Elke week blikken we bij Helden terug op een sportmoment van 10, 25 of 50 jaar geleden. Deze week: 11 september 2001, toen PSV op de avond van de aanslagen in New York tegen Nantes speelde.
Er zijn van die dagen die dermate impact hebben dat elk fatsoenlijk mens nog weet waar hij of zij destijds was. Dinsdag 11 september 2001 was zo’n dag. In New York boorden twee gekaapte vliegtuigen zich rond 09.00 uur lokale tijd – 15.00 uur in Nederland – in The Twin Towers, die later instortten. Een ander vliegtuig trof het Pentagon, de vierde stortte neer nadat de passagiers hun noodlot voorzagen en daarop ingrepen om erger te voorkomen. Totaal aantal dodelijke slachtoffers: 2977.
Die avond speelde PSV de eerste poulewedstrijd in de Champions League, in en tegen Nantes. Met Arnold Bruggink als spits. Dat hij op het veld stond, weet de huidige analist van FOX Sports nog wel. Maar wat zich in die negentig minuten heeft afgespeeld, is grotendeels aan hem voorbijgegaan.
“Normaal heb ik een bijna fotografisch geheugen en herinner ik me vrij veel van de wedstrijden die ik gespeeld heb, en ook gedetailleerd. Maar deze wedstrijd… Ik dacht dat we met 3-1 hadden verloren, maar ik heb het nog even opgezocht: het was 4-1. Wat er vooraf en erna gebeurde, weet ik nog wel heel goed.
Het begon ’s middags met een berichtje van André Ooijer, die niet met de ploeg mee was: ‘Nu de televisie aanzetten.’ Dat hebben mijn kamergenoot John de Jong en ik meteen gedaan en we hebben hem niet meer uitgezet.
Het tweede dat me te binnen schiet, is de wedstrijdbespreking van trainer Eric Gerets, die merkbaar aangeslagen was en begon met: ‘Degenen die niet willen spelen, mogen dat aangeven en hoeven ook niet te spelen.’
Ik dacht: ik ga gewoon spelen. Tja, ik was 23. Pas later, met meer levenservaring, ben ik me gaan realiseren: ik had niet moeten spelen, ook als statement naar de UEFA en kijken wat die dan doet. Een aantal ploeggenoten had zich vast bij me aangesloten. Maar op dat moment had ook niemand de impact van die hele situatie nog door.”
Een kloof aan tafel
Tegen zessen zaten we aan de maaltijd en er hing een rare sfeer aan tafel. Bijna iedereen was doodstil. Maar Mateja Kezman, Joeri Nikiforov, Giorgi Gachokidze en Adil Ramzi waren lacherig, druk en vrolijk. Normaal waren we dat allemaal, maar vanwege de gebeurtenissen in Amerika toen niet.
Daarom snapten we hun gedrag niet; alsof er niks aan de hand was. Ronald Waterreus was Amerika-gek, die ging daar heel vaak en graag heen en had achteraf spijt dat hij gespeeld heeft, ook vanwege het statement dat we hadden kunnen maken. John, Kevin Hofland, Wilfred Bouma en Patrick Lodewijks kende ik als jongens die het nieuws ook volgden en voor wie er meer in het leven bestond dan een potje voetbal.
Dus vanwege die tegenstellingen ontstond daar aan tafel even een kloof in het hechte team dat we waren. Later hebben we het erover gehad met Kezman, een heel open jongen die daar prima over kon vertellen. Als tiener had hij tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië NAVO-bombardementen meegemaakt.
Hij zei: ‘Weten jullie wat wij daar voor ellende mee hebben moeten maken, met dank aan de NAVO en de VS?’ Hij vond het wel oké dat Amerika nu eens de pineut was en Nikiforov en Gachokidze stonden er op dezelfde manier in. Na dat gesprek zijn we er met iets meer begrip en nuance naar gaan kijken. Maar op die wedstrijddag vonden we het vooral heel vreemd.
Onder protest
Normaal is het voor een wedstrijd in en rond de kleedkamer een oase van rust, maar nu liep onze voorzitter Harry van Raaij daar en hij overlegde met Gerets. Van Raaij had al gedreigd de wedstrijd niet te zullen spelen. Dat heb ik wel meegekregen, maar de UEFA zei meteen: ‘Alle wedstrijden gaan zeker door, ook die van morgen. En als jullie niet spelen, vliegen jullie uit de Champions League.’
Alleen, maar dat is later beslist, werd er op woensdag niet gespeeld.
Toen wij het veld opgingen voor de warming-up merkten we dat in het stadion een hele rare sfeer hing. De 30.000 man op de tribune hadden kennelijk enorm veel zin in een lekker avondje voetbal. Het leek alsof niemand daar iets had meegekregen van de verschrikkelijke gebeurtenissen van eerder die dag. Dat gold ook voor de meegereisde PSV-supporters.

Ik was er nog steeds van overtuigd dat de UEFA die wedstrijd eruit zou halen en dat heb ik gedacht tot twee minuten voor aanvang van de wedstrijd en wij in de spelerstunnel klaarstonden om het veld op te gaan.
Harry van Raaij had laten weten dat we onder protest zouden spelen en ik denk dat hij achteraf spijt heeft gehad dat we überhaupt hebben gespeeld.
“Ik ga zo meteen níét juichen”
Op het veld was ik de hele wedstrijd stoïcijns, ik voelde me vlak. Al na een minuut of drie kreeg ik een enorme kans. Ik werd vrij voor de keeper van Nantes gezet, wist precies wat ik wilde doen, maar het allerbelangrijkste dat in mijn hoofd zat, was: ik ga zo meteen níét juichen.
Nou, dan weet je dus één ding héél zeker: die bal gaat er niet in. Dat gebeurde ook: ik schoot hem over.
Bij rust stonden we met 3-0 achter, als ik me niet vergis. Dat zou onder andere omstandigheden een goeie reden zijn voor een trainer om in de kleedkamer flink tekeer te gaan, zeker voor Eric Gerets. Die zat er altijd bovenop en kon echt losgaan. Maar die dag was hij heel gelaten. In de rust heeft hij nauwelijks iets gezegd, alleen: ‘Zie maar wat je ervan maakt.’
Het werd dus 4-1. Onze goal van John de Jong, een afstandsschot in blessuretijd, kan ik me nog wel herinneren.
Bij de spelersbus stonden boze PSV-supporters ons op te wachten om verhaal te halen over het verlies. We hebben ze gevraagd onder welke steen ze hadden gelegen. Daar kwam geen reactie op. Ze wilden alleen maar over voetbal praten. Ik kreeg niet het idee dat ze wisten waar wij het over hadden en wat er gebeurd was.
Terug in het hotel hebben we met een grote groep naar CNN zitten kijken op de kamer van verzorger Mart van den Heuvel. Na een wedstrijd is het altijd moeilijk in slaap vallen en toen helemaal. Steeds meer nieuwe beelden kwamen voorbij en iedereen wilde zijn frustratie en verhaal kwijt.
Dan begon er weer iemand te praten en riep de rest: ‘Ssst, mond houden en luisteren.’
Ik weet niet exact meer wie daar bij waren, voornamelijk de Nederlandse jongens denk ik. In ieder geval John, Ronald en ik hebben tot vier uur, half vijf zitten kijken.
Volgens mij hebben we toen ook gehoord dat de Champions League-wedstrijden van woensdag, waaronder Feyenoord-Bayern München, wel verschoven werden. Nou, dat viel helemaal verkeerd bij iedereen. Van Raaij was pislink.
Dat die wedstrijden niet gespeeld werden, was natuurlijk heel terecht, maar dat had met de wedstrijden van dinsdag, waaronder dus de onze, ook moeten gebeuren. Maar de UEFA-mannen waren bang geweest, hadden zitten snurken en de Fransen hadden er zelfs een feestje van gemaakt.
Het was ook niet één vak, maar het hele stadion dat uit z’n dak was gegaan. Dat voelde als groot onrecht en een totaal gebrek aan respect voor de slachtoffers en hun nabestaanden. Dat ze daar zo makkelijk overheen hadden kunnen stappen.
Je kunt niet iedereen over één kam scheren, maar dat heeft mijn beeld van Frankrijk en de Fransen geen goed gedaan. Een blijvende negatieve herinnering.
De meest bizarre wedstrijd
Die wedstrijd bij Nantes is, met de wedstrijd na het overlijden van Robert Enke, de meest bizarre die ik ooit gespeeld heb.
Robert was, toen ik daar speelde, keeper en aanvoerder van Hannover 96. Hij was depressief en heeft op 10 november 2009 zelfmoord gepleegd door voor een trein te springen.
Hij had zijn vrouw Teresa verteld dat hij die dag ging trainen, maar we waren vrij. Toen hij ’s middags niet thuiskwam, heeft ze de keeperstrainer gebeld. Die vertelde dat er helemaal geen training was en toen wist zij genoeg.
Van de spelersgroep was ik één van de twee die van zijn depressiviteit wist. Teresa had mijn kamergenoot Hanno Balitsch gevraagd een oogje in het zeil te houden en Hanno heeft het mij verteld. Omdat hij daar geen raad mee wist en die informatie wilde delen.
Buiten de club had ik geen contact met Robert, maar als collega’s konden we goed overweg. Twee dagen voor zijn dood had ik hem nog gevraagd hoe het met hem ging. Hij begon over zijn contractonderhandelingen, maar ik heb duidelijk aangegeven: nee, ik wil weten hoe het met jóu gaat.
‘O, dat vertel ik je nog wel, Brug.’
En een paar dagen later stonden we in de kleedkamer van ons stadion klaar om zijn kist, met 40.000 man en de Duitse selectie op de tribunes, naar de middenstip te dragen.
Dat zijn mijn meest bizarre en zwaarste meters op een voetbalveld ooit geweest. En niet omdat die kist loeizwaar was.
“Gelukkig, dit is klaar”
Twee weken later – er zat een interlandweekend tussen – speelden we onze eerste wedstrijd na zijn overlijden; uit bij Schalke. Dat had alles zo sober mogelijk gehouden.
In doodse stilte kwamen we het veld op; ik voorop, want ik was Robert opgevolgd als aanvoerder. En toen zijn de mensen gaan klappen, uit respect en waarschijnlijk ook niet wetend wat ze anders moesten doen.
Van die wedstrijd weet ik alleen nog dat we vrij veel kansen kregen en met 2-0 verloren. Dat die wedstrijd erop zat, was zo’n opluchting.
Maar als aanvoerder moest ik daarna als eerste voor de tv-camera gaan vertellen hoe we die wedstrijd en de sfeer beleefd hadden. En ik brak.
Daarna kregen we elke wedstrijd weer begrip en sympathie en leefden de tegenstanders en hun supporters met ons mee. Allemaal heel mooi en sympathiek, maar ook heel lastig. Daarom was de trieste situatie van Abdelhak Nouri voor mij zo herkenbaar, ook vanwege de impact op een elftal en de hele directe omgeving.
Bij mij thuis in de voetbalkamer hangen de shirts van alle clubs waar ik heb gespeeld. Die van Hannover 96 is dat met een zwarte 1 op de borst, waar we na de dood van Robert de rest van dat seizoen in hebben gespeeld.
Uiteindelijk is die periode een intense herinnering geworden nadat ik het allemaal een plek heb kunnen geven. Maar wat was ik blij dat die eerste wedstrijd na zijn dood erop zat.
Ik had hetzelfde gevoel als na Nantes-uit: gelukkig, dit is klaar.