Tadej Pogacar geldt in 2026 als de absolute favoriet voor de Ronde van Frankrijk. De nu al iconische Sloveen mikt op zijn vijfde Tourzege, waarmee hij op gelijke hoogte zou komen met de recordhouders, onder wie Eddy Merckx. Wieleranalisten Tom Dumoulin, Stef Clement, Karsten Kroon én teamgenoot Tim Wellens delen hun kijk op ‘Pogi’ – wat maakt deze gevierde wielrenner zo bijzonder?
In Helden 77 herinnert Tom Dumoulin zich zijn eerste echte kennismaking met Tadej Pogacar. Het was tijdens de Tour de France van 2020 dat de twee elkaar troffen. De Sloveen debuteerde op 21-jarige leeftijd in de Tour en was een jaar eerder in zijn eerste grote ronde al derde geworden in de Vuelta. “‘What the f*ck, die jongen kan wel heel hard fietsen’, dacht ik destijds.”
Tijdens de tijdrit met aankomst op La Planche des Belles Filles op de voorlaatste dag verdedigde Roglic een voorsprong van 57 seconden op zijn negen jaar jongere landgenoot. Alles leek in kannen en kruiken, maar Pogacar haalde op de valreep ‘snoeihard uit’, aldus Dumoulin. “We konden het echt niet geloven dat Pogacar toch nog de Tour won. Vijf jaar later kijken we er allang niet meer van op dat hij prestaties levert die vooraf als onmogelijk werden beschouwd. Die Tour was het eerste bewijs dat, bij wijze van spreken, de nieuwe Merckx was opgestaan.”
Herstelvermogen
“Het kan bijna geen toeval zijn dat de wonderkinderen in het huidige peloton – Pogacar, Mathieu van der Poel en Remco Evenepoel – geen kinderen hebben”, zegt Clement. “Ik heb het idee dat zij daardoor onbevangener op de fiets zitten, het makkelijker vinden om erin te vliegen en toch nog net iets meer de volledige focus op het wielrennen hebben”, maakt hij de vergelijking met rivaal Jonas Vingegaard. “Vingegaard heeft eerder ook uitgesproken dat hij problemen heeft met de druk die hij ervaart”, vult Kroon aan. “Dat is iets waar Pogacar totaal geen problemen mee heeft. Het maakt hem allemaal geen bal uit. Hij lacht voor de start, tijdens de wedstrijd en erna.”
Clement: “De kracht van Pogacar is ook zijn herstelvermogen. In de afgelopen jaren zijn ze er bij UAE echt wel achter gekomen wat hij wel en niet aankan.” Kroon: “En vergeet niet: Pogacar is ontzettend sterk. Hij voelt de eerste tweehonderd kilometer van Luik-Bastenaken-Luik amper, daar lacht hij om. Hij lijdt een stuk minder dan de gemiddelde wielrenner. Het is zo bijzonder wat Pogacar laat zien. Neem de Waalse Pijl van vorig jaar. Het was twee graden, het regende en er waren nog tachtig renners bij elkaar. Er was één renner die al vroeg zijn extra kleding uittrok: Pogacar. Remco Evenepoel zag dat en dacht: shit, nu moet ik dat ook doen. Evenepoel raakte bevangen door de kou, Pogacar niet. Sterker nog: hij reed op de Muur van Huy iedereen naar huis. Pogacar heeft gewoon geen enkel zwak punt. Niks.”

Vroege profs
“Het schijnt Merckxiaans te zijn wat Pogacar doet, maar ik heb dat tijdperk niet bewust meegemaakt”, vervolgt Kroon. “Wat ik wel weet, is dat het in mijn tijd langer duurde voordat ronderenners tot volle wasdom kwamen. Pogacar werd in 2020 op zijn twintigste meteen al derde in de Vuelta, zijn eerste grote ronde. In mijn tijd was dat onmogelijk. Dat gebeurde gewoon niet. Er is nu natuurlijk ook meer kennis over voeding, materiaal en trainingsschema’s, maar ik denk dat het grootste verschil is dat ze al op veel jongere leeftijd professioneel zijn in hun hele doen en laten. Sommige renners leven vandaag de dag op hun veertiende professioneler voor het wielrennen dan ik op mijn 28e.”
‘Ja, Merckx heeft meer wedstrijden gewonnen, maar er bestaat toch geen twijfel over wie van de twee de betere atleet is?’
Clement: “Als ik het puur bekijk, dan is Pogacar de beste wielrenner aller tijden. Je kunt hem met Eddy Merckx blijven vergelijken, maar dat heeft eigenlijk geen zin. Het is nu een heel andere tijd. Je kunt Max Verstappen toch ook niet vergelijken met coureurs uit de jaren zestig en zeventig? Ja, Merckx heeft meer wedstrijden gewonnen, maar er bestaat toch geen twijfel over wie van de twee de betere atleet is?”
Onvermoeibaar
Tegenover Procycling doet Tim Wellens een boekje open over zijn teamgenoot bij UAE Team Emirates. “Ik heb vaak genoeg met hem getraind om te begrijpen waarom ik knecht ben en hij kopman is. Wat me het meest is bijgebleven, was in 2024, één dag voordat we naar de Tourstart in Florence afreisden. Ik was na een laatste training al op weg naar huis toen we elkaar tegenkwamen. Bij de Col de la Madone zei Tadej: ‘Zal ik mijn benen nog eens testen?’ Daarop zei ik: ‘Je moet doen wat je niet laten kunt.’ De volgende dag vlogen we naar Italië en ik vroeg Tadej hoe de test was gegaan. Wat bleek? Hij had alle records op de Madone verbroken. Ik wist meteen dat hij heel goed ging zijn in de Tour.”
“Ga ik mezelf testen op training, dan moet ik me er mentaal op voorbereiden dat ik heel hard ga afzien”, licht Wellens toe. “Dat is het verschil met de grote kampioenen: ze kunnen waar en wanneer ze maar willen die prestaties leveren. Maar ook al lijkt het soms misschien niet zo wanneer je hem ziet winnen: Tadej werkt er heel hard voor. Aan het einde van het jaar heeft hij het meest op zijn fiets gezeten en heeft hij ook het hardst gefietst.”