn vader had een varkensfokkerij. Wij moesten ook meehelpen van jongs af aan. We wisten wat werken was.”

Jan: “Ik ging altijd tot het gaatje. Ik had ook wel talent, maar ik denk dat Joop meer talent had dan ik. Zoals Jacques Anquetil en Eddy Merckx ook meer talent hadden dan ik.”

Jan begint te vertellen over hun eerste ontmoeting. “Het was in een van de eerste etappes van de Tour van 1970, de laatste die ik reed. Er was een groep renners ontsnapt en toen ging dat jochie van de Flandria-ploeg op kop van het peloton rijden.

Het gat was dik een minuut, maar in een mum van tijd had hij het gedicht. In zijn eentje. Ik zat in z’n wiel, hij vroeg niet of ik over wilde nemen. Ik zat hem van achter te bekijken en dacht: krijg nou wat, zeg, wat is dat voor een piepeltje? Toen begreep ik dat hij Joop Zoetemelk heette.

Ik had al wel van hem gehoord, bij de amateurs had hij het geweldig gedaan, ook olympisch goud gewonnen op de ploegentijdrit in 1968. Maar dat hij het in zijn eerste Tour meteen al kon laten zien, was wel wat, hoor. Joop werd meteen tweede. Potverdorie.”

Joop hoort het glimlachend aan: “Ik wist natuurlijk wel wie Jan was, al is de Tour van 1968 grotendeels aan mij voorbijgegaan. Ik was 21 toen Jan de Tour won, was ik overdag aan het werk. En ik was als amateur in voorbereiding op de Spelen in Mexico. De Tour was toen ook veel minder te volgen op tv dan nu.” Sterker, de Tour van 1968 was de eerste die te zien was op de Nederlandse televisie. Jan: “Volgens mij werden alleen de laatste twintig kilometer van een etappe uitgezonden.”

Joop: “Ik hield Jan vooral in de gaten via de krant, waarin ook de klassementen stonden. Het was een hele happening toen Jan als eerste Nederlander de Tour won. Het was niet zo dat toen Jan won, ik meteen dacht: het is dus voor mij ook mogelijk om op een dag de Tour te winnen. Ik was pas in 1967 amateur geworden.”

Jan: “Ik had lange tijd ook niet het idee dat ik de Tour kon winnen, hoor. Dat veranderde in 1966. Dat jaar werd ik tweede in de Tour.”

Joop: “Tweede ben ik ook zes keer geworden, maar dan heb je nog niet gewonnen, hè.”

Jan: “Zeker. Maar ik had die Tour kunnen, misschien wel moeten, winnen, Joop. Ik verloor de Tour door onderschatting. Lucien Aimar won dat jaar. Ik pakte de gele trui in de zeventiende etappe, met aankomst in Briançon. De volgende dag ging de etappe naar Turijn. Ik dacht: ik ga lekker achter in het peloton zitten in mijn gele trui. Jacques Anquetil reed immers ook altijd achter in de groep in de jaren dat hij het geel droeg.”

Joop: “Maar als het nodig was, zat hij wel van voren, Jan.”

Jan: “Klopt. Henk Nijdam kwam op een gegeven moment naast me rijden en zei: ‘Aimar is ontsnapt.’ Ik dacht: hij maakt toch zeker een geintje? Ik reed naar voren en zag Aimar nergens. De ploegleider kwam op dat moment naast me rijden en riep ook dat Aimar weg was. Ik riep: had je me dat niet eerder kunnen vertellen? Hij zei dat Radio Tour uit de lucht was geweest…”

Joop: “Ik reed juist altijd van voren in het peloton, kon altijd precies zien wie er ontsnapte. Ik heb me wat dat betreft nooit laten verrassen.”

Jan: “Het probleem was dat we niet zo’n heel sterke ploeg hadden. Er waren twee groepen weg en we kregen ze niet meer te pakken. Aimar pakte een dikke minuut op mij. Ik dacht na de finish nog: het komt goed. Er kwam nog een tijdrit. Maar het kwam niet meer goed. In 1968 zat er een stijgende lijn in mijn vorm, ik werd gedurende de Tour steeds beter. In 1966 vlakte mijn vorm op het einde juist af.”

Joop: “Ik werd in mijn eerste en tweede Tour tweede, maar ik had toen helemaal niet de illusie dat ik de Tour kon winnen. Ik reed voor een zo goed mogelijk klassement, hoor, maar moest het immers tegen Eddy Merckx opnemen. Dat was wel even wat anders.”

Jan knikt: “Jij hebt de ongelukkigste periode in het hele wielrennen meegemaakt, Joop. Je had eerst te maken met Merckx. Tegen hem was gewoon weinig te doen. En daarna trof je Bernard Hinault.”

Joop: “En ik had dat ongeluk er precies tussenin. Ik kwam in 1974 zwaar ten val in de Midi-Libre, daar heb ik een paar jaar flink last van gehad. En dat waren precies de jaren na Merckx en voor Hinault. In die jaren wonnen Bernard Thévenet en Lucien Van Impe de Tour. Dat waren jaren waarin ik de Tour had kunnen winnen als ik in orde was geweest.”

Jan: “Ik vond het zo mooi dat je in 1980 wel won. Ik reed voor mijn fietsenmerk van hot naar her, luisterde onderweg naar Theo Koomen op de radio.”

Joop: “Ik was al jaren daarvoor benaderd door Peter Post om naar TI Raleigh te komen. Ik zei toen: nee Peter, je hebt al zoveel goeie renners in de ploeg, ik zit op m’n plek bij een Franse ploeg, Gan-Mercier, laat me maar met rust, ik zit daar goed. Elk jaar kwam Post terug. Maar op een gegeven moment kreeg je de ploegentijdrit in de Tour en daar was Raleigh heel goed in.

Bij mijn ploeg liet ik het juist liggen op dat onderdeel, in 1978 en 1979 werd ik tweede in de Tour, maar ik verloor in 1979 alleen al drie minuten op Hinault in de ploegentijdrit. Ik dacht toen: laat ik het een keer proberen bij Post, want dan kom ik toch weer dichterbij Hinault. Ik had Post gevraagd me met rust te laten en dat deed hij ook. De eerste week in de Tour van 1980 reed ik niet goed.

Ik was goed in de Ronde van Zwitserland, stond tot de laatste dag aan de leiding. Bij het NK dat daarop volgde, stapte ik af. Toen kreeg ik maagproblemen en ik denk dat ik daar nog last van had in de eerste dagen van de Tour. In de rit over de kasseien in de Tour van 1980 verloor ik veel tijd, iets van drie minuten. Hinault pakte het geel.

Mijn ploeggenoten waren een beetje aan mijn stoelpoten aan het zagen, maar Post bleef rustig. Hij zal ook wel in paniek zijn geweest, maar liet het niet merken. Ik dacht ook: we winnen met Raleigh bijna elke rit, er is toch niets te klagen? In de tweede week verloor Hinault tijd en hij stapte uiteindelijk af in het geel. Daarna pakte ik de gele trui en die stond ik niet meer af.”

Jan: “Maar dat moment dat jij in de Alpen door die manoeuvre van Johan van der Velde viel in het geel; potverdorie, dat was schrikken.”

Joop: “Voor hetzelfde geld had ik mijn sleutelbeen of pols gebroken. Dan had je hier in je eentje gezeten, Jan, was je nog altijd de enige Nederlandse Tour-winnaar geweest.”

Jan had voor de slotetappe in de Tour van ’68, een tijdrit van 55 kilometer van Melun naar Parijs, nog een achterstand van zestien seconden op de Belg Herman Van Springel. Jan won de tijdrit, zijn tweede ritzege die Tour, en boog de achterstand om in een voorsprong van 38 tellen.

“Die ontknoping… De Tour komt bijna elke dag nog voorbij in mijn hoofd,” zegt Jan. “Ik had wel medelijden met Herman, hoor. De laatste dag uit het geel gereden worden, dat is wat, hè. Ik zie hem nog zo op dat bankje zitten. Helemaal gedesillusioneerd. Ik was dolblij, maar had tegelijkertijd zo met hem te doen. Die erelijst van Herman is zo indrukwekkend, maar die Tour-zege ontbreekt. Ik heb altijd goed contact met hem gehouden. Wij zijn ook nog een keer samen wezen vissen, allebei met een zaklamp op ons hoofd, aan de Belgische kust. Hij is inmiddels helaas overleden.”

Joop: ‘Ik ben ook niet bang voor de dood, ben al twee keer bijna dood geweest tijdens mijn wielercarrière, maar ben beide keren opgestaan’

Jan neemt een slok van een alcoholvrij biertje. “Tja Herman… Je wil niet weten hoeveel contact ik nog heb met oud- renners. Op 24 april is de verjaardag van André Darrigade. Dan bel ik hem. Hij is nu dik in de negentig. Weet je wat ik altijd tegen hem zeg? Weet je waarom jij zo oud bent geworden? Jij hebt nooit afgezien op de fiets, hebt altijd alleen maar in het wiel gezeten. Dan schatert hij van het lachen.”

Joop: “Ik spreek ook nog heel veel oud- renners, krijg ook vaak telefoontjes.”

Jan: “Het contact blijft altijd goed. De homogeniteit tussen de renners was vroeger veel groter dan nu. Ik heb het idee dat de renners van nu elkaar uit het oog verliezen als ze stoppen. Nou, dat was bij ons niet.”

De herfst

De herfst van hun leven is aangebroken.
Jan: “Om in wielertermen te spreken: we fietsen inmiddels achter het peloton. Er komt een dag dat ook ik m’n ogen sluit. Ik ben niet bang voor de dood.”

Joop: “Ik ben ook niet bang voor de dood, ben al twee keer bijna dood geweest tijdens mijn wielercarrière, maar ben beide keren opgestaan.”

Jan: “Als ik maar niet hoef te lijden. Dat heb ik ook al met mijn kinderen besproken. Als mij iets overkomt, dan hoef ik gereanimeerd te worden. Dit is vastgelegd bij een notaris. Als ik zie hoe het met Cora ging op het einde… Ze herkende mij nog wel, maar de anderen helemaal niet meer. Ik moet er niet
denken dat mij iets overkomt, dat ik word gereanimeerd en dat ik daarna alleen nog in een stoel kan zitten.”

Joop: “Zo sta ik er ook in. Ik had er al enorm veel moeite mee na mijn ongeluk. Dany moest me overal mee helpen, ik kon niets. Laat staan als je weet dat het nooit meer beter wordt. Als ik maar niet afhankelijk word.”

Jan: “Zoals Harm Ottenbros overleed is natuurlijk uniek. Hij ging naar bed, kreeg in zijn slaap een harstilstand. Hij had ’s middags nog lekker gefietst. Dat is toch de mooiste dood die je je kunt wensen?”

Meer lezen?



Christopher Froome (M) in de gele trui van de Tour de France met Laurens ten Dam (L) en Bauke Mollema aan de start van de Ronde van Stiphout.
1 juli 2026

Tour de France volgens Dave Burgers: podium, favoriet en mooiste herinnering

Erik Breukink in de gele trui tijdens de Tour de France
30 juni 2026

Tour de France volgens Jasper Boks: podium, favoriet en mooiste herinnering

Mathieu van der Poel vader
29 juni 2026

Mathieu van der Poel wordt vader: wielerdynastie krijgt nieuw hoofdstuk

Olav Kooij
19 juni 2026

Olav Kooij: een speciale sprinter