Pieter van den Hoogenband kreeg afgelopen week precies 26 jaar geleden een heel land stil. Hij waagde het om troetelkind Ian Thorpe voor eigen publiek, op de Spelen in Sydney, te verslaan op ‘zijn’ onderdeel: de 200 meter vrije slag.
In de halve finale had The Dutch Dolphin het wereldrecord van Thorpe verbeterd. In de finale zou Thorpedo wraak nemen, was de tendens. Niets van dat alles. Van den Hoogenband evenaarde zijn wereldrecord en klopte de grote favoriet. Een paar dagen later zwom hij in de halve finale ook het wereldrecord op de 100 meter vrije slag, dook met zijn 47,84 als eerste onder de 48 seconden en pakte een dag later ook zijn tweede olympische titel.
Medailles
In de achtertuin van zijn huis in Waalre, dat op dat moment flink werd gerenoveerd, blikte hij vijftien jaar na dato terug op de Spelen in Sydney. Doelend op de medailles zei hij tijdens het gesprek: “Zal ik die jongens er even bijhalen?” Zonder het antwoord af te wachten, rende hij naar binnen. Er klonk gestommel. Na een paar minuten stak hij zijn hoofd naar buiten. “Waar heb ik ze ook alweer gelegd?” Alsof ik dat moest weten. Ineens had hij een eurekamoment: “O ja!” En weg was hij weer.
Even later kwam hij met een leren tasje de tuin in. Zeven medailles toverde hij eruit om ze bijna achteloos op tafel te gooien. “Ze lagen in de kast en daar komen ze niet vaak uit. Alleen soms voor een spreekbeurt van de kinderen.”
Voor hem twee gouden medailles en twee bronzen plakken die hij in 2000 won. Vier jaar later in Athene volgden nog drie olympische plakken: één van goud, twee van zilver. “Voor mij hebben medailles weinig waarde. Prijzen waren bijzaak. Het ging om het maximale uit mezelf halen, de zoektocht naar de perfecte race. Ik heb met de gedachte gespeeld om een paar van mijn olympische medailles weg te doen voor het goede doel. Als ik daar mensen mee kan helpen… Maar de kinderen zijn er erg trots op, dus heb ik ze maar gehouden.”
Over de kinderen gesproken: hij moest zijn zoon naar de sportvereniging brengen. Bijna vergeten. En daar ging hij weer. “Ik ben zo terug.” Daar zat ik met zijn zeven ‘jongens’, terwijl de ‘vader’ hem gesmeerd was.
“Waar was ik ook alweer?” zei hij toen hij terugkwam, om daarna vol enthousiasme zijn verhaal te vervolgen.
Baywatch
Pieter vertelde dat de Spelen in Atlanta, dit jaar dertig jaar geleden, eigenlijk veel bepalender waren geweest voor zijn leven dan de medailles die hij in 2000 won en waarmee hij zich internationaal op de kaart zette en die hem indirect ook een gesigneerde gitaar van Eddie Vedder, frontman van zijn favoriete band Pearl Jam, opleverden.
De Spelen van 1996 hadden hem de ogen geopend. Hij vertelde met een grote smile hoe zijn partner in crime Jacco Verhaeren in zijn leven kwam. Samen met zijn vader Cees-Rein was Pieter op zoek naar een trainer die hem – en de talentvolle zwemmers in de omgeving Eindhoven – verder kon helpen. De 23-jarige Verhaeren had net het CIOS in Sittard afgerond. “Kwam hij aan in zo’n klein rotautootje. En hij had echt een prachtige vriendin bij zich. Het was de tijd van Baywatch. Het was net of David Hasselhoff met een gruwelijk lekker wijf aan kwam lopen. Zweminhoudelijk had hij de mooiste ideeën. Uiteindelijk vroeg ik hem wat zíjn doel was. Jacco zei: ‘Ik wil de beste zwemtrainer van de wereld worden.’ Toen heb ik hem de hand geschud en gezegd: ‘Jou moet ik hebben.’” vertelde Pieter over het sollicitatiegesprek.
Pionieren
Pieter stond voor dag en dauw op om baantjes te zwemmen in de, zoals hij het noemde, klotsbak. Het schitterende zwembad in Eindhoven dat zijn naam draagt en beschikt over de nieuwste snufjes was er nog niet. Sterker, Pieter moest het water uit als gepensioneerden rond een uur of half acht hun dagelijkse baantjes gingen zwemmen. Onbeperkt gebruikmaken van het badwater was er niet bij; daar hadden ze het geld niet voor.
Het was pionieren in z’n puurste vorm. Er was een trainingsplan, maar dat was niet op enige ervaring gestoeld. Jacco en Pieter experimenteerden erop los. Het was zoeken naar de grenzen van Pieter en naar een aanpak waarop zijn lichaam goed reageerde. Een welwillende vader van een van de zwemmers trok op zaterdag een duikerspak aan om met een cameraatje filmpjes te maken vanaf de bodem. In Jacco’s appartementje analyseerden ze daarna de beelden. De natuur hielp ook een handje. Pieter beschikte over een lichaam dat uitermate geschikt was voor zwemmen; hij had dat befaamde kuiltje in zijn borstkas.
Amateur
In Atlanta had hij vooral geleerd hoe hij het níét moest aanpakken. Hij maakte naam door als achttienjarige uit het niets vierde te worden op de 100 en 200 meter vrije slag. Beide keren miste hij het brons op elf honderdste. Het waren voor Pieter de Spelen van de gemiste kansen. “Ik had in Atlanta ook al kunnen winnen, als het puur om zwemmen ging, was ik in 1996 al de snelste.”
Ze hadden zoveel beginnersfouten gemaakt. Pieter kon volgens Jacco niet eens een volledige race zwemmen en toch ging hij al zo hard. Pieter: “Het overkwam me allemaal op die Spelen. En als ik ergens een hekel aan heb, is dat aan sporters die iets ‘overkomt’. Wat een amateur was ik!”
Wijzer
Voor Jacco en Pieter kwam na Atlanta een einde aan de ‘chaotische periode’. Ze hadden zoveel informatie opgedaan, waren zoveel wijzer geworden. En ze wisten dat ze op de goede weg waren. De experimentele fase was voorbij, zo stelde Pieter. “Ik heb zo vaak mijn hoofd gestoten. Om te kunnen winnen had ik dat wel nodig. Alleen talent is niet voldoende, je moet ook een harde kop hebben.”
Zoektocht
De woorden van Pieter schoten door mijn hoofd toen ik onlangs voor de eindejaarseditie van Helden met Antoinette Rijpma-de Jong en haar man Coen sprak (vanaf 13 november in de winkel). Antoinette won begin dit jaar op haar dertigste olympisch goud door in Milaan de 1500 meter te winnen. Het was de laatste grote prijs die nog ontbrak op haar erelijst. Antoinette vertelde over de weg die ze had afgelegd. Over vallen en weer opstaan. In haar jeugd werd ze enorm gepest om haar rode haar. Dankzij de topsport hervond ze haar zelfvertrouwen. Talent had ze, maar het was een flinke zoektocht om uiteindelijk boven haar concurrenten uit te stijgen. Haar geheim (en misschien wel dat van bijna alle sportkampioenen)? “Alleen talent is niet voldoende, je moet ook een harde kop hebben.”