Het onmiskenbare kapsel van Ronaldo, de eeuwige glimlach van Ronaldinho en het sprankelende spel van Brazilië maakten het WK van 2002 onvergetelijk. Voor Ronaldo draaide het toernooi om eerherstel. Vier jaar eerder beleefde O Fenômeno nog een nachtmerrie, toen hij vlak voor de WK-finale een epileptische aanval kreeg. Daarna zorgde een zware knieblessure ervoor dat zijn carrière bijna ontspoorde. Velen twijfelden of Ronaldo, die op zijn zeventiende de Romário-route volgde door naar PSV – en vervolgens ook Barcelona – te gaan, ooit nog zijn oude niveau zou halen.
Maar in Japan en Zuid-Korea bewees hij het tegendeel. Met acht doelpunten werd hij topscorer van het WK en in de finale tegen Duitsland schoot hij Brazilië met twee goals naar een 2-0 overwinning en een vijfde wereldtitel.
Tegelijkertijd maakte de wereld definitief kennis met Ronaldinho. De jonge straatvoetballer speelde met een vrijheid en flair die zeldzaam waren op het hoogste niveau. Zijn legendarische vrije trap tegen Engeland in de kwartfinale groeide uit tot één van de meest iconische momenten van het toernooi. Was het een mislukt voorzetje of pure genialiteit? Ronaldinho liet het mysterie altijd in leven.
Samen met Rivaldo vormden Ronaldo en Ronaldinho de beroemde ‘3 R’s’. Het trio combineerde techniek, creativiteit en sambavoetbal op een manier die de wereld betoverde.