Word abonnee

Wielrennen

Wielrennen

Hennie Kuiper: ‘Ik had van die dagen…’

Vijftig jaar geleden won hij olympisch goud op de weg. Het was de [...]
Vijftig jaar geleden won hij olympisch goud op de weg. Het was de aftrap van een indrukwekkende wielerloopbaan. Hennie Kuiper pakte drie jaar later de wereldtitel, werd twee keer tweede in de Tour de France en won klassiekers als de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. We gingen bij de 73-jarige wielerheld langs in zijn eigen museum. Fietsen, ingelijste wielershirts, bidons, prijzen en krantenartikelen. Het is of de tijd heeft stilgestaan in het wielermuseumpje dat is gewijd aan een van de beste wielrenners die Nederland heeft gekend. De verzameling is uitgestald op de plek waar hij opgroeide: het ouderlijk huis in Denekamp, nabij de Duitse grens. Het museum staat naast een boerenbedrijf. Koeien en kippen zijn nooit ver weg. Hennie Kuiper woont tegenwoordig 25 kilometer verderop in Enschede, maar elke zondagmorgen fietst hij met vrienden nog door zijn geboortestreek. “Als ik op de fiets zit, komen soms ineens dingen voorbij die jarenlang verborgen hebben gezeten in de grijze massa,” lacht Hennie. 7 september 1972 Hennie komt solo over de streep in de olympische wegwedstrijd, nadat hij op 29 augustus ook al brons heeft gewonnen op de ploegentijdrit. De 23-jarige Hennie pakt het goud een dag na de uitspraak van IOC-voorzitter Avery Brundage dat ‘the Games must go on’. In de nacht van 4 op 5 september hadden acht terroristen van de Palestijnse terreurorganisatie Zwarte September elf leden van de Israëlische ploeg gegijzeld. Bij de gijzeling en een mislukte bevrijdingsactie op militair vliegveld Fürstenfeldbruck vonden alle gegijzelde Israëliërs de dood. “Heb jij het gehoord?’ werd ’s ochtends aan mij gevraagd. Ik had niets gehoord, was een heel goede slaper. Toen hoorde ik van de gijzeling. Met de andere renners liepen we niet veel later door het olympisch dorp en daar zagen we van afstand de gijzelnemers staan met hun geweren onder de arm. Ze hadden hun gezichten afgeschermd met een doek. We zeiden tegen elkaar: ‘Jongens, doorlopen naar de eetzaal.’ Wij gingen daarna trainen en toen we terugkwamen was het olympisch dorp een vesting geworden met soldaten en tanks. Wij wisten op dat moment niet wat de mensen in Nederland hoorden via de nieuwsdiensten. Pas later vernamen we dat bij de gijzelingsactie meteen al twee Israëliërs waren doodgeschoten. En het grootste drama vond daarna natuurlijk plaats op het vliegveld. Na die mislukte bevrijdingsactie werd er vergaderd. En toen kwam die uitspraak van Brundage. Die voel ik nog door heel mijn lichaam. Wij wilden op dat moment graag dat de Spelen doorgingen, hadden ernaar toegeleefd. Ik was jong, politiek stond nog zo ver van mij af. Nu op mijn 73ste, als vader en opa, sta ik heel anders in het leven. En ja, de schaduw van wat er is gebeurd, hangt wel over mijn gouden medaille.” Kon je je afsluiten voor wat er was gebeurd? “Je stopt het ergens weg. Ik weet niet hoe dat werkt... Maar het lukte me om me te focussen op de wedstrijd. Kijk, ik zag de Olympische Spelen in Mexico op tv in 1968. Daar wilde ik ook aan meedoen, dat was mijn droom. Toen ik naar München mocht, was dat was voor mij al een zege op zich. In de voorlaatste van acht ronden ben ik gedemarreerd. Alle registers open. En dan alleen aankomen. Fantastisch. Ik stak één hand in de lucht toen ik over de meet kwam. 'Dat was nogal wat, bij Peter Post vertrekken. Post en ik waren karakters die niet bij elkaar pasten' Dat deed ik drie jaar later ook toen ik wereldkampioen werd. De blijdschap zat bij mij vanbinnen. Mijn ouders hebben mij geleerd: je hoeft je niets te verbeelden, blijf maar met beide benen op de grond staan. Pas op latere leeftijd kon ik mijn vreugde beter uiten, kon ik ook beide handen opsteken bij een overwinning. Maar toen... Ik heb weleens gezegd: van buiten lijk ik een rustig kabbelend beekje, maar vanbinnen ben ik een woeste rivier of een orkaan. Wat in München ook meespeelde op die dag dat ik won, was uiteraard de aanslag. De sfeer was ook heel bedompt.” Het Nederlands Olympisch Comité liet na de uitspraak van Brundage aan de sporters de keuze of ze wilden blijven. Jij bleef. Werd je met de nek aangekeken na terugkomst in Nederland? “Onze coach zei: ‘Jullie moeten zelf beslissen. Je mag naar huis...’ Aan de manier waarop het werd gezegd, begreep ik dat ze liever hadden dat we bleven. Sommige sporters zijn wel naar huis gegaan. Toen ik in Nederland kwam... De mensen om mij heen, familie, de wielerclub, waren dolblij. Maar er waren ook reacties... Soms kreeg ik het gevoel dat ze bijna met een boog om me heen liepen. Zo van: wat moeten we daarmee? Ik had iets bijzonders gepresteerd, jammer dat dat ondersneeuwde, maar ik snapte de reacties van sommigen ook. Het was niet niks wat er was gebeurd.” Judoka Wim Ruska, die twee keer goud won in 1972, liet later weten dat hij zich een vergeten kampioen voelde. Herken jij dat? “Nee. Voor Wim Ruska was het de kroon op zijn carrière. Ik was amateur, moest nog prof worden. Bij mij begon het pas.” Wat veranderde er in jouw leven door die gouden olympische medaille? “Best weinig. Ik werd geëerd door mijn wielerclub in Oldenzaal en tijdens een bijeenkomst van de KNWU aan het einde van het jaar. Na de Spelen ging ik gewoon terug naar het metaalbedrijf waar ik werkte. Ik had mijn mts-diploma werktuigbouwkunde, bij dat bedrijf kon ik onbetaald verlof krijgen als ik moest fietsen. Natuurlijk wilde ik prof worden na de Spelen, maar dan moest ik wel de kans krijgen. Ploegleider Herman Krott ging er voor mij achteraan, in december kreeg in een profcontract. Vanaf 1 januari 1973 was ik prof.” Dus na terugkomst uit München ging je met een gouden medaille om de nek de fabriek in? Lachend: “Ja, wij stonden in die tijd niet bij de koningin op het bordes.” Je bent nog altijd de enige Nederlandse olympisch kampioen op de weg bij de mannen... “Ik heb niet heel veel wedstrijden gewonnen, maar als ik won waren het wel voltreffers. Ik kon ergens maanden naartoe leven, dat was mijn kracht.” Helden Magazine 61 Het eerste gedeelte van het verhaal van Hennie Kuiper komt voort uit Helden Magazine 61. In deze editie wordt er stil gestaan bij Johan Cruijff. Cruijff zou op 25 april 75 zijn geworden. Barbara en Frits Barend reisden naar Barcelona voor een bijzonder gesprek met Jordi Cruijff over zijn vader. In Helden Magazine 61 lees je een uitgebreid interview met Kiki Bertens en Marit Bouwmeester. De mama’s in spé behoren tot de succesvolste sportvrouwen die Nederland ooit heeft gehad en staan nu voor een nieuwe uitdaging in hun leven. Ook spraken we Justin Bijlow en zijn vriendin, zij verwachten in juni hun eerste kindje. Het gaat de keeper van Feyenoord en Oranje voor de wind. Daarnaast is Jurriën Timber onomstreden in de verdediging bij Ajax en Oranje. Een gesprek over zijn moeder, tweelingbroer Quinten, Curaçao en Louis van Gaal. Ook spraken we met Emma Oosterwegel over haar geheim, hoort Tallon Griekspoor er nu echt bij én behoort Sebastian Langeveld tot de beste Nederlandse klassiekerrenners van het peleton. Joey & Henk Veerman zijn oud-teamgenoten, vrienden en plaatsgenoten. De Volendammers gingen het gesprek aan over onder meer hun vriendschap en transfers. Bovendien een bijzonder interview met Stig Broeckx, de oud-wielrenner lag maandenlang in diepe coma en was gedoemd een kasplantje te worden, maar stond letterlijk weer op. Verder was Gijs van Lennep een succesvolle autocoureur in de jaren zestig en zeventig. Reist Youri Zoon al negentien jaar als kitesurfer de wereld over en gaat nu een nieuwe uitdaging in zijn leven aan: de triatlon. Blikten we terug met Matthijs Büchli en Laurine van Riessen op de Spelen in Tokio. Victoria Koblenko trekt een sprintje met 400 meterloper Liemarvin Bonevacia én Jill Roord staat in de ‘Leeuwinnen in het Rijks’ stil bij David Leeuw met zijn gezin. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine 61 via onze webshop. Geen inspirerende sportverhalen missen van onze Nederlandse sporthelden? Kies het abonnement dat bij jou past en word abonnee.

Wielrennen

Laurine van Riessen en Matthijs Büchli: ‘Ineens werd het donker’

Na vallen volgde geen opstaan. Waarom het in de een­na­laatste [...]
Na vallen volgde geen opstaan. Waarom het in de een­na­laatste bocht van de olympische wielerbaan van Tokio op het onderdeel keirin misging, weet Laurine van Riessen nog steeds niet. Acht gebroken botten, een ingeklapte long en een bloeding in haar hoofd bete­kenden het einde van haar droom: een tweede olympische medaille, nu op de Zomerspelen na het brons als schaatsster op de 1000 meter van de Winterspelen van 2010. Daardoor werd haar vriend Matthijs Büchli haar zorgverlener ter plekke. Nadat hij olympisch goud in de teamsprint had gewonnen, zag ook hij zijn medaillekans als regerend wereld­kampioen op de keirin sneuvelen. Thuis in Apeldoorn blikken ze terug op de Spelen van Tokio. Matthijs: “Ik had al bedacht dat ik na de Spelen de overstap van de baan naar de weg zou maken, dus dat moest ik noodgedwongen een jaar uitstellen door corona.” Laurine: “Voor mij had uitstel wel een voordeel, want het gaf me de kans me verder te verbeteren. Al was ik er in 2020 ook al klaar voor.” Matthijs: “Ons sprintteam, met ook Jeffrey Hoogland, Roy van den Berg en Harrie Lavreysen, was zo sterk dat we in het geval van corona een zekere medaille zouden mislopen. Daarom zijn we ook, één vlucht na de eerste beruchte waarin Nederlandse sporters corona hebben opgelopen, eerste klas naar Tokio gevlogen; om de gepaste afstand te kunnen bewaren.” Laurine: “Het zal je maar gebeuren wat besmette sporters is overkomen: opge­sloten worden in een Japans quarantai­nehotel, vijf jaar voor niks getraind. En we waren in de best denkbare vorm. Drie dagen voor mijn val werden Shanne Bras­pennincx en ik vierde op de teamsprint, een onderdeel waarop we niet getraind hadden, maar waaraan we deel moesten nemen om mee te mogen doen aan de individuele nummers: keirin en – mijn beste onderdeel – de sprint. Een dag later won Matthijs met Jeffrey, Roy en Har­rie goud op de teamsprint. Dus met de stemming en het zelfvertrouwen zat het goed.” Lachend: “O, het duurde even voor de prijsuitreiking begon en omdat ik Matthijs natuurlijk wel een beetje ken, wist ik waarom.” Matthijs: “Van tevoren was verteld dat alleen de drie die de finale hadden gereden het podium op mochten. Dat betekende dat ik zou moeten toekijken. Meteen nadat het goud binnen was, heb ik de officials al laten weten: ik ga gewoon op het podium staan. Dat ging natuurlijk tegen het protocol in. Dus werd er ineens enorm rondgebeld met als uiteindelijk compromis: ik mocht het podium op, na het volkslied. Volgens mij is daar ter plekke ook nog een vierde medaille gegraveerd, voor mij dus.” Laurine, lachend: “Jij kunt vrij over­ tuigend zijn, op een stoïcijnse manier.” Matthijs: “Ja. Niet boos worden, maar gewoon heel rustig kijken en zeggen: nee, ik blijf niet hier, ik ga het podium op. Japanners worden heel nerveus als het protocol geschonden wordt. Ach, ik heb er een mooi verhaal aan over­ gehouden.” • Laurine: “Vanaf dat moment werd alles anders. In keirin kun je altijd het onverwachte verwachten. Ook daarom had ik hogere verwachtingen van de sprint. Maar dat ik zou vallen en in een ziekenhuis wakker zou worden; daar had ik geen rekening mee gehouden. Ik vind het een heel leuk onderdeel, maar ben niet zo ervaren als Matthijs. Die is tactisch heel slim en glipt altijd tussen iedereen door om in de beste positie te komen. Dat verschil kan komen doordat ik laat met baanrennen ben begonnen.” Matthijs: “Hoe eerder je begint en hoe meer je oefent hoe beter het is natuurlijk. Dus als je, zoals Lau, tot je 27ste gewend bent geweest om op een schaatsbaan met één tegenstander tegen de klok te rijden, is het heel moeilijk nog aan te leren.” Laurine: “Vaak gaat het ook heel goed en soms gaat het mis. En als dat op de Spelen gebeurt, is dat extra beroerd. Die kwartfinale was een moeilijke rit, ik moest bij de beste vier zitten en in de een-na-laatste bocht zat ik in het wiel van Emma Hinze, de Duitse wereldkampioene.” Matthijs: “Naast Lau reed een Oekraïense en een Hongkongse kwam nog onderdoor. Daardoor raakte ze ingesloten.” Laurine: “Ik voelde me zo sterk dat ik dacht: dit komt goed, ik zit zo meteen bij de laatste vier en ga door naar de halve finale. Totdat ik even naar boven stuurde en het achterwiel van Hinze raakte. Ineens werd het donker, totdat ik wakker werd in het ziekenhuis. Ook van die val weet ik niks meer. Dat heb ik echt terug moeten kijken. Het zag er niet eens heel erg uit. Maar dat de Britse Katy Marchant echt boven op me viel, heeft natuurlijk ook niet geholpen.” Matthijs: “Ik zat op m’n hotelkamer te kijken en dacht eerst: shit. Natuurlijk wist ik: einde van haar medaillekans op dit onderdeel. Maar ik dacht nog niet meteen aan heel erge dingen, ook niet toen ik zag dat ze bleef liggen. Ik ging er nog van uit: die staat zo op en gaat morgen gewoon de sprint rijden.” Laurine: “Dat dacht ik in het ziekenhuis ook nog. Daar wilden ze m’n pak openknippen, maar ik riep meteen: daar moet ik nog in rijden. Al besefte ik wel dat een goeie sprint rijden met zoveel pijn een flink stuk lastiger zou worden. Onze dokter zei meteen dat het pak al aan gort lag.” Matthijs: “Die dokter heb ik meteen gebeld en hij vertelde dat ze buiten bewustzijn was geweest. Dan wordt het ineens een heel ander verhaal. Gelukkig was ze in het ziekenhuis snel bijgekomen en weer aanspreekbaar. Na dat belletje ben ik zo snel mogelijk naar het ziekenhuis gegaan.” Laurine: “Dat mocht niet van mij, twee dagen later moest hij zijn keirinwedstrijden rijden en daar moest hij zich op focussen.” Matthijs: “Vanwege corona mocht het van het ziekenhuis ook niet. Maar een paar uur na haar val was ik, met een mondkapje op, bij haar op de emergency high care unit; met onze sportarts en de teammanager. De coaches waren op de baan, want Shanne moest de keirinfinale rijden.” Laurine: “Shanne won goud, hoorde ik in het ziekenhuis. Dat was wel een troost. Ik wist hoe hard zij ervoor gewerkt had en dat ze een heel zwaar traject achter de rug had na haar hartinfarct in 2015.” Matthijs: “Ik was vooral blij omdat het redelijk goed met Lau leek te gaan; gezien de omstandigheden. Wel was duidelijk dat ze een aantal breuken had.” Laurine: “Ik zat aardig onder de pijnstillende middelen. Zeven gebroken ribben, een gebroken sleutelbeen en ik had ook nog een ingeklapte long en een bloeding in m’n hoofd.” Matthijs: “De pijn kwam in golfbewegingen. Soms had ze heel veel last, maar dan kreeg ze wat extra pijnstilling en keek ze weer heel relaxed en blij.” Laurine: ‘Ik zat aardig onder de pijnstillende middelen. Zeven gebroken ribben, een gebroken sleutelbeen en ik had ook nog een ingeklapte long en een bloeding in m’n hoofd’ • Laurine: “Pas toen ik de artsen hoorde praten over breuken wist ik dat de Spelen voorbij waren en mochten ze m’n pak openknippen. In het wielrennen zijn ook genoeg ongelukken gebeurd waarbij renners blijvende schade hebben opgelopen. Het had dus ook erger kunnen zijn. Maar dat besef kwam bij mij, en ook bij Matthijs, pas later. Daarbij had ik er niet veel aan kunnen doen. Geen medaille winnen omdat je iets verkeerds of stoms gedaan hebt, is veel vervelender. Maar dit was vette pech en ik besefte ook: ik kan hier heel lang over gaan nadenken, maar daar ga ik niets mee veranderen.” Matthijs: “Zo moet je ook denken. Vier, vijf jaar lang ben je alleen maar bezig met je sport en je eigen prestaties. Als dan zoiets gebeurt en je gaat niet relativeren, ga je kapot.” Laurine: “Toch drong nog steeds niet echt door dat het sprinttoernooi de volgende dag zonder mij zou beginnen, al zal dat ook gekomen zijn door de pijnstillers die me suf hielden. Maar ik was er zo lang mee bezig geweest, op de fiets en in m’n hoofd. Omdat Matthijs zich op z’n eigen programma moest concentreren en niet met mij bezig kon zijn, had ik meteen al gezegd: blijf daar, blijf weg. Al was ik wel blij dat hij toch was gekomen. Mijn familie was in Nederland, en hij kon meteen zien dat ik redelijk oké was. Maar ik heb ’m daarna wel verteld dat ik hem de volgende twee dagen niet wilde zien.” Matthijs: “Omdat me duidelijk was geworden dat ze geen blijvende schade had opgelopen, was ’t makkelijker om weg te blijven en de knop om te zetten. Haar situatie heeft ook geen invloed op mijn rijden gehad.” • Laurine: “Zijn wedstrijden heb ik op de laptop in het ziekenhuis gekeken toen ik nog onder de zware pijnstillers zat. Bang dat hij ook zou vallen was ik niet. En ik zag dat hij na de eerste serie door was, maar even later bleek dat toch niet zo te zijn. Tussendoor zat ik ook met m’n familie te appen. Daarna zag ik zijn herkansing en was hij alsnog door: mooi. Daarna ben ik even weggezakt en toen ik weer keek, bleek dat hij toch weer niet door was en moest overrijden. Dus tweemaal heb ik gedacht: hij is door en tweemaal bleek dat toch niet zo te zijn. Dat was voor mij in een ziekenhuiskamer en onder zware medicatie moeilijk te begrijpen.” Matthijs: “Volgens een heel streng en slecht jurylid had ik iemand afgesneden. Normaal word je voor zoiets nooit teruggezet, maar nu waren er extra camera’s waarop volgens dat jurylid te zien was dat ik fout had gezeten. Met twee vollebakritten in de benen was ik al helemaal naar de kloten, ik had ook geen hersteltijd en was daardoor bij voorbaat eigenlijk al kansloos toen ik moest overrijden. Dat ik toch nog derde werd, was een bewijs van mijn topvorm. Maar ik had bij de eerste twee moeten zitten. Bij de jury ben ik blijven proberen ze op andere gedachten te brengen, maar nee...” Laurine: “Ook dat bedoelde ik dus met: in keirin kan altijd van alles gebeuren.” Matthijs: “Balen, einde toernooi waar ik zo naar toe had geleefd. Boos was ik niet eens. Misschien was ik daar wel te moe voor. Drie ritten vlak achter elkaar rijden is zo zwaar. M’n benen deden zo’n pijn. Lopen kon ik niet. Ik heb een half uur op de grond gelegen en daarna wilde ik alleen maar koud water over me heen. Daarom ben ik onder een koude douche gaan staan en heb tussendoor bij de wc van pure vermoeidheid nog overgegeven.” Laurine: “Dat Matthijs eruit lag, had ik wel door. Maar ik had dus geen idee hoe dat gegaan was. Ook zijn medaille was weg en voor hem was goud heel reëel geweest. Ik wist hoe hard hij ervoor gewerkt had. Al kwam alles door die zware medicatie wel iets minder hard binnen. En omdat hij klaar was met fietsen, kon hij elke dag langskomen. Dat was wel gezellig, want ik lag alleen op een kamer. Al was ik nog niet veel waard. Ik heb veel geslapen, geappt met de mensen in Nederland en ik werd vaak gebeld. Verder mocht en kon ik heel weinig. Op een gegeven moment wilde ik wel wat door dat ziekenhuis gaan struinen, maar dat mocht niet: alleen in bed liggen en naar de wc moest ik met de rolstoel. Maar met m’n benen was niks mis. Verder deed alles pijn.” Matthijs: “Hoesten, niezen, ademen, lachen, omdraaien, bewegen... Dat ze dan pijn had, was goed te zien. Elke dag was ik bij haar, van één tot zes uur. Mijn feeststemming vanwege het goud met de teamsprint was al weg door Lau’s val en mijn keirinpech. Dat ik langer mocht blijven om haar daar niet alleen te laten liggen, had het NOC*NSF goed geregeld. Ze waren goed verzekerd, want twee weken extra was best een dure grap.” Laurine: “Ik was heel blij dat hij er was. Af en toe nam hij pasta of pizza mee. In die eerste week was ik ook jarig.” Matthijs: “En dat hebben we gevierd. Haar verjaardag vindt Lau belangrijk. Ik had er ook de tijd voor, ben naar een feestwinkel gegaan en heb slingers en taart gehaald. Was leuk.” • Matthijs: ‘Mijn feeststemming vanwege het goud met de teamsprint was al weg door Lau’s val en mijn keirinpech’ Laurine: “De tweede week heb ik op de hometrainer gezeten: twintig minuutjes per dag. Ik werd voor gek verklaard, maar het stelde niets voor. Wel lekker om even van de kamer af en in beweging te zijn. Het voelde ook als eerste stap naar ‘weer normaal zijn’. In oktober was het WK en ik wilde weer zo snel mogelijk op niveau zijn. Toen ik minder zware pijnmedicatie kreeg en weer normaal kon denken, ben ik aan de gang gegaan met bedankjes voor de ploeg en alle mensen die me zo gesteund hadden. Omdat we vaak in Japan waren geweest, kennen we best veel Japanners en die hebben ons goed geholpen, met van alles. Matthijs heb ik op pad gestuurd voor cadeautjes.” Matthijs: “Ze is kaartjes gaan schrijven; voor anderen terwijl ze zelf in het ziekenhuis lag.” Laurine, lachend: “Ach, het houd je een beetje bezig. In het begin had ik er geen puf voor, had ik pijn en wilde ik alleen maar slapen. Ik had zelfs geen zin om naar huis te gaan.” Matthijs: “Maar na twee weken wilden we wel naar huis en hebben we het voor elkaar gekregen dat we iets vroeger...” Laurine: “Ja, dat heb jij wel goed gepusht.” Matthijs: “In het ziekenhuis stelden ze maandag voor. Wij zeiden: ‘Nee, wij willen wel graag deze zaterdag. Dus gaan we zaterdag en niet maandag.’ Er was ook veel contact met Nederlandse artsen en omdat die het goed vonden, was het verantwoord.” Laurine: “Dat was alweer een voordeel dat Matthijs er was. Die kon veel regelen en bellen met Nederland.” Lachend: “En had ik al gezegd dat hij overtuigend kan zijn?” Matthijs: “Ik had contact met NOC*NSF, met Eurocross dat alles medisch regelde, met artsen, het ziekenhuis en onze eigen sportarts. Vrijdagavond kregen we groen licht, zaterdag waren we weg.” Laurine: “De reis in die vliegtuigstoel - weer eerste klas - ging goed. Liggen was de eerste zes weken te pijnlijk, net als zitten; half rechtop zitten gaf de minste last. Een ziekenhuisbed is natuurlijk goed in te stellen en dat geldt ook voor zo’n vliegtuigstoel, dus met een flinke pijnstilling ging dat best wel. Het was leuk om op Schiphol onze families weer te zien. Maar daarna werd het lastig, veel lastiger dan in het ziekenhuis. Op plekken komen waarvandaan je vertrokken bent om een olympische medaille te halen en waar je hele voorbereiding ligt, was heel confronterend. Daar kwam bij dat ik weer ging trainen wat behoorlijk pijn deed.” Matthijs: “We zijn gaan googelen hoelang er stond voor herstel van zeven gebroken ribben: na zes maanden kun je redelijk normaal zitten. Nou, na zes weken trainde Lau weer op de baan en tweeënhalve maand later, in oktober, reed ze het WK; wel met veel pijn.” Laurine: “Dat ik me voor dat WK kwalificeerde, gaf houvast en was al een overwinning. Sinds februari 2020 had ik vanwege corona geen wedstrijden gereden, op dat korte optreden op de Spelen na. In Tokio ging ik voor een medaille, op het WK was dat echt niet reëel. Maar ik was er. Nu focus ik me op het komende WK in Parijs. Aan de Spelen van 2024 denk ik nog niet. Ik word dan 37 en denk dat Tokio mijn laatste kans was een medaille te halen op de Winter- én de Zomerspelen. Al zeg ik nooit: nooit. En Matthijs is nu wegrenner. Laat hij die olympische medaille maar winnen in een mooie eindsprint.” Helden Magazine 61 Het verhaal van Matthijs Büchli en Laurine van Riessen komt voort uit Helden Magazine 61. In deze editie wordt er stil gestaan bij Johan Cruijff. Cruijff zou op 25 april 75 zijn geworden. Barbara en Frits Barend reisden naar Barcelona voor een bijzonder gesprek met Jordi Cruijff over zijn vader. In Helden Magazine 61 lees je een uitgebreid interview met Kiki Bertens en Marit Bouwmeester. De mama’s in spé behoren tot de succesvolste sportvrouwen die Nederland ooit heeft gehad en staan nu voor een nieuwe uitdaging in hun leven. Ook spraken we Justin Bijlow en zijn vriendin, zij verwachten in juni hun eerste kindje. Het gaat de keeper van Feyenoord en Oranje voor de wind. Daarnaast is Jurriën Timber onomstreden in de verdediging bij Ajax en Oranje. Een gesprek over zijn moeder, tweelingbroer Quinten, Curaçao en Louis van Gaal. Ook spraken we met Emma Oosterwegel over haar geheim, hoort Tallon Griekspoor er nu echt bij én behoort Sebastian Langeveld tot de beste Nederlandse klassiekerrenners van het peleton. Joey & Henk Veerman zijn oud-teamgenoten, vrienden en plaatsgenoten. De Volendammers gingen het gesprek aan over onder meer hun vriendschap en transfers. Bovendien een bijzonder interview met Stig Broeckx, de oud-wielrenner lag maandenlang in diepe coma en was gedoemd een kasplantje te worden, maar stond letterlijk weer op. Verder was Gijs van Lennep een succesvolle autocoureur in de jaren zestig en zeventig. Reist Youri Zoon al negentien jaar als kitesurfer de wereld over en gaat nu een nieuwe uitdaging in zijn leven aan: de triatlon. Blikten we terug met Hennie Kuiper op zijn imposante wielercarrière. Victoria Koblenko trekt een sprintje met 400 meterloper Liemarvin Bonevacia én Jill Roord staat in de ‘Leeuwinnen in het Rijks’ stil bij David Leeuw met zijn gezin. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine 61 via onze webshop. Geen inspirerende sportverhalen missen van onze Nederlandse sporthelden? Kies het abonnement dat bij jou past en word abonnee.

Wielrennen

Tom Dumoulin: De regie terug in eigen hand

Tom Dumoulin verbaasde met olympisch zilver op de [...]
Tom Dumoulin verbaasde met olympisch zilver op de tijdrit in Tokio. Maar de belangrijkste overwinning in 2021 boekte de renner van Jumbo-Visma op zichzelf. Juist door alle successen in de afgelopen jaren was hij de regie over zijn eigen leven en loopbaan grotendeels kwijtgeraakt. Tom nam een break. Na drie maanden rust besefte hij weer wat hem richting zijn Giro-zege in 2017 zo goed en gelukkig maakte. Zijn rechterarm zit nog in een brace verpakt, nadat hij tijdens een trainingstocht in de Ardennen door een auto werd geschept en zijn pols brak. Er kon meteen een streep door de WK. “Ik kan dit vrij makkelijk relativeren,” stelt Tom Dumoulin, “voor de ‘oude’ Tom zou de wereld zijn vergaan, maar dat gevoel heb ik nu niet gekend. Natuurlijk baalde ik enorm. Maar als je goed in je vel zit, kun je dit soort tegen­ slagen veel makkelijker naast je neerleggen. Ik blijf niet meer te lang in zo’n teleurstelling hangen. Uit 2021 haal ik voldoende vertrouwen om heel optimistisch naar het nieuwe wielerseizoen uit te kijken. Ik heb er nu al zin in.” De ‘oude’ en de ‘nieuwe’ Tom, het klinkt zo wollig. Kan er een 2.0­versie van iemand bestaan? Of heeft iemand gewoon zoveel over zichzelf geleerd dat hij heel goed weet wat goed en slecht voor hem is? “Ik heb in 2021 sowieso heel veel over mezelf geleerd. Ik ben dit jaar veel gelukkiger geweest dan in de voorgaande drie jaren. Het jaar begon heel zuur. Ik liep vorige winter echt op mijn laatste benen. Eigenlijk heel vorig jaar al, maar dat gevoel heb ik continu voor me uit weten te schuiven. Een mens kan veel wanneer hij per se moet en wil. De klap kwam in de winter. Ik kwam niet meer vooruit. Mijn seizoen eindigde met een opgave in de Vuelta, ik was volledig leeg. Na het seizoen heb ik vier weken de fiets niet aangeraakt. Ik hoopte door die rustperiode met een schone lei aan 2021 te kunnen beginnen. In mijn eerste trainingsweek merkte ik al dat ik me nog niet goed voelde. Ik was nog steeds niet fit, begon vermoeid aan de voorbereiding op het nieuwe jaar. Ik bleef toch doorfietsen in de hoop dat het vanzelf beter zou worden. Maar het werd alleen maar slechter. In januari hield ik het niet eens vol om twee uur lang te fietsen. Ik voelde me de rest van de dag na zo’n tocht ziek en ellendig, lag dan uren uitgeteld op de bank. Mijn lichaam heeft op dat moment aan de rem getrokken. Wanneer je je zo zwak voelt, raak je het totale plezier in het fietsen kwijt. Ik begon er zelfs een hekel aan te krijgen, kon niet anders dan in januari de knoop doorhakken en stoppen. Op die manier kon ik niet doorgaan.” Zware rugzak Waren het mentale of fysieke problemen die tot deze burn-out leidden? “Het zal een combinatie geweest zijn. Ik denk dat de problematiek op het mentale vlak is begonnen. Ik liep vast, omdat ik met sommige dingen moeilijk kon omgaan en dat niet goed voor mezelf heb opgelost. Iets dat bij mij misschien al sinds 2017 speelde. Hoe wil ik in het leven staan? Hoe wil ik het vak uitoefenen? Dat soort vragen stelde ik me al sinds de eindzege van de Giro d’Italia in 2017. Als je dat niet oplost of je blijft, zoals ik, alleen maar doorgaan, dan trekt je lichaam op een zeker punt fysiek aan de rem.” De beslissing om een break te nemen zal niet makkelijk zijn geweest “Dat was heel moeilijk. Ik nam het besluit op het trainings­kamp met de ploeg in Alicante. Meteen nadat ik de woorden had uitgesproken naar de teamleiding viel er een zware rug­ zak, zo’n last, van mijn schouders. Echt ongelooflijk. Ik voelde direct dat er rust in mijn leven kwam.” Maakten die verwachtingen juist die rugzak zo zwaar? “Ja, inderdaad. Ik moest even helemaal niks meer. Het was heel lang geleden dat ik dat gevoel had gekend. Ik wist niet wat ik over twee weken of over drie maanden zou doen, dat voelde heel fijn. Het deed me ook goed dat ik door iedereen meteen met rust werd gelaten. Iedereen leek de situatie waarin ik zat te begrijpen en te respecteren.” Hoe blij ben je nu dat je toen die rigoureuze stap hebt gezet? “Heel erg blij. Het was zeker een kwestie van durven. Maar als ik dat besluit toen niet had genomen, hadden we hier nu waarschijnlijk niet gezeten. Dan was ik vrijwel zeker gestopt met wielrennen.” Op een andere manier had je de liefde voor het wielrennen niet meer kunnen terugvinden? “Nee, zeker niet. Dan had ik misschien nog voortgekabbeld. Misschien dit jaar nog, misschien volgend jaar nog. Maar dan was het echt klaar geweest. Dan had ik mijn carrière waarschijn­ lijk met een vervelend gevoel moeten afsluiten. De vrijheid die ik nu voel dankzij die break is enorm belangrijk. Daardoor heb ik het plezier in de sport weer helemaal teruggevonden. Het heeft even geduurd, maar ik ben nu helemaal opgeknapt.” ‘Bijna niemand stond er meer bij stil wat en hoe ík het eigenlijk wilde. Er werden bijna continu keuzes voor mij gemaakt’ Was je overtraind? “Ik ben een fitte, jonge gast die gewend is om probleemloos vijf of zes uur op de fiets te zitten. Als je ineens geen twee uur meer kunt fietsen zonder helemaal uitgeput te zijn, dan mag je dat wel overtraind noemen. Natuurlijk hebben we in die periode mijn bloedwaardes laten checken en die waren op dat moment ook superslecht. Dat toonde eigenlijk standaard het overtrainingssyndroom aan.” De wetenschap drukt tegenwoordig zo’n belangrijk stempel op de wielersport. Waarom heeft de begeleiding dit niet eerder zien aankomen? “Je kunt niet alleen aan bloedwaardes zien of iemand over­traind is. Meestal zijn er al fysieke klachten en worden die later bevestigd met een bloedbeeld. Het is niet zo dat men vooraf aan de hand van een bloedbeeld kan concluderen dat iemand over reached of overtraind dreigt te raken. Zo werkt het niet. Het is iets dat erin sluipt. Wetenschappelijk kun je met overtraining ook niet aangeven of een maand rust voldoende is of dat je nog langer afstand van de sport moet nemen. Ik denk dat het nodig was dat ik mijn rock bottom bereikte, waardoor ik wist dat het noodzakelijk was om afstand van het wielrennen te nemen. Ik wist in januari voor honderd procent zeker dat ik het niet meer zou trek­ ken. Het allerbelangrijkste is geweest dat ik zelf de beslis­sing heb genomen. Als een trainer tegen mij had gezegd: ‘Tom je moet nu gaan rusten’, dan had het mentaal waarschijnlijk niet hetzelfde effect gehad. Dan had ik mezelf niet de vragen gesteld waarmee ik mezelf nu wel heb geconfronteerd. Daardoor heb ik nu het gevoel dat ik een aantal zaken in mijn hoofd heb opgelost, waardoor ik een stuk belastbaarder ben.” Welke vragen stelde jezelf dan? “Waarom vind ik de wielersport nog leuk? Wat vind ik niet leuk? Hoe kan het dat ik met dit ongelukkige gevoel rondloop sinds 2017? Is het omdat ik herkend word in de stad? Is mijn bekendheid de druppel die de emmer doet overlopen? Zijn het de media? Is het te veel trainen? Is het te veel van huis zijn? Wat vind ik wel en niet leuk aan het fietsen?” Is het belangrijkste dat je de regie over je eigen leven weer terug moest krijgen? “Ja, ik had die periode nodig om erachter te komen dat dat mij dwars zat. Die paar mensen die met me in de stad op de foto willen, af en toe een interview geven of sponsorverplichtingen, daar heb ik geen problemen mee. Ik ben in zak en as geraakt, omdat ik sinds 2017 het gevoel had dat ik werd geleefd. Alle mensen om me heen wilden het maximale uit mij halen. Dat was niet verkeerd, want dat wilde ik ook. Alleen wilden ze dat doel bereiken door een hele omgeving rond mij te creëren met op alle gebieden topexperts die bepaalden wat het beste voor mij was. Iedereen wilde met de beste wil van de wereld een bijdrage leveren om mij beter te maken. Bijna niemand stond er nog bij stil wat en hoe ík het eigenlijk wilde. Er wer­den bijna continu keuzes voor mij gemaakt, waardoor ik zelf niet meer kon aangeven welke richting ik het beste achtte. Dat voelde geregeld heel beklemmend.” ‘Bondscoach Koos Moerenhout gaf me juist dat laatste zetje dat ik toen nodig had. Iemand die zei: ‘Tom ik geloof in jou’’ Kun je daar een voorbeeld van geven? “Vorige winter zijn we naar de windtunnel geweest. Ik wilde op dat moment eigenlijk het liefst zelf die nieuwe tijdritfiets ontdek­ken. Zelf aanvoelen hoe die fiets het best kon worden afgesteld. Als ik dat ont­dekt had en nog vragen had, dan wilde ik naar de windtunnel om te kijken hoe we de door mij ontdekte beste houding verder konden optimaliseren. Nu werd mijn houding met de beste bedoe­lingen en met de beste experts helemaal in de windtunnel bepaald. Dat was niet de weg die ik wilde bewandelen. Ik ben een persoon die zelf zaken wil ondervinden. Het was voor mij belangrijk om in te zien dat ik richting de toekomst weer zelf meer de regie moest pakken. Zo heb ik dat eigenlijk tot aan mijn eindzege in de Giro altijd gedaan. De leiding van Jumbo­Visma begrijpt gelukkig heel goed wat ik bedoel en ik ben ook dankbaar voor de vrijheid die zij me hebben gegeven. Het werkt nu voor mij heel bevrijdend om weer meer eigen keuzes te maken.” Bevoorrecht Hoe belangrijk was je bezoek als ‘supporter’ aan de Amstel Gold Race in de periode dat je een pauze had ingelast? “Eigenlijk veel belangrijker dan ik had verwacht. Ik ging weer eens als een buitenstaander naar een koers. Ik voelde me die dag opnieuw die kleine jongen die in zijn woonplaats Maastricht naar de Amstel Gold Race ging kijken. Dat vond ik altijd heel speciaal en onbewust heeft dat vroeger een zaadje bij mij geplant. Dat zaadje werd nu opnieuw geplant. Ik vond het gaaf om bij een wielerwedstrijd te zijn, om al die ploeg­ bussen en renners te zien. Ik stond met het enthousiasme van een jongetje achter de dranghekken te kijken van: o, daar is Alaphilippe en daar komt Valverde. Stom hè?” Heb je daardoor ook ervaren hoe mensen nu naar jou kijken? “Het werd me die dag weer duidelijk hoe blij men­ sen kunnen worden dat ik op dit hoge niveau fiets. Ineens voelde ik me tijdens die Amstel Gold Race heel bevoorrecht. Van: wow, het bestaan van profwielrenner op dit niveau is toch wel gaaf. Wij leven vaak in een cocon, maar dit aspect van de topsport mag je niet vergeten. Die dag ervaarde ik weer hoe gaaf het is om in zo’n grote en mooie sport een van de belangrijke mannen te zijn.” Bondscoach Koos Moerenhout heeft in die moeilijke periode onvoorwaardelijk achter je gestaan. Hij hield het olympische ticket voor de tijdrit in al die maanden vrij voor jou. Hoe belangrijk is dat geweest? “Heel bijzonder hoe hij volledig achter mij is blijven staan en alle vertrouwen in mij bleef houden. Hij gaf al in een eerste gesprek aan dat ik alle tijd moest nemen. Koos vond dat ik allang en breed bewezen had dat ik de enige Nederlandse renner was die een medaillekandidaat in Tokio kon zijn. Hij wist dat het vanuit de situatie waarin ik zat heel lastig zou worden om voor de medailles te gaan, maar sprak openlijk uit dat hij in mij geloofde. Toen ik eind april bij hem aanklopte dat ik de uitdaging wilde aangaan, was er bij hem geen twijfel om mij te selecteren. Dat was zeker speciaal, want ik kwam fysiek van heel ver en had bijna twee maanden niet gefietst.” Waren dat de emoties die je na de tijdrit toonde bij de omhelzing met Moerenhout? “Ja, dat kwam eruit. Eigenlijk sta je als bondscoach altijd een beetje aan de zijlijn. Koos coacht en traint me immers niet. We hielden van afstand wel altijd een beetje contact, maar dat was zeker niet op een dagelijkse basis. En toch hadden we allebei in Tokio het gevoel dat we het samen aan het doen waren.” Heeft Moerenhout een groot aandeel in het feit dat jij nog wielrenner bent? “Ik denk het wel. Koos gaf me juist dat laatste zetje dat ik toen nodig had. Iemand die zei: ‘Tom ik geloof in jou.’ Hij heeft altijd aangegeven dat hij met mij in de kans geloofde om een medaille te pakken. Hij nam het risico om mij te selecteren, want ergens wisten we dat de voorbereiding verre van perfect was en dat de tijd heel kort was om een top­ prestatie neer te zetten.” Had je het gevoel dat er veel druk op je stond in Tokio? “Dat viel wel mee. Ik had er ook vrede mee gehad wanneer het minder goed had uitge­pakt. Ik heb met veel te weinig trainingsuren iets gedaan wat eigenlijk niet kan. Juist daardoor geeft die zilveren medaille me nu heel veel vertrouwen. Dat maakt toch wel duidelijk dat in mijn aan­ pak iets zit dat in elk geval voor míj goed werkt. Het belang­rijkste op dat moment was dat ik het proces naar Tokio heel leuk vond. Ik vond de liefde terug voor het werken naar grote doelen, het maximale uit mezelf halen. Ik had weer zelf de regie en dat gaf veel plezier en voldoening. Het was een fijne periode.” Hoe anders was die voorbereiding dan de normale weg die je de laatste jaren naar grote doelen volgde? “Heel anders. Ik had nu de volledige regie, normaal gespro­ken werd ik grotendeels door mijn ploegen gestuurd. Ik ben van het ene extreme naar het andere gegaan. Al besef ik nu ook dat er wat mij betreft richting de toekomst ook een middenweg mag zijn. In het proces naar Tokio heb ik geleerd dat mijn aanpak ook succesvol is, dat die aanpak wel past bij de persoon die ik ben. Ik denk zelf graag na over zaken en ik vind het ook heel leuk om uit te puzzelen welke training op dat moment het meest geschikt voor mij is. Zo heb ik twee keer zelf mijn hoogtestages naar Livigno gepland, want ik heb daar ook een bepaald idee over wat bij mij het beste werkt.” Welke trainingsmethode werkt bij jou dan het beste? “Ik ben iemand die in de trainingen ook mijn gevoel volgt. Sommigen houden zich tot op de minuut en de kilometer aan een schema. Ik probeer ook naar mijn lichaam te luisteren. Richting Tokio was daar ruimte voor. Het kwam weleens voor dat ik een ochtend besloot om het anders aan te pakken en bijvoorbeeld niet met de race­ fiets te trainen, maar met de mountainbike. Ook heb ik bewust gekozen om twee en niet drie weken op hoogte­ stage te blijven. Mijn ervaring leert dat ik het in de derde week steeds vervelender be­ gin te vinden, waardoor ik dan met een slecht gevoel huiswaarts keer. Het maken van mijn eigen keuzes werkt bij mij extra motiverend. Anderen zitten anders in elkaar en willen het liefst een vast schema van begin mei tot aan de Tour heel nauwgezet volgen.” In Livigno kwam je Annemiek van Vleuten tegen. Zij is op haar manier ook heel succesvol en veroverde de olympische titel op de tijdrit bij de vrouwen. “Zij heeft inderdaad haar eigen dingetjes en maniertjes. Annemiek is daar behoorlijk extreem in. Al heeft ze daar een modus in gevonden die voor haar heel gewoon en natuurlijk aanvoelt. Wij kijken er soms van de buitenkant raar van op wanneer we haar trainingscijfers zien. Een training van acht uur in de Alpen, dan denk je meteen dat ze maniakaal bezig is. Zij beleeft dit heel anders. Zij stapt op de fiets met het gevoel dat ze zes of zeven uur heerlijk gaat fietsen door de mooiste omgeving van Europa. Daar geniet ze van. Wij zien dan die ritten op Strava verschijnen en oordelen daar dan heel anders over. Dat laat mij ook weer inzien dat je goed kunt presteren wanneer je een modus hebt gevonden die voor jou werkt. Trouwens, ik vind Primoz Roglic ook extreem. Zodra het licht wordt gaat hij joggen, vervolgens doet hij zijn rek­ en strek­ oefeningen. Eerst traint hij soms nog op de tijdritfiets om na het ontbijt de training met de rest van de ploeg op te pak­ ken. Primoz doet ook veel meer dan een ander. Hij heeft er een ritme in gevonden waar hij zich heel goed bij voelt, zodat het voor hem normaal is. Voor hem voelt dat niet als een opoffering.” Godswonder Gaat de ploeg je in de toekomst nu ook meer vrijheid geven in je trainingsaanpak? “Jumbo­Visma staat daar zeker voor open. Zij willen me een bepaalde ruimte geven. Ze hebben in Tokio gezien dat mijn route ook succesvol kan zijn. Het is best bijzonder dat ze mij die vrijheid naar de Spelen hebben gegeven. Daar spreekt vertrouwen uit. Ik ben dan ook blij voor hen dat ik het heb kunnen waarmaken. Het is niet zo dat ik een einzelgänger ben. Absoluut niet. Ik ben onderdeel van een ploeg en vind het juist heel fijn om zaken met de ploeg aan te pakken. Juist uit die samenwerking haal ik heel veel positieve energie. Daar wil ik me zeker niet aan onttrekken. Ik wil zeker een team player zijn.” Toch is het gek dat iemand die drie keer op het podium van een grote ronde heeft gestaan, het gevoel heeft dat hij zijn omgeving nog moet laten zien dat zijn aanpak best goed is. “Het is eigenlijk heel cru dat die ruimte er tot aan die Giro­zege in 2017 wél was. Hoe beter ik ging presteren, des te minder ruimte er voor mijn eigen inbreng was. Er kwamen steeds meer experts bij en iedereen was vooral bezig om vanuit zijn visie mij beter te maken.” Was je met je eigen aanpak verder gekomen? “Dat durf ik niet te zeggen. Ik weet wel dat ik dan niet zo’n noodgedwongen break in mijn loopbaan had moeten inlassen.” Hoeveel vertrouwen in de toekomst heeft die zilveren medaille je gegeven? “Dat resultaat heeft me vleugels gegeven. Dit was zeker een overwinning op mezelf. En om mezelf een beetje op de borst te kloppen: er zijn niet veel wielrenners die dit gepresteerd had­ den op deze wijze en in zo’n korte tijd. Het was voor mij een bevestiging dat ik nog altijd een van de betere renners van de wereld ben.” Was je dat vertrouwen in jezelf dan kwijt? “Ja, dat was ik helemaal kwijt. Tokio was het eerste moment sinds het WK in 2018 in Innsbruck dat ik weer eens liet zien dat ik een bijzondere wielrenner ben. Als je dan bijna drie jaar niet meer zo’n prestatie neerzet, nemen de twijfels toch een beetje de overhand.” Maar je raakte in 2019 in de Giro geblesseerd aan je knie, reed een jaar geen wedstrijden... In 2020 keerde je terug in het peloton, had je Team Sunweb verruild voor Jumbo- Visma. “In 2020 werd ik dan wel zevende in de Tour de France, maar had ik voor mijn gevoel een heel slecht jaar. Ik zat zo belabberd in mijn vel dat ik niet trots kon zijn op m’n pres­taties. Ik kon niet relativeren dat ik op sommige dagen bij de beste renners uit het peloton hoorde, die realiteitszin was helemaal weg. Mentaal en fysiek liep ik de hele tijd op mijn achterste poten. Ik was me daarvan bewust en droeg dat in alle wedstrijden met mij mee. Dat ik toen nog in de Tour in de top tien eindigde mag een godswonder heten.” Na de Spelen kon je in de Benelux Tour weer met de besten in een wegwedstrijd wedijveren. “In de Ardennen­rit in de Benelux Tour zag ik voor het eerst weer een sprankje van de oude Tom terug. Een dag later voelde ik me rond de Muur van Geraardsbergen helemaal niet goed. In de finale probeerde ik de klim van Denderoord volle bak op te rijden. Ik had nog een goede één minuut­waarde, waar­ mee ik mezelf verbaasde. Dat ik met een minder goed gevoel nog bij bijna iedereen kon wegrijden en als derde eindigde, gaf me vertrouwen dat ik een heel sterke laatste maand zou rijden. Uiteindelijk is dat door die polsbreuk anders gelopen, maar bij die val is mijn vertrouwen richting 2022 niet gebroken.” Denk je in de toekomst weer aan een klassement in de grote rondes? “Ik ben wielrenner geworden om het maximale uit mezelf te halen. Het proberen om resultaten te halen, vind ik nog altijd het mooiste wat er is. Ik word er niet gelukkig van wanneer ik alleen maar voor anderen op kop moet gaan rijden. Dan kan ik ook op 95 procent van mijn kunnen een grote waarde voor de ploeg zijn. Alleen al het gevoel dat je op 95 procent goed kunt presteren... Dat past niet bij mijn ambitieniveau. Ik wil voor die honderd procent gaan. Ik wil zelf nog korte uitslagen rijden en natuurlijk het liefst winnen. In welke koersen zien we deze winter wel. Maar grote rondes sluit ik zeker niet uit. Dat blijf ik heel uitdagend vinden en ik weet dat ik daar heel goed in kan zijn.” Helden Magazine 59 Het verhaal van Tom Dumoulin komt voort uit Helden Magazine 59. Sifan Hassan is onze Held van het Jaar en siert de cover van het dubbeldik eindejaarsnummer. Ze kwam, zag en overwon. Hassan deed wat niemand voor haar deed: drie olympische medailles winnen op de middellange afstanden op dezelfde Spelen. Heel bijzonder is ook het verzoek dat Barbara Barend kreeg van Bibian Mentel. Vlak voor haar overlijden, op 29 maart dit jaar, wilde Bibian nog een keer een groot interview geven met het verzoek het verhaal na haar overlijden te publiceren. In het verhaal spreekt zij nog één keer iedereen toe die haar lief hebben.  In Helden Magazine 59 lees je een uitgebreid interview met Fabio Jakobsen en zijn aanstaande vrouw Delore. Ze blikken samen terug op de zware val in Polen, waarbij Fabio bijna het leven verloor én hoe hij zich dit jaar heeft teruggevochten. Daarnaast spraken we een van de sterkhouders van Ajax, Daley Blind in het bijzijn van zijn vrouw, dochter, moeder en twee zussen. Rolstoeltennisster Diede de Groot won dit jaar de Golden Slam. De dubbelvier zorgden voor het eerste olympische roeigoud bij de mannen in 25 jaar én Sjinkie Knegt vertelt over het leven na het ongeluk met de houtkachel. Ook in Helden Magazine 59 hebben Jeffrey Hoogland en Shanne Braspennincx het mooi geflikt met z’n tweeën, groeide Denzel Dumfries uit tot de Held van Oranje tijdens het EK. Overigens vertelt Frédérique Matla over haar weg naar de top, won Abdi Nageeye niet alleen olympisch zilver op de marathon, maar coachte hij ondertussen ook zijn maatje naar brons en is Harrie Lavreysen de koning van de sprint. Verder zijn vrienden Niek Kimmann en Jelle van Gorkom allebei in het bezit van een olympische medaille. Dai Dai N’tab was ooit een feestbeest, nu is hij een van de snelste schaatsers van het land. Sanne van Dijke won olympisch brons, maar verloor in aanloop naar de Spelen haar broer en daarna haar trainingsmaatje. Reshmie Oogink blikt in ‘De dag dat’ terug op het moment dat ze in Tokio te horen kreeg dat ze corona had. Victoria Koblenko ontmoet daarnaast olympisch kampioen Kiran Badloe én Caitlin Dijkstra staat in de ‘Leeuwinnen in het Rijks’ stil bij De Liefdesbrief. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Harrie Lavreysen: ‘Heel ziek wat ik heb gedaan’

Harrie Lavreysen (24) is de koning van de sprint. [...]
Harrie Lavreysen (24) is de koning van de sprint. Ook in 2021 hield hij weer huis. We schotelen de baanrenner, in Japan goed voor twee keer goud en één keer brons, uitspraken voor die hij een jaar geleden deed in Helden. “Ik heb een fantastisch jaar gehad: twee keer goud en brons op de Spelen, twee Europese titels en drie wereldtitels in drie maanden tijd. Als kind droomde ik van olympisch goud. En nu heb ik het, dat is nog steeds een beetje onwerkelijk. Het olympisch toernooi was heel raar. We deden mee aan de Spelen, maar het voelde alsof we er niet aan deelnamen. Wij zaten niet in het olympisch dorp, ons toernooi werd ver buiten Tokio gehouden. Wat er verder op de Spelen gebeurde, kregen we alleen maar mee via onze telefoon en op tv. Voor mij begonnen de Spelen pas te leven toen Niek Kimmann goud won. Niek en ik zijn maatjes. We droomden er ooit allebei van om in 2020 olympisch kampioen BMX te worden. Drie jaar lang hebben we samen op Papendal gezeten. Doordat mijn schouders steeds uit de kom schoten, moest ik besluiten om met BMX’en te stoppen. Niek ging door. Dat het hem is gelukt, vind ik zo mooi. En vier dagen later pakten wij met de teamsprinters ook goud. De druk voor de teamsprint was vreselijk hoog. We wonnen al jarenlang elke wedstrijd dus verwachtte iedereen van ons dat we goud gingen pakken. Ik trek me doorgaans nooit veel aan van hoge verwachtingen, weet niet anders dan dat die er bij mij altijd zijn. Bij mijn eerste WK, in 2017, won ik vanuit het niets zilver. Vanaf dat moment dacht iedereen: Harrie wint wel even. Maar op de Spelen was het anders, die druk was extremer. Ik kan me altijd afsluiten van de druk door heel erg in het moment te blijven en niet te veel vooruit te kijken, dat is een trucje dat ik mezelf heb aangeleerd. Maar op de Spelen had iedereen het over die olympische titel op de teamsprint die wij gingen winnen, want dat kon toch eigenlijk niet misgaan. Daardoor had ik voor het eerst moeite om in het moment te blijven. Toen het goud op de teamsprint binnen was, voelde ik eerder opluchting dan blijdschap. Wat de impact van een olympische titel is, kreeg ik wel meteen mee. Ineens zag ik mijn vriendin Noor met mijn ouders bij Op1 en Humberto Tan zitten. Ik dacht wel: het is heel ziek wat er op dit moment gaande is in Nederland. Ik merkte toen ook dat olympisch kampioen worden van een andere orde is dan een wereldtitel pakken.” ‘Zelfs onze warming-up wordt vastgelegd. Maar eigenlijk ben ik niet zo bang voor de concurrentie. Ik denk niet dat als ze weten hoe we trainen, zij ineens net zo hard gaan rijden.’ “Wij hebben tot en met de Spelen alles gedaan om het maximale te halen uit onze aanpak. We hadden in Zwitserland een trainingskamp en sliepen op het middenterrein van de baan. We konden dus zo uit ons bed op de fiets stappen. Wekenlang hebben alleen maar de Spelen in mijn hoofd gezeten. Dat betekende: nooit lang blijven staan. Als ik ergens kwam, meteen gaan zitten. Of voor een verdieping naar boven of beneden de lift pakken. Ik had zes keer per dag een eiwitmoment. Maar ook mijn koolhydraten en vetten hield ik nauwkeurig bij. 'Voor mij begonnen de Spelen pas te leven toen Niek Kimmann goud won. Wij droomden er ooit allebei van om in 2020 olympisch kampioen BMX te worden' Ik heb ook een jetlagprotocol gevolgd. In Zwitserland ben ik begonnen met telkens een uur eerder naar bed te gaan en er ’s ochtends een uur eerder uit te komen. Toen we aankwamen in Japan was ik al gewend aan het tijdsverschil. We hebben niets aan het toeval overgelaten. De voorsprong op de concurrentie is nog steeds groot. Wat mezelf betreft: ik ben nog jong, heb nog niet de leeftijd waarop een baanwielrenner normaal gesproken op zijn top zit. Baansprinters kunnen wel tussen de tien en vijftien jaar mee, bij mij staat de teller nu op vijf jaar. Saai wordt het winnen nog niet. Ik geniet van elke sprint die ik rij. Sterker, het afgelopen EK en WK genoot ik er nog meer van dan ooit. Ik was zo ontspannen toen we na de Spelen nog het EK en WK moesten rijden, dacht: ik heb dit jaar toch al gewonnen wat ik wilde winnen. Ik voelde geen druk, heb daardoor ook echt kunnen genieten tijdens de races. Op de teamsprint heersen we en op de sprint steken Jeffrey Hoogland en ik er met kop en schouders bovenuit. Ik vraag me weleens af hoe de tegenstanders naar onze finales kijken. Natuurlijk blijf ik om me heen kijken. Ik weet ook dat Niek Kimmann de ambitie heeft om in de toekomst de overstap te maken naar de baan. Na de Spelen in Parijs is hij 28, maar dat is denk ik niet te laat. Ik weet zeker dat hij heel goed zou kunnen worden op de baan. Dat zou wel een mooie strijd tussen ons kunnen opleveren. Ik weet dat er een goede, jonge Rus aankomt. Hij en alle anderen gebruiken ons als benchmark. De andere landen weten wat ze moeten rijden om mee te kunnen gaan doen. Het is ook niet zo dat wij iets doen wat heel erg geheim is. Wij hebben een heel goede lichting. Elke dag er alles uit willen halen, dat is ons geheim. Met de teamsprint als basis.” ‘Van Noor hadden mijn bovenbenen wel een maatje kleiner gemogen.’ “Die bovenbenen zullen voorlopig niet een maatje kleiner worden, want ik ga dus nog wel een tijdje door. Noor is zo belangrijk voor me. Ze heeft tijdens de huldiging in mijn geboortedorp Luyksgestel op het podium voor al die mensen een speech gehouden voor mij. Zo mooi. Ik had het totaal niet verwacht. In de ochtend was ze heel zenuwachtig, ik snapte niet waar ze zich zo druk om maakte. Dat begreep ik natuurlijk wel toen ze de microfoon pakte. Ze vertelde hoe trots ze op me is, hoe knap ze het vindt wat ik doe en dat ze altijd achter me staat. Ik wist natuurlijk al dat ze trots op me is, maar als ze dat publiekelijk uitspreekt, is dat heel speciaal. Ik vertel Noor ook vaak hoe trots ik op haar ben. Het mooie is dat we de weg ook helemaal samen hebben afgelegd. Noor en ik kennen elkaar al sinds de middelbare school. Ze heeft meegemaakt dat ik goed was op de BMX, was erbij toen ik altijd geblesseerd was aan mijn schouders en toen ik de overstap maakte naar de baan en weer succesvol werd. Ik vind het weleens lastig dat veel in haar leven om mij draait, wil ook dat Noor haar eigen leven leidt. Ik heb ervoor gekozen om topsporter te worden, dat is niet de keuze van Noor. Na een wedstrijd sta ik mentaal vaak een beetje op m’n kop, maar ik doe altijd heel erg m’n best om er dan wel voor Noor te zijn. ‘Sommige tegenstanders gaan expres tegen je aan zitten. Of ze gaan je boos aankijken vlak voor de start. Om dat soort dingen lach ik alleen maar.’ “Op de Spelen is het niet gebeurd dat tegenstanders me uit m’n concentratie probeerden te halen. Het heeft toch niet zoveel zin. Ik ben zo met mezelf bezig. Weet je wat ik vaak doe? Ik bekijk beelden van mijn races en bedenk dan manieren hoe ik mezelf had verslagen. Die informatie gebruik ik weer om me te verbeteren. Tijdens een sprinttoernooi kijk ik ook altijd vol interesse naar de andere wedstrijden. Ik beeld me dan in dat ik de verliezer ben van de twee renners op de baan en bedenk wat ik had kunnen doen om te winnen. Door zo naar elke wedstrijd te kijken, train ik mezelf op tactisch gebied. Alle informatie sla ik op. Ik kijk ook wanneer een tegenstander omkijkt, omdat dat vaak het moment is waarop je iemand kunt verrassen. Ik maak bijna een studie van het baanwielrennen. Er zijn zeker nog kansen om mij te verslaan, heb ik al gezien. Maar op welke manier ga ik natuurlijk niet vertellen. Ik kan wel verklappen dat het momenteel lastig is om mij te kloppen. Ik ben de snelste van iedereen. Als ik ervoor zorg dat ik tactisch in orde ben, is het daardoor heel lastig om mij voor te blijven. Of in de toekomst een goede coach in mij schuilt, weet ik nog niet. Maar het zou jammer zijn als alle informatie en kennis die ik heb verloren zou gaan. Als ik een sprintrit van een ander zie, ben ik bijna geneigd om hem te gaan helpen. Dan ligt op het puntje van mijn tong om te zeggen: als je het nou eens zo doet...” 'Als ik van de baan kom, hou ik zeker rekening met de gevoelens van Jeffrey. Dan zijn we weer een team en ga ik niet superblij doen. Maar we gaan gelukkig goed met de situatie om, het heeft geen invloed op onze band. Vooralsnog tenminste. Wellicht dat het na de Olympische Spelen anders is.’ “In aanloop naar de Spelen merkten Jeffrey Hoogland en ik al dat de strijd tussen ons nog meer werd uitvergroot en dat er meer spanning was tussen ons. Ik heb me voor de Spelen wel even afgevraagd of die strijd tussen ons in zou kunnen komen te staan. Jeffrey en ik waren tijdens de Spelen ook gewoon kamergenoten. We hadden een appartement met twee kamers. In de ene kamer lagen onze teamsprintmaatjes Roy van den Berg en Matthijs Büchli en in de andere Jeff en ik. We waren dus eigenlijk de hele tijd met z’n vieren. Op wedstrijddagen deed iedereen zijn eigen ding. Het was dus niet zo dat Jeffrey en ik de hele dag op bed lagen en dat we elkaar telkens aankeken met het idee: hij is mijn vijand. Ter ontspanning keken Jeff en ik tijdens het trainingskamp in Zwitserland en in Japan allebei de tv-serie Suits. Het moment kwam dat we naast elkaar lagen, terwijl we het de volgende dag in de olympische finale van de sprint tegen elkaar op moesten nemen. We hebben niet bedacht om voor één keer van kamer te wisselen met Roy of Matthijs, zijn normaal blijven doen tegen elkaar. Neemt niet weg dat we wat minder spraakzaam waren voor de sprintfinale. Het werd een bloedstollende, loodzware finale. We wisten allebei dat het moeilijk inhalen was op de olympische baan. Normaal neemt Jeffrey tijdens een sprintduel graag de voorste positie in, terwijl ik juist liever vanuit tweede positie begin. Doordat we wisten dat die voorste positie belangrijk was, begonnen we vanaf de start bijna al te sprinten. De eerste rit kwam ik op kop en toen verraste Jeffrey me. Met anderhalve ronde te gaan, kwam hij op kop en daarna heb ik het niet goed gedaan. Ik verloor nipt, baalde flink toen ik nog in de baan reed. Ik dacht: klote, ik heb de eerste rit van de olympische finale verloren door een domme fout. Maar ik had wel al meteen het gevoel dat ik op die baan Jeff in kon halen. Hugo Haak coachte mij en ik zei meteen: ik denk dat ik hem in kan halen. Hugo bevestigde dat het mogelijk was. Ik was daarna zo zelfverzekerd dat ik die tweede en derde heat ging winnen. In de tweede rit ging ik vol vertrouwen van start. Ik begon weer als achterste, wilde de indruk wekken dat ik naar de koppositie wilde. Mijn idee was: ik push Jeff, zodat hij veel moet geven om in leidende positie te blijven, waardoor ik hem op het einde kan passeren. Maar Jeff reed me klem, waardoor ik alleen maar onder hem door kon sturen en de kop moest pakken. Ik wachtte op hem, dacht:wanneerkomthij?Jeffhaaldeme in en reed daarna vol door tot de finish. Ik heb vanaf dat moment gedaan wat ik moest doen: ik liet eerst een gaatje vallen, reed op hem af en ging hem voorbij op de streep. Het was nipt, pas op de finish wist ik dat het gelukt was. Tussen de tweede en de derde en beslissende heat zat heel weinig tijd. We waren allebei kapot. Maar door de manier waarop ik de tweede rit won, wist ik dat ik hem mentaal had gebroken. Ik had Jeff ingehaald, terwijl de heersende gedachte was dat dit op die baan niet mogelijk was. Door die klap zou het voor hem heel moeilijk zijn zich nog een derde keer helemaal op te laden. Ik was ook dood, maar had het vertrouwen dat als ik zou geven wat ik nog in me had, het genoeg moest zijn. Dat gebeurde ook. Gedurende de finale hadden we geen contact. Het eerste wat we na afloop tegen elkaar zeiden, was: wat was de rust tussen de tweede en derde heat kort, hè. Die korte pauze was niet het probleem, dat was de manier waarop wij hebben gesprint. Werkelijk van start tot finish gingen we los. Op die manier hadden we het nog nooit aangepakt. Dat maakte het zoveel zwaarder dan normaal. We beseften ook dat we heel zieke ritten hadden gereden, hebben later ook de races met elkaar besproken, wisten tot in detail wat er gebeurd was. Ik moet zeggen dat Jeffrey het verlies sportief heeft opgenomen na de Spelen. Hoe hij met de hele situatie is omgegaan, zegt veel over hem als mens. Hij was oprecht blij voor mij. Misschien niet meteen na de finale, maar daarna wel. Na de Spelen was het tussen ons ook weer als vanouds.Of ik het weleens sneu vind voor Jeffrey? Nee. Maar ik hou wel rekening met zijn gevoelens, ga niet voor zijn neus staan juichen.” ‘Die pijn in m’n benen is vreselijk. Het is alsof iemand messen in m’n bovenbenen steekt.’ “Dat gevoel had ik ook na de sprintfinale. Mijn benen deden zoveel pijn. Normaal verhult de adrenaline de pijn na een overwinning. Toen niet. Ik was echt aan het doodgaan, was helemaal naar de tering. Ik kon niet eens meer rechtop gaan zitten om te juichen. Het lukte alleen om een handje in de lucht te steken. Het heeft drie kwartier tot een uur geduurd voordat de pijn zakte. Jeffrey en ik moesten ons ook nog omkleden, we moesten de podiumkleding aan voor de ceremonie. Ik kon helemaal niks meer. Tijdens de medailleceremonie konden we nog niet normaal lopen, enkel strompelen. Ik heb het allemaal pas nog teruggekeken. Een dag na de sprintfinale, wachtte de keirin.Ikwasmentaalopgebrand,had veel meer moeite dan normaal om mijn focus te pakken. Ik had ook nog nooit zo lang achter elkaar en op zo’n hoog niveau moeten presteren. Het lukte me wel om de finale te halen. Het was kielekiele, ik heb geen enkele rit overtuigend gereden. Op dag zes was de finale van de keirin. Ik was op, maar ik kon nog steeds een derde gouden olympische medaille pakken. Tegen mezelf zei ik: nog één keer jezelf helemaal leegtrekken. Ik dacht ook: ik ben hier de snelste, dus deze is voor mij. In de finale gebeurde er iets waar ik niets aan kon doen. De Brit Jason Kenny reed weg en de Australiër Matthew Glaetzer liet dat gebeuren. Ik kon eigenlijk niets meer doen. Had het gat dicht kunnen rijden naar Kenny, maar dan zouden de jongens achter me daarna over me heen komen. Ik ben er uiteindelijk toch maar achteraan gegaan. Het werd nog bijna zilver, maar daar gaf ik op dat moment niks om. Het goud was toch al weg. Het besef dat ik twee keer olympisch kampioen was geworden, won het al snel van de teleurstelling om brons op de keirin. Heel ziek wat ik heb gedaan.” Helden Magazine 59 Het verhaal van Harrie Lavreysen komt voort uit Helden Magazine 59. Sifan Hassan is onze Held van het Jaar en siert de cover van het dubbeldik eindejaarsnummer. Ze kwam, zag en overwon. Hassan deed wat niemand voor haar deed: drie olympische medailles winnen op de middellange afstanden op dezelfde Spelen. Heel bijzonder is ook het verzoek dat Barbara Barend kreeg van Bibian Mentel. Vlak voor haar overlijden, op 29 maart dit jaar, wilde Bibian nog een keer een groot interview geven met het verzoek het verhaal na haar overlijden te publiceren. In het verhaal spreekt zij nog één keer iedereen toe die haar lief hebben.  In Helden Magazine 59 lees je een uitgebreid interview met Fabio Jakobsen en zijn aanstaande vrouw Delore. Ze blikken samen terug op de zware val in Polen, waarbij Fabio bijna het leven verloor én hoe hij zich dit jaar heeft teruggevochten. Daarnaast spraken we een van de sterkhouders van Ajax, Daley Blind in het bijzijn van zijn vrouw, dochter, moeder en twee zussen. Rolstoeltennisster Diede de Groot won dit jaar de Golden Slam. De dubbelvier zorgden voor het eerste olympische roeigoud bij de mannen in 25 jaar én Sjinkie Knegt vertelt over het leven na het ongeluk met de houtkachel. Ook in Helden Magazine 59 hebben Jeffrey Hoogland en Shanne Braspennincx het mooi geflikt met z’n tweeën, beloonde Tom Dumoulin zijn terugkeer met olympisch zilver op de tijdrit en groeide Denzel Dumfries uit tot de Held van Oranje tijdens het EK. Overigens vertelt Frédérique Matla over haar weg naar de top en won Abdi Nageeye niet alleen olympisch zilver op de marathon, maar coachte hij ondertussen ook zijn maatje naar brons. Verder zijn vrienden Niek Kimmann en Jelle van Gorkom allebei in het bezit van een olympische medaille. Dai Dai N’tab was ooit een feestbeest, nu is hij een van de snelste schaatsers van het land. Sanne van Dijke won olympisch brons, maar verloor in aanloop naar de Spelen haar broer en daarna haar trainingsmaatje. Reshmie Oogink blikt in ‘De dag dat’ terug op het moment dat ze in Tokio te horen kreeg dat ze corona had. Victoria Koblenko ontmoet daarnaast olympisch kampioen Kiran Badloe én Caitlin Dijkstra staat in de ‘Leeuwinnen in het Rijks’ stil bij De Liefdesbrief. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Fabio Jakobsen: ‘Ik ben nog elke dag blij dat ik wakker word’

Fabio Jakobsen verloor op 5 augustus 2020 bijna [...]
Fabio Jakobsen verloor op 5 augustus 2020 bijna het leven bij een zware val in de Ronde van Polen. Met behulp van zijn vriendin en aanstaande vrouw Delore Stougje vocht hij zich terug. En hoe. In de Ronde van Spanje, iets meer dan een jaar na de crash, won hij dit jaar drie etappes en de groene trui. Fabio en Delore blikken terug. De armen gaan in de lucht. Fabio Jakobsen wint in de Vuelta de vierde etappe. De sprinter van Deceuninck- Quick Step is de sterkste in Molina de Aragón. De overwinning komt iets meer dan een jaar na de horrorcrash in de Ronde van Polen. ‘Dit is het werk van heel veel mensen. Van de dokters en de medische staf tot de ploeg en mijn familie, dit is ook hun zege. Door hen ben ik hier. Het is een droom die uitkomt. Na de valpartij was het een lange weg terug,’ zegt een emotionele Fabio op 17 augustus dit jaar. Er zouden nog twee zeges volgen in de Vuelta en hij neemt uiteindelijk de groene trui mee naar huis. Fabio: “Ik wist niet of ik het nog kon op het hoogste niveau. Ik had voor de Vuelta wel twee etappes gewonnen in de Ronde van Wallonië, dat waren mijn eerste zeges sinds mijn val. Ik wist dus dat ik weer sprints kon winnen, maar sprinten in een grote ronde als de Vuelta is een ander verhaal. De tweede etappe eindigde in een massasprint. De NOS was uitgerukt en ik voelde dat er extra op me werd gelet in mijn eerste grote ronde na de val. Ik werd in die rit tweede achter Jasper Philipsen. Ik had kunnen winnen, baalde. Toen ik in de bus kwam, keek ik op m’n telefoon. Delore had een berichtje gestuurd: ‘Julius heeft gewonnen in Polen.’ Mijn maatje Julius van den Berg was erbij toen ik viel in Polen en hij was er op 5 augustus 2019, precies een jaar voor mijn val, ook bij toen Bjorg Lambrecht overleed bij een valpartij in Polen... Hij wilde eigenlijk nooit meer rijden in Polen. Toen ik las dat uitgerekend Julius had gewonnen, maakte mijn tweede plek me niets meer uit. Ik was zo blij.” Delore: “Ik ben ook goed met de vriendin van Julius, we doen veel met z’n vieren. Zij hebben net een dochter, dus ik dacht: ik app Fabio even dat Julius heeft gewonnen.” Fabio: “Ik wilde aanvankelijk gewoon proberen de Vuelta uit te rijden, was al blij dat ik weer kon starten. Na die tweede plek in de tweede etappe veranderde mijn doelstelling in: proberen een rit te winnen. Twee dagen later won ik. Zo mooi, zo’n opluchting ook. Ik was na afloop erg emotioneel en heb bewust iedereen bedankt die me bij m’n revalidatie heeft geholpen. Mijn ouders waren erbij, die hebben me de hele Vuelta met een camper gevolgd, dat maakte die zege extra bijzonder. Die overwinning voelde voor mij als de afsluiting van mijn revalidatie.” Delore: “Voor mij voelde die eerste overwinning in de Ronde van Wallonië al als zijn eerste grote overwinning. Die maakte mij heel emotioneel. Ik zag in Zolder, waar de finish was, dat Fabio het nog kon en dat hij weer durfde. Toen voelde ik dat het weer goed zou komen.” Fabio: “Ik merkte in die koers dat ik het gevoel van de juiste positie kiezen weer doorhad, dat ik niet bang was toen het parcours smaller werd en de hekken steeds dichterbij kwamen. Het voelde bijna magisch dat ik me weer thuis voelde in dat wringen naar de streep met zo’n zestig kilometer per uur. Die overwinning in Zolder was voor mij de bevestiging dat ik nog snel was en dat ik geen angsten heb overgehouden aan de val. Ik ben ook alweer gevallen, ging in de Vuelta in een gladde afdaling iets te hard een bocht in. Ik vloekte en stapte meteen weer op de fiets, merkte dat renners om mij heen meer geschrokken reageerden na mijn val dan ik. Ze riepen: ‘O God, Fabio, gaat het? Kun je door?’ Ik zei: ja jongens, niets aan de hand, kan gebeuren, rijden!" De eerste overwinning in de Vuelta zag ik als de afsluiting van het zwaarste jaar van mijn leven. Ik ben in dat jaar tien jaar ouder en zeker tien jaar wijzer geworden.” Delore: “Ik ben afgelopen jaar alleen maar tien jaar ouder geworden... Ik heb niet gekeken toen Fabio won in de Vuelta. Natuurlijk gloeide ik van trots, maar ik heb hem ook zien liggen in het ziekenhuis in Polen. Sindsdien ben ik blijer dat hij heelhuids over de finish komt, dan dat hij wint. Ik durf sinds zijn val niet meer te kijken naar de finale. Tijdens de Vuelta-etappe die hij won, ben ik naar boven gegaan. Mijn vader en moeder zaten beneden in de keuken televisie te kijken, ik zat vol spanning in de slaapkamer. Ik hoorde m’n vader juichen... Ik ben snel naar beneden gegaan, bij mij kwamen de emoties toen ook los.” Fabio: “De spanning van het moment kan Delore nog niet aan. Dat snap ik heel goed. Ze kijkt wel de herhaling.” Delore: “Ik heb de val in Polen live op Eurosport gezien. Het is voor mij zelfbescherming dat ik wacht tot de herhaling en dan pas ga kijken.” Fabio: “Mijn moeder kijkt ook niet meer live naar mijn wedstrijden. Zij hebben mij in coma in het ziekenhuis zien liggen, dat was zo heftig voor hen.” Delore: “De beelden van de val zitten in mijn hoofd, dat trauma is blijvend. Ik heb geprobeerd te kijken naar koersen waarin Fabio rijdt, maar ik kreeg bij het naderen van de finish in een sprintetappe een paniekaanval. Een hele hoge hartslag kreeg ik en werd echt onwel. Ik vroeg me af hoe ik die kwelling zo draaglijk mogelijk kon maken. Dat is als ik me afzonder en alleen op mijn slaapkamer ben. Ik probeer dan te mediteren. Meestal krijg ik vrij snel na de finish appjes van vriendinnen dat het klaar is. En mijn ouders weten ook dat ze me dan kunnen roepen.” Fabio: “We hebben binnen de ploeg een heel fijne psycholoog. Hij heeft mij goed geholpen. Ook mijn familie heeft hulp aangeboden gekregen bij de traumaverwerking. Maar Delore is daar nog niet aan toe.” Delore: “Ik moet iets gaan doen, anders kan ik nooit meer naar een koers. Ik was bij de finish van de Gooikse Pijl op 19 september, ben bewust redelijk ver na de finish gaan staan, dus ik heb niet gezien dat Fabio won. Mijn familie stond bij de finish. Achteraf baalde ik, want ik ontnam mezelf de vreugde van zijn zege.” Fabio: “Ik probeer goed naar Delore te luisteren en spreek daarover met onze psycholoog. Op dit moment valt er mee te leven, maar als het haar gaat beperken in het dagelijks leven, moeten we echt actie ondernemen.” Delore: “Een finale duurt hooguit twintig minuten. Op dit moment kan ik het prima aan om dan even niet te kijken. En niet elke etappe is een sprintetappe.” Fabio: “Toen ik in april in de Ronde van Turkije, acht maanden na de val, weer mijn eerste wedstrijd reed, was het voor Delore extra lastig omdat bijna elke rit een sprintetappe was. Ik had haar verzekerd dat ik niet mee zou sprinten, dat ik in Turkije alleen reed om weer het gevoel te hebben dat ik wielrenner was. Maar Delore was bang dat ik me toch in de sprints zou mengen. Ze had voor de val ook al angsten, bijvoorbeeld als ik te hard door een bocht ging. Dat kwam ook doordat Delore zelf een goede wielrenner is geweest en de gevaren kent.” Met een gang van ruim tachtig kilometer per uur razen de sprinters op woensdag 5 augustus 2020 in de eerste etappe van de Ronde van Polen op de finish af in Katowice. De weg loopt af en de sprinters zijn als hongerige wolven, aangezien ze een tijdje niet hebben kunnen koersen door de coronabreak. Dylan Groenewegen gaat als eerste aan, Fabio Jakobsen zit schuin achter hem en komt opzetten. Groenewegen stuurt richting de hekken als Fabio naast hem zit. Fabio wordt op volle snelheid door de dranghekken heen gekatapulteerd en verliest daarbij zijn helm. Zijn gezicht haakt in het hek. De gruwelijke beelden gaan de hele wereld over. Ploeggenoot Florian Sénéchal ontfermt zich meteen over Fabio en voorkomt dat hij stikt, een trauma-arts is gelukkig snel ter plaatse. Er wordt gevreesd voor het leven van Fabio als hij naar het ziekenhuis in het nabijgelegen Sosnowiec wordt vervoerd. Fabio: “Ik was tien tanden kwijt, al het bot in mijn mond was verbrijzeld, ik had een zware hersenkneuzing, een gebroken duim, gebroken en gescheurd gehemelte, een ingesneden neus en de zenuwen van mijn stembanden waren gekneusd en daardoor was een stemband verlamd. Ik had ook nog een zwaar gekneusde schouder en rug, zwaar gekneusde billen en gekneusde longen. Van de val kan ik me niets herinneren. Tot de laatste paar honderd meter kan ik alles terughalen, daarna wordt het zwart.” Fabio: 'Van de val kan ik me niets herinneren. Tot de laatste paar honderd meter kan ik alles terughalen, daarna wordt het zwart' Delore: “Het was half zeven, ik zat thuis aan de keukentafel te kijken samen met mijn vader. Fabio zat in het wiel van Dylan, ging aan en we zagen hem al winnen. Tot het vijftig meter voor de streep helemaal misging. Ik zag Fabio door de hekken vliegen, kon niet zien waar hij tegenaan klapte, maar wist meteen: dit is foute boel. Het jaar ervoor was ik erbij in Polen, ik kende het parcours en wist hoe hoog de snelheden daar lagen. Ik heb één keer een herhaling gezien, omdat ik voor mezelf een soort van schadeplaatje wilde maken. Toen ik na de val heel even op Twitter keek, draaide ik helemaal door.” Fabio: “Mijn leven is mede gered door ploeggenoot Florian Sénéchal die meteen bij me was na de val. Florian zag alles gebeuren, toen hij zag dat ik dreigde te stikken in mijn bloed, heeft hij mijn hoofd opgetild en ervoor gezorgd dat het bloed uit mijn keel kwam en ik kon blijven ademen. Als ik bloed had ingeslikt, had ik zuurstofgebrek kunnen krijgen. Ook de trauma-arts, die meteen na de valpartij vanuit het ziekenhuis in Katowice kwam, heeft mijn leven gered. Toen ik nog tussen de hekken lag, heeft hij een plastic pijp in mijn keel geplaatst, waardoor ik kon ademen en in leven bleef. Onze ploegarts Yvan Vanmol zei dat hij nog nooit iemand in zo’n situatie zo rustig zijn werk had zien doen. Die trauma-arts wist precies wat hij deed, zei ook wat anderen moesten doen, onder wie de arts van een andere wielerploeg die ook trauma-arts was en die assisteerde. Samen hebben ze me geïntubeerd.” Delore: “Ik bedacht me rond zeven uur dat ik dokter Yvan Vanmol moest bellen. Hij nam meteen op, zei dat het er heel slecht uitzag en dat hij vreesde voor een inwendige bloeding. Meteen schoot door m’n hoofd: dan is het klaar. Een jaar eerder was Bjorg Lambrecht overleden aan een inwendige bloeding in dezelfde ronde. Yvan zou mij op de hoogte houden als hij iets hoorde van de Poolse artsen. Die periode van wachten in onzekerheid was afschuwelijk. Mijn vader zei steeds: ‘Hoe langer we niets horen, des te beter is het. Als ze niets meer kunnen doen, weten ze dat vrij snel.’ Dat gaf me enig houvast. Mijn zus ging op een gegeven moment even weg. Toen ze terugkwam, dacht ik aan haar gezicht te zien dat zij iets had gelezen op Twitter. Dat was niet zo. Maar we besloten dat niemand op Twitter zou kijken en dat we zo min mogelijk zouden bellen. We wisten: als er nieuws was, dan zou dokter Vanmol meteen contact met mij opnemen. Pas om tien uur ’s avonds belde hij. Ik durfde de telefoon niet op te nemen, was zo bang dat hij zou vertellen dat Fabio het niet had gered. Maar Yvan vertelde dat het er beter uitzag dan toen Fabio nog op straat lag. Ik vroeg of Fabio zuurstoftekort had gehad en of zijn hart al die tijd was blijven kloppen. Yvan vertelde dat zijn hart aldoor zelfstandig was blijven kloppen en dat er geen sprake van zuurstoftekort was geweest. Dat stelde me enigszins gerust. Na het telefoongesprek zou Fabio geopereerd worden. Yvan zou me weer bellen als hij wat wist. Ik was iets gerust­gesteld, maar heb die nacht geen oog dichtgedaan. De situatie was nog altijd zo zorgwekkend dat teambaas Patrick Lefevere erop stond dat we de volgende ochtend om zeven uur met een privévliegtuig van Rotterdam naar Polen zouden vliegen. De ouders van Fabio, zijn zusje, mijn moeder en ik stapten in.” Fabio: “Ik ben urenlang onderzocht en door allerlei scans gegaan om te kijken of het überhaupt zin had om me te opereren. Er zijn daarna drie specialisten speciaal voor mij ingevlogen om mij te opereren, daarom – en om het risico op inwendige bloedingen en infecties te voorkomen – ben ik pas ’s avonds laat geopereerd. Ik heb later gehoord dat die artsen ervaringen met mijn trauma hadden door ongelukken en explosies in de mijnen die daar in de buurt zijn. Ook zij hebben mijn leven gered.” Delore: “De vlucht naar Polen was vreselijk. Niemand zei iets. Niemand sprak het hardop uit, maar we hadden allemaal het idee dat het vliegtuig was geregeld om afscheid te nemen.” Fabio: “Ik heb achteraf ook gehoord dat Yvan en Patrick met dat idee het vliegtuig hadden geregeld.” Delore: “Wij landden om half negen, maar de moeder van Fabio en ik konden pas ’s avonds naar hem toe. Hij was geopereerd en lag in coma, dat is wat wij wisten. De spanning voordat we naar de intensive care gingen, was enorm. Ze hadden me verteld over alle verwondingen in zijn gezicht, ik was heel bang dat ik Fabio amper zou herkennen. Ik was opgelucht dat ik hem meteen herkende, maar daarna maakte ik me snel weer grote zorgen: Fabio lag aan de beademing, bewoog niet. De artsen en verplegers waren heel aardig, maar spraken nauwelijks Engels, waardoor we amper antwoord kregen op alle vragen die we hadden. Yvan moest ook smeken om informatie.” Fabio: “Ik ben op vrijdag, twee dagen na het ongeluk, voor het eerst wakker gemaakt uit mijn kunstmatige coma, omdat ze wilden testen of ik mijn benen en armen kon bewegen. Toen legden ze me uit dat ik was gevallen, maar wel had gewonnen. Vervolgens lieten ze een foto zien hoe ik was binnengedragen. Ik leek op een aangereden dier. De volgende herinnering was dat Delore en mijn vader aan mijn ziekenhuisbed stonden. Ik dacht dat het vijf minuten later was, maar het was een dag later.” Delore: “De angst dat hij dood zou gaan was toen weg, maar ik was wel bang dat hij niet meer wist wie hij was en dat hij ons niet zou herkennen.” Fabio: “Ik kon niet praten, maar herkende jullie wel. Jullie droegen zo’n doktersjas en een mondkapje, maar ik herkende jullie meteen. Ik zag ook de angst in jullie ogen.” Delore: “Toen ik vroeg of je ons kon zien, had jij je ogen open. Je bedoelde ‘ja’, maar schudde van ‘nee’. Er was alweer paniek, ik dacht dat er iets mis was met je ogen.” Fabio: “Ik dacht dat ik vrij helder was... Ik tikte nog op mijn pols om te vragen hoe laat het was. Delore zei dat het zaterdagmiddag drie uur was. Toen realiseerde ik me pas dat ik al drie dagen in het ziekenhuis lag. Ik besefte: dat is niet goed. Pijn had ik niet, ik kreeg zoveel medicatie dat ik niets voelde. Maar vanaf dat moment was ik heel bang dat ik het niet zou redden. Ik viel steeds weg. Het begon ermee dat ik geen gevoel had in m’n voeten, daarna had ik ook geen gevoel meer in m’n knieën en dat ging zo omhoog tot m’n nek. Ik dacht op die momenten: daar ga ik. Daarna viel ik weg. Niet veel later schrok ik wakker en begon het weer van voren af aan. Ik raakte daar behoorlijk van in paniek. Ik wilde per se bij kennis blijven, omdat ik bang was dat ik anders niet meer wakker zou worden. We gaan allemaal op een gegeven moment, maar ik wilde nog even blijven. Telkens als ik weer wakker werd, dacht ik: gelukkig, ik ben er nog. Later bleek dat het de medicatie was waardoor ik niets voelde en steeds wegzakte, maar er was niemand die me dat uit had gelegd. Daarnaast was er ook nog de angst om te stikken. Ik had een canule, een adempijpje die in mijn luchtpijp was geplaatst. Het litteken is nog steeds goed te zien. Als er te veel slijm in de canule bleef zitten, begon ik te hoesten en had ik het gevoel dat ik ging stikken. Het alarm ging dan af en verpleegsters kwamen dan met een soort stofzuigerslang om het slijm af te voeren. Ik heb toen ook een berichtje aan Delore getikt dat ik voor mijn gevoel wel vijfhonderd keer was gestorven, dat ik alleen maar aan het vechten was om in leven te blijven.” Delore: “Hij kon niet praten, maar wel communiceren via notities in zijn telefoon, die ik hem op zaterdag had gegeven. Het waren heel korte notities met heel veel fouten omdat hij moeite had met tikken. Die doodsangst en doodservaring hebben ons toen niet bereikt. Ik was wel bang dat hij op zoek zou gaan naar beelden van zijn val op internet, omdat hij er geen herinneringen aan had. Maandag vroegen we Fabio daarom of hij de beelden van zijn val wilde zien. Die hebben we met je zusje erbij teruggekeken.” Fabio: “Ik kon het niet goed zien op m’n telefoon. Ik zag alleen iemand de hekken in gaan. Ik was toen meer bezig met andere dingen dan met die val waaraan ik toch niets meer kon veranderen. Toen ik op zondag Google Translate op m’n telefoon had, kon ik de verplegers vertellen dat ik bang was om te sterven en dat ik in paniek was. Ze konden me toen eindelijk uitleggen dat het aan de medicatie lag en dat ze die gingen terugschroeven. Voor mijn gevoel ben ik de drie daaropvolgende dagen wakker gebleven omdat de angst om in slaap te vallen en niet meer wakker te worden er nog flink in zat.” Delore: “Gelukkig was Yvan er ook nog steeds. Hij heeft op zondag alles besproken met ons en vertelde toen ook al dat hij overtuigd was dat Fabio snel terug naar Nederland kon.” Fabio: “In de binnenkant van mijn mond was alles kapot, maar verder vielen de verwondingen naar omstandigheden mee. Yvan vertelde dat ik geluk heb gehad, mede door dat sterke lijf van me. De laatste drie dagen in Polen was ik veel geruster op een betere afloop.” Heel Nederland leeft mee met Fabio. Het nieuws dat hij op woensdag 12 augustus 2020 wordt ontslagen uit het ziekenhuis nabij Katowice en terugvliegt naar Nederland wordt breed uitgemeten. Fabio: “Toen ik werd overgedragen aan de mensen van het vervoersbedrijf, vroegen ze of ik kon lopen. Ik had een dag eerder met behulp van een fysiotherapeut voor het eerst even naast m’n bed gestaan, dus ik zei: als je me helpt, lukt het. Daarna hebben ze me heel voorzichtig van de brancard naar het vliegtuig laten lopen. In het vliegtuig moest ik eigenlijk op een brancard gaan liggen. Ik had last van doorligplekken, had al een week gelegen, dus ik wilde zitten. Ik heb de hele reis gezeten. Omdat ik niet te veel drukverschil mocht ondergaan, vlogen we heel laag. In Nederland ben ik in een rolstoel gezet en met een ambulance naar het LUMC in Leiden gebracht. Toen ik mezelf daar voor het eerst in de spiegel zag, schrok ik me rot. Ik was kaalgeschoren, zwaar vermagerd en gekleed in zo’n gestreept ziekenhuisgewaad.” Delore: “Na drie dagen in het ziekenhuis in Leiden mocht Fabio naar huis. Ik was op m’n 21ste ineens een soort mantelzorger omdat Fabio de eerste maanden bijna 24 uur per dag moest worden verzorgd. Op 8 oktober stonden de eerste hersteloperaties gepland, tot die tijd kon hij weinig, vooral door de hersenkneuzing. Ik maakte sapjes omdat hij alleen maar vloeibaar voedsel tot zich kon nemen, regelde afspraken met familie en vrienden die hem even wilden zien.” Fabio: “Mijn ploeggenoot Florian Sénéchal was een van de eersten die me kwam bezoeken toen ik weer thuis was. Hij stond te huilen in de gang. We konden amper wat uitbrengen toen we elkaar weer zagen.” Delore: “Fabio begon drie weken na de val weer grapjes te maken, toen zag ik alweer de Fabio zoals ik hem kende.” Fabio: “Delore werd een soort manager die alles regelde. Ik heb het allemaal laten gebeuren, klaagde nooit. In het begin moest ik nog wel afkicken van de medicijnen. En omdat ik een hersenkneuzing had, waren de ramen thuis in het begin geblindeerd en bleven de gordijnen dicht. Ik sliep in het begin twintig uur per dag. Ik weet nog dat ik na een paar dagen voor het eerst zelf de trap af kon lopen. Dolgelukkig was ik. Na ongeveer drie weken ging ik met een pet op voor het eerst een heel klein rondje wandelen. Toen ik thuiskwam, wilde ik weten of ik op een fiets kon zitten. Mijn vader heeft zo’n hometrainer neergezet en daar heb ik vijf minuten op gefietst. Yvan Vanmol had in het ziekenhuis in Leiden al gezegd: ‘Het is dat je te veel schade in je gezicht hebt, anders had je fysiek binnen een maand weer kunnen koersen.’ Hij zei dat ik zo’n sterk mens was, zag geen aangetaste ruggengraat of gescheurde spieren. Onder mijn nek was alles intact. De artsen vonden het voor mijn herstel alleen nog niet bevorderlijk dat ik op de fiets ging zitten, dus heb ik dat toen nog uit mijn hoofd gezet.” Delore: “Op 8 oktober onderging Fabio een bottransplantatie. Een stukje bot uit zijn bekken is in zijn boven- en onderkaak gezet, omdat daar veel bot ontbrak. Na die operatie kon hij niet zelf douchen, dus met wassen en dergelijke moest ik hem bijstaan. Begin december gaat Fabio mee met Deceuninck-Quick Step naar het trainingskamp in het Spaanse Altea. De fiets­training wordt voorzichtig opgepakt. Maar Fabio wacht ook nog belangrijke operaties in het Radboud ziekenhuis in Nijmegen. Op 12 februari worden implantaten in zijn boven- en onderkaak aangebracht en de littekens in zijn mond worden gereconstrueerd. Fabio: “Al mijn tanden was ik kwijt door de val, ik had alleen nog kiezen en twee hoektanden. Een half jaar voor mijn val had ik gelukkig een afdruk van mijn gebit laten maken bij de orthodontist omdat een tand een beetje scheef stond. Ik werd na mijn val benaderd voor een vervolgafspraak... Ik vertelde dat die niet meer nodig was, maar dat ik wel graag de afdruk van mijn gebit wilde hebben. Ze dachten al dat ik daarvoor zou bellen, zeiden ze. Aan de hand van die afdruk heeft de tandtechnieker de bovenste en onderste vijf tanden exact kunnen plaatsen zoals mijn gebit voorheen was. Maar eerst moesten in februari de schroeven in het getransplanteerde bot in mijn mond worden geboord in Nijmegen. Vier maanden later zijn de bruggen erop gegaan. Tot die tijd heb ik zonder tanden rondgelopen.” Delore: “De orthopedist had een plastic bitje gemaakt, zodat je de straat op kon, maar die heb je nauwelijks gedragen.” Fabio: “Door dat bitje zou ik weer de letters F en S kunnen zeggen, maar andere letters kostten meer moeite omdat ik mijn kiezen niet op elkaar kon doen. Ik kon ook niet eten en drinken met dat bitje. Ik merkte dat ik steeds beter kon praten zonder tanden en eten was moeilijk, maar niet onmogelijk. Harde dingen eten, zoals appels, ging niet omdat het tandvlees openlag. Maar verder ging het wel. De derde operatie was pijnlijk, dat had ik onderschat. Ze hebben niet alleen de implantaten aangebracht, maar ook twee reepjes uit mijn gehemelte gehaald, wat ze hebben gebruikt als tandvlees. Ik heb drie weken lang een open gehemelte gehad. Ik kan na het plaatsen van de bruggen met tanden op 16 juni dus weer eten, maar ik heb helemaal geen gevoel in mijn tanden, de zenuwen zijn daar allemaal weg. Het went langzaam. De littekens in mijn mond trekken ook nog een beetje.” Delore: “Als het goed is, is de laatste operatie nu achter de rug.” Fabio: “Maar toen de operaties erop zaten, was de onzekere periode niet ineens voorbij. Ik wist niet of ik weer op mijn oude niveau kon komen. Ik reed in april mijn eerste koers, de Ronde van Turkije, en in de media werd gezegd dat het goed ging met me omdat ik weer reed. Dat was wel heel kort door de bocht. Ik dacht: wat moet ik als ik niet meer terug kan komen op mijn niveau? De havo heb ik afgemaakt, een jaar hbo gedaan, maar koos al snel voor wielrennen. Ik dacht: als ik niet meer kan fietsen, dan heb ik niks. Gelukkig heeft Patrick Lefevere me al snel na het ongeluk op het hart gedrukt me geen zorgen te maken, omdat hij mijn aflopend contract sowieso zou verlengen. Dat was een mooi gebaar en bedoeld als geruststelling. Maar de vraag of ik weer de oude zou worden als renner was daarmee niet beantwoord. Ik was ook best bang in het peloton, ging voorin of juist helemaal achterin rijden. Bij mijn eerste koers in Turkije zag ik ineens een renner met bebloede wenkbrauwen in de hekken liggen. Ik ben meteen gestopt om te vragen of het ging... In Turkije merkte ik dat veel collega’s blij waren om me weer te zien. Jasper Philipsen is een concurrent, maar hij was een van de eersten die me in Turkije opzocht. Hij vertelde dat hij heel blij was om me terug te zien in het peloton en zei dat hij hoopte weer echt met me te kunnen sprinten. En zo kwamen bij veel koersen renners even een praatje maken. Laatst nog Mads Pedersen, de wereldkampioen van 2019. Ik had hem sinds mijn val niet meer gezien. Ik won de Eurométropole Tour, Mads werd derde. Hij feliciteerde me niet, maar zei: ‘Wat ben ik blij dat ik weer tegen jou mag koersen.’ Mooi. Kijk, alle renners hebben familie thuis en kunnen zich heel goed inbeelden wat voor vreselijke tijd ik heb gehad. Wat ik heb meegemaakt, is waar elke renner bang voor is. En dat merk ik wel in het peloton. Ik denk dat renners van mijn generatie die mijn val bewust hebben meegemaakt, niet meer zo snel van hun lijn zullen afwijken.” Delore: “Laten we het hopen.” Fabio: “Ik kwam natuurlijk ook Dylan Groenewegen weer tegen in het peloton na de val... Florian Sénéchal was na Delore en mijn familie de eerste die ook met mij over Dylan durfde te praten. Florian zei: ‘Wat ze ook voor argumenten aandragen, het kan niet wat Dylan deed in Polen. Je kunt niet met die hoge snelheid vlak voor de finish van je lijn afwijken.’ Hij vergeleek het met Formule 1, dat Max Verstappen en Lewis Hamilton de laatste bocht uitkomen op weg naar de finish en dat de een de ander de vangrail in duwt. ‘Dan kun je wel zeggen dat de hekken niet deugen of dat er een vangrail moet zijn, maar eerst gaat het erom dat je op het laatste rechte stuk niet van je lijn afwijkt.’ In Wallonië hebben Dylan en ik weer echt tegen elkaar gesprint. Dylan won ook twee ritten. Na afloop heeft Dylan me gefeliciteerd toen ik won. Wij zullen de rest van onze carrières aan elkaar gekoppeld blijven, dat is ons lot. Ik ben inmiddels zover dat ik besef dat hij dit ook niet heeft gewild en dat wat er gebeurd is voor hem ook een belasting is. Hij zal er ook van balen. Maar het is wel gebeurd. Ik ga niet zeggen: toffe gozer, mag ik op je verjaardag komen? Zo was onze relatie voor de val ook al niet. Ik vind het prima dat we elkaar feliciteren na een overwinning. Dylan is ook een mens. We kunnen het niet meer terugdraaien en moeten allebei verder. Het is wat het is.” Fabio deelt op 17 maart op zijn Instagram een foto waarop hij en Delore gearmd staan op de berg Ifach nabij Calpe in Spanje. Bij de foto staat de tekst ‘Let’s start with forever!’ met daarbij het symbool van een ring en een hartje. Op 29 oktober 2022 staat het huwelijk gepland, maar voor die tijd hopen we ons net gekochte huis in Zuidland verbouwd te hebben. Delore: “We gingen met de auto naar Calpe, omdat vliegen door corona moeilijk was. Ik wilde graag de bekende rots Ifach beklimmen. Fabio heeft een hekel aan wandelen en klimmen, maar reageerde heel enthousiast. Hij had zelfs voor een rugzakje met drinken gezorgd. We hebben wat foto’s gemaakt op de top samen met mijn vader en zwager, die waren ook met de auto een paar dagen naar Calpe gekomen. Ze begonnen hard te lachen, dus ik dacht dat Fabio gekke bekken aan het trekken was. Toen ging Fabio op zijn knieën, haalde een prachtige ring uit zijn tas en vroeg: ‘Wil je met me trouwen?’ Ik was echt verbaasd, had totaal niet op een huwelijksaanzoek gerekend en zei meteen ‘ja!’” Delore: 'Ineens ging Fabio op zijn knieën, haalde een prachtige ring uit zijn tas en vroeg: 'Wil je met me trouwen?' Ik had totaal niet op een huwelijksaanzoek gerekend' Fabio: “Ik wist al vrij snel na het ongeluk dat ik Delore ten huwelijk wilde vragen. Het eerste wat ik dacht na het ontwaken uit mijn coma was: wat ben ik blij dat ik Delore en mijn familie weer kan zien. Het tweede wat ik dacht, was dat ik niet meer wilde verhuizen naar Monaco. We hadden het daar over gehad voor mijn val, maar ik wilde Nederland en mijn naasten niet meer achterlaten. De derde zin die ik in mijn hoofd had, maar niet uitsprak, was: Delore, ik ga jou ten huwelijk vragen. Ik wist alleen nog niet wanneer. Als je vriendin je met een washandje overal heeft gewassen, omdat je het zelf niet kunt, en vervolgens tien tot twaalf weken dag en nacht voor je heeft gezorgd, dan geldt net als bij je eigen moeder: haar zet je nooit meer buiten. Dan heb je een vriendin voor de rest van je leven. Ik heb haar ook heel vaak bedankt voor alles wat ze voor me heeft gedaan. We houden zo intens van elkaar.” Delore: “Ik ken Fabio al van jongs af aan. Hij is net zo oud als mijn zus en zij kenden elkaar van het fietsen. Ik was ook wielrenster, dus zag Fabio vaak. Toen ik vijftien was, kwamen Fabio en ik elkaar bij wedstrijden weer tegen.” Fabio: “Ik stuurde Delore berichtjes, wilde al vrij snel afspreken, maar Delore had nooit tijd.” Delore: “Ik hield het eerst af, had geen behoefte aan een relatie. Maar ik hield wel contact. Tot ik wel een keer wilde afspreken...” Fabio: “Jij was zeventien en ik achttien. Delore werkte in een kapsalon. Ik vroeg in de zomer of ik mijn bidons bij haar kon vullen, zei dat ik in de buurt was. Dat vond ze oké. Maar ik was helemaal niet in de buurt. Ik reed in één rechte lijn naar de kapsalon in Zuidland. Dat was 75 kilometer heen en daarna 75 kilometer terug. Daarna was het vrij snel aan. Ik ben haar eerste echte vriendje. Ik heb voor Delore ook een vriendinnetje gehad, maar zij begreep mijn passie voor wielrennen niet. Delore wel, zij heeft zelf gefietst. Zij begrijpt dat ik bijna nooit na twaalf uur naar bed ga.” Delore: “Ik vind dat prima, vind het fijn om samen te zijn. En ik ben druk met mijn hbo-opleiding huidtherapie.” Lachend: “Met Fabio heb ik een goed studieproject in huis.” Op 9 juli wordt bekendgemaakt dat Fabio voor twee jaar bijtekent bij Deceuninck-Quick Step. ‘Als je ziet waar Fabio vandaan komt, is het gewoon een wonder,’ stelt team­manager Patrick Lefevere, ‘hij heeft veel meegemaakt, maar het team stond achter hem en dat zal nooit veranderen. In het verleden versloeg hij de grootste sprinters van de wereld, en we zijn ervan overtuigd dat hij op een dag zijn handen weer in de lucht kan steken.’ Fabio: “Ik ben zo blij dat ik dat vertrouwen al snel heb kunnen terugbetalen met overwinningen. Er wordt weleens wat geroepen over Lefevere, maar hij zei toen ik nog geen tanden in mijn mond had, dat ik niet weg mocht bij de ploeg. Hij vroeg: ‘Wil je één of twee jaar?’ Ik zei dat ik dat aan hem liet en toen zei Lefevere: ‘Dan doen we er twee jaar bij.’ Ik heb bijgetekend onder voor mij ook nog eens prachtige condities. En als alles normaal verloopt, debuteer ik volgend jaar in de Tour de France en hoop ik minimaal een etappe te winnen. Ik win weer, maar dat neemt niet weg dat ik anders in het leven sta dan voorheen. Als mens en renner. Voor de start kijk ik hoe de hekken staan opgesteld. Deed ik vroeger niet. Als mijn tegenstander te veel afwijkt van zijn lijn, dan rem ik, ga rechtop zitten en denk: zoeken jullie het maar lekker uit, want ik wil niet nog een keer naar het ziekenhuis. Als mens realiseer ik me nu dat tijd het meest kostbare is dat we hebben. Ik ben nog elke dag blij dat ik wakker word. De angst om te slapen ben ik kwijt, maar de angst om niet wakker te worden, zit er onbewust nog steeds een beetje in. Het ticket van vandaag hebben we, maar het ticket van morgen hebben we niet. Dat krijg je pas ’s ochtends.” Helden Magazine 59 Het verhaal van Fabio Jakobsen komt voort uit Helden Magazine 59. Sifan Hassan is onze Held van het Jaar en siert de cover van het dubbeldik eindejaarsnummer. Ze kwam, zag en overwon. Hassan deed wat niemand voor haar deed: drie olympische medailles winnen op de middellange afstanden op dezelfde Spelen. Heel bijzonder is ook het verzoek dat Barbara Barend kreeg van Bibian Mentel. Vlak voor haar overlijden, op 29 maart dit jaar, wilde Bibian nog een keer een groot interview geven met het verzoek het verhaal na haar overlijden te publiceren. In het verhaal spreekt zij nog één keer iedereen toe die haar lief hebben. In Helden Magazine 59 lees je een uitgebreid interview met een van de sterkhouders van Ajax, Daley Blind in het bijzijn van zijn vrouw, dochter, moeder en twee zussen. Rolstoeltennisster Diede de Groot won dit jaar de Golden Slam. De dubbelvier zorgden voor het eerste olympische roeigoud bij de mannen in 25 jaar én Sjinkie Knegt vertelt over het leven na het ongeluk met de houtkachel. Ook in Helden Magazine 59 hebben Jeffrey Hoogland en Shanne Braspennincx het mooi geflikt met z’n tweeën, beloonde Tom Dumoulin zijn terugkeer met olympisch zilver op de tijdrit en groeide Denzel Dumfries uit tot de Held van Oranje tijdens het EK. Overigens vertelt Frédérique Matla over haar weg naar de top, won Abdi Nageeye niet alleen olympisch zilver op de marathon, maar coachte hij ondertussen ook zijn maatje naar brons en is Harrie Lavreysen de koning van de sprint. Verder zijn vrienden Niek Kimmann en Jelle van Gorkom allebei in het bezit van een olympische medaille. Dai Dai N’tab was ooit een feestbeest, nu is hij een van de snelste schaatsers van het land. Sanne van Dijke won olympisch brons, maar verloor in aanloop naar de Spelen haar broer en daarna haar trainingsmaatje. Reshmie Oogink blikt in ‘De dag dat’ terug op het moment dat ze in Tokio te horen kreeg dat ze corona had. Victoria Koblenko ontmoet daarnaast olympisch kampioen Kiran Badloe én Caitlin Dijkstra staat in de ‘Leeuwinnen in het Rijks’ stil bij De Liefdesbrief. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Jeffrey Hoogland en Shanne Braspennincx: ‘We hebben het mooi geflikt met z’n tweeën’

Shanne Braspennincx (30) en Jeffrey [...]
Shanne Braspennincx (30) en Jeffrey Hoogland (28) zijn al een paar jaar collega’s én geliefden. Nu gaan ze ook allebei door het leven als olympisch kampioen. “Die olympische gouden medailles mogen pontificaal in het zicht hangen in ons nieuwe huis. Wie kan dat zeggen: twee olympisch kampioenen in één huis?” “Niemand kon me iets maken, ik zei tegen mezelf: de rest kan het heen-en-weer krijgen, de leiding sta ik niet meer af. Toen ik over de streep reed, dacht ik: holy shit, ik ben gewoon olympisch kampioen!” zegt Shanne Braspennincx. Op 5 augustus pakte ze goud op de keirin. Haar vriend Jeffrey Hoogland stond te juichen op het middenterrein. Hij had twee dagen eerder al olympisch goud gepakt op de teamsprint en wist: ze zouden allebei als olympisch kampioen terugkeren naar Nederland. Jeffrey: “Niet veel mensen hadden verwacht dat jij olympisch kampioen zou worden, maar ik had van nabij meegemaakt hoe hard ze had getraind en hoe goed ze in vorm was. Ik wist: het kan écht. Ik was zo overtuigd dat ik tijdens het uitrijden van mijn kwartfinale op de sprint, die ik net had gereden, al mijn badslippers had meegenomen, dacht: ik moet straks van die rollers af, want het wordt fantastisch. Normaal zijn wij professioneel genoeg om de ander links te laten liggen als we moeten presteren, vragen we tijdens toernooien pas op de hotelkamer hoe het die dag ging. Maar dit ging om olympisch goud, dat was andere koek.” Shanne: “De dag voor de finale had ik het heel lastig, ik wist via de herkansing terug te komen in het toernooi. Ik kraakte. Ik was toch in vorm? Bij mijn masseur en jou heb ik ’s avonds mijn twijfels uitgesproken.” Jeffrey: “Ik lag op de massagetafel toen je vroeg of je langs kon komen. Ik merkte aan alles dat je onzeker was, doordat je je zo sterk voelde. Er was een flink gesprek voor nodig om je weer een goed gevoel te geven.” Shanne: “Het was zo fijn dat ik op dat moment terug kon vallen op jou. Het klinkt heel suf, maar mijn masseur en jij zeiden precies die dingen waardoor ik lekker kon slapen. De dag erop stond ik er ook echt. Na afloop hebben wij alleen maar tegen elkaar geschreeuwd van vreugde. Jij was ook meteen bij me om me een knuffel en een kus te geven.” Jeffrey: “Ik heb alleen maar ‘wat goed, wat goed, je hebt het geflikt’ tegen je geroepen. Na die kus ben ik weggelopen. Het was jouw moment. Ik wilde daar niet bij staan, dat moest je helemaal zelf kunnen beleven.” Shanne: “Twee dagen eerder was ik er niet bij toen jij goud won op de teamsprint. Ik volgde de finale via een livestream op de laptop. Ik vond het zo naar dat ik niet bij jou was op dat moment. Maar ik had dan drie kwartier met de bus naar het stadion moeten gaan, terwijl de volgende dag de keirin begon.” Jeffrey: “Van ons werd verwacht dat we goud gingen winnen. We hadden voorgaande jaren alles gewonnen, die olympische finale voelde bijna als: nu nog even die gouden olympische medaille aftikken. We zijn heel trots dat we met de ploeg de collectie gouden medailles compleet hadden, hoor, maar ik vind: die medaille van Shanne heeft zoveel waarde, omdat die zo mooi tot stand is gekomen.” Shanne: “Het is bijna normaal geworden dat jullie winnen. In de finale zag ik na de eerste bocht al dat het goed zat. Het is nooit spannend geweest. Aan de ene kant misschien jammer, maar het laat ook zien hoe sterk jullie zijn. Jullie zijn zo’n geolied team, dat is ook heel mooi en bijzonder. Wij zagen elkaar ’s avonds en toen liet jij me dé medaille zien. Toen ik dat ding vastpakte, dacht ik: wow, dit is heel vet! Ik was zo trots.” Shanne: 'Wij zagen elkaar 's avonds en toen liet jij me dé medaille zien. Toen ik dat ding vastpakte, dacht ik: wow, dit is heel vet! Ik was zo trots' Jeffrey: “Jij reageerde zo enthousiast. Toen heb ik die medaille ook eens goed bekeken. Na de finale werden we meegesleurd, had ik me amper gerealiseerd wat we hadden gedaan. Met jou op de kamer dacht ik pas: shit, dit is de medaille waar ik al jaren keihard voor heb gewerkt. Toen kwam de echte blijdschap.” Geridderd Allebei olympisch goud, dezelfde beloning voor al het werk dat ze al jaren in hun sport hadden gestopt. Voorheen voelde het voor Jeffrey dat het succes niet eerlijk werd verdeeld. Hij kwam terug van een EK of WK met medailles, terwijl Shanne vaak met lege handen stond. Jeffrey vond het daardoor moeilijk om in het bijzijn van Shanne uitbundig te zijn. Jeffrey: “Ik heb na die gouden medaille van jou zo vaak gezegd: wat ben ik blij dat jij ook olympisch kampioen bent. We werden allebei geridderd, mochten allebei naar de koning. We hoefden geen afscheid van elkaar te nemen op Schiphol. Je ziet vaak dat sporters die geen medaille hebben gewonnen naar de familie gaan en de medaillewinnaars moeten de andere kant op, hen wacht nog een paar dagen met huldigingen en media-optredens. Het was zo speciaal om dat hele riedeltje samen mee te maken. We hoefden ons allebei niet in te houden met onze blijdschap.” Shanne: “Ik dacht steeds: we hebben het mooi geflikt met z’n tweeën. Ik denk dat het ons nog dichter bij elkaar heeft gebracht. Negen van de tien keer had ik er trouwens geen moeite mee dat jij met een medaille of regenboogtrui thuiskwam, hoor, maar soms dacht ik: verdorie, ik doe er toch ook alles voor? ” Jeffrey: “Ik stopte mijn regenboogtruien thuis snel in de kast. Jij had al zolang die droom om ook zo’n trui te winnen. Het leek mij voor jou heel irritant om telkens naar zo’n shirt van je vriend te moeten kijken.” Shanne, lachend: “Er wordt vaak beweerd dat je een regenboogtrui niet aan moet raken of aan moet trekken als je nog geen wereldkampioen bent geworden. Dan word je het namelijk niet, is de heersende gedachte. Nou, ik had heel vaak de regenboogtruien van jou in de was... Telkens als ik een regenboogtrui van jou aanraakte, zei ik tegen mezelf: weer een jaar geen wereldtitel. Maar ik was ook echt wel trots dat ik telkens die truien zag, hoor.” Samenwonen Jeffrey en Shanne kenden elkaar al jaren, kwamen elkaar dagelijks tegen op de baan. In april 2017 sloeg de vonk over. Jeffrey: “We konden het meteen al goed met elkaar vinden. Ik appte jou vaak eerder dan mijn mannelijke collega’s. Op trainingskampen ging ik ook vaak langs bij jou op de kamer om gezellig te kletsen. We zochten daar allebei verder niets achter: jij had een relatie en ik zo nu en dan een vriendinnetje, maar was nog niet heel serieus met een relatie bezig. Toen ging jouw relatie over. Bondscoach René Wolff hintte al een paar keer dat wij een leuk stel zouden zijn, zei: ‘Moeten jullie niet even samen afspreken?’” Shanne, lachend: “Dat deed René ook al toen ik nog een relatie had, hoor! Het begon daarna met een kop koffie op trainingskamp. Met de gedachte: dan hebben we het in elk geval geprobeerd.” Jeffrey: “Jij hebt twee oudere broers en ik ook. Jij komt uit Brabant, ik uit Twente. Ons accent is anders, maar qua gedrag komen we overeen. We houden van gezelligheid. Ook qua humor liggen we op één lijn.” Helden Magazine 59 Het eerste gedeelte van het verhaal van Jeffrey Hoogland en Shanne Braspennincx komt voort uit Helden Magazine 59. Sifan Hassan is onze Held van het Jaar en siert de cover van het dubbeldik eindejaarsnummer. Ze kwam, zag en overwon. Hassan deed wat niemand voor haar deed: drie olympische medailles winnen op de middellange afstanden op dezelfde Spelen. Heel bijzonder is ook het verzoek dat Barbara Barend kreeg van Bibian Mentel. Vlak voor haar overlijden, op 29 maart dit jaar, wilde Bibian nog een keer een groot interview geven met het verzoek het verhaal na haar overlijden te publiceren. In het verhaal spreekt zij nog één keer iedereen toe die haar lief hebben.  In Helden Magazine 59 lees je een uitgebreid interview met Fabio Jakobsen en zijn aanstaande vrouw Delore. Ze blikken samen terug op de zware val in Polen, waarbij Fabio bijna het leven verloor én hoe hij zich dit jaar heeft teruggevochten. Daarnaast spraken we een van de sterkhouders van Ajax, Daley Blind in het bijzijn van zijn vrouw, dochter, moeder en twee zussen. Rolstoeltennisster Diede de Groot won dit jaar de Golden Slam. De dubbelvier zorgden voor het eerste olympische roeigoud bij de mannen in 25 jaar én Sjinkie Knegt vertelt over het leven na het ongeluk met de houtkachel. Ook in Helden Magazine 59 beloonde Tom Dumoulin zijn terugkeer met olympisch zilver op de tijdrit en groeide Denzel Dumfries uit tot de Held van Oranje tijdens het EK. Overigens vertelt Frédérique Matla over haar weg naar de top, won Abdi Nageeye niet alleen olympisch zilver op de marathon, maar coachte hij ondertussen ook zijn maatje naar brons en is Harrie Lavreysen de koning van de sprint. Verder zijn vrienden Niek Kimmann en Jelle van Gorkom allebei in het bezit van een olympische medaille. Dai Dai N’tab was ooit een feestbeest, nu is hij een van de snelste schaatsers van het land. Sanne van Dijke won olympisch brons, maar verloor in aanloop naar de Spelen haar broer en daarna haar trainingsmaatje. Reshmie Oogink blikt in ‘De dag dat’ terug op het moment dat ze in Tokio te horen kreeg dat ze corona had. Victoria Koblenko ontmoet daarnaast olympisch kampioen Kiran Badloe én Caitlin Dijkstra staat in de ‘Leeuwinnen in het Rijks’ stil bij De Liefdesbrief. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

‘Neergesabeld door mijn eigen lijf’

Baanwielrenster Shanne Braspennincx (25) was na [...]
Baanwielrenster Shanne Braspennincx (25) was na haar tweede plaats op het WK in 2015 vastberaden: ze wilde meer, harder trainen, beter presteren, met in gedachten de Spelen in Rio. Totdat Shanne een paar maanden later een hartinfarct kreeg tijdens een wedstrijd in Amerika. Plots was alles anders. “Ik vraag me weleens af: wanneer ben ik eigenlijk tevreden? Als ik alles win? Of dan nog steeds niet? Ergens in mijn woonkamer in een vitrinekast ligt een zilveren WK-medaille te prijken met de spotlights erop, maar ik kijk er eigenlijk nooit naar. Als sporter wil je na een prestatie altijd meer. Stilstaan doe je niet. Nu denk ik: misschien moet ik dat vaker doen. Het had vorig jaar zomaar voorbij kunnen zijn. Meteen na die zilveren medaille op het WK dacht ik: ah, ik ga zó hard trainen, er zit nog zoveel meer in het vat. Ik dacht aan de Spelen in Rio, aan die in Tokio, aan dat ik als kind al riep dat ik wereldkampioen wilde worden. Maar toen werd ik een paar maanden later op een donderdagmiddag in juli ineens kei- hard neergesabeld. Door mijn eigen lijf. Ik zat op het middenterrein van een wielerbaan in Colorado uit te fietsen. Die dag was ik best goed, had er net een halve finale opzitten en was geplaatst voor de finale die even later zou volgen. Ineens kreeg ik het benauwd. Zo erg dat ik tegen een oud-ploeggenootje naast me zei: ‘Jezus hé, ik krijg last van mijn borst!’ Zij adviseerde mij te gaan zitten. In de tent van het Nederlands team lag een zuurstofmasker. Dat hielp voor geen flikker. Ik probeerde een puffertje om mijn longen wat open te zetten. Deed ook niks. Colorado ligt op 2200 meter hoogte, ijle lucht dus. Last krijgen van je longen na een grote inspanning is daarom niet vreemd. En ik weet: ik moet het hebben van het diep kunnen gaan. Bij mij is het altijd: óf vol gas, of heel rustig. WILDEBRAS Vroeger was ik al een halve wildebras. Tot mijn zesde zat ik in een klas met alleen maar jongens en bestond mijn leven uit spelen en fietsen. Wij zijn een fietsfamilie. Mijn twee oudere broers deden het, mijn vader ook. Voor mij gold dat ik alles wilde wat mijn broers deden, dus voordat ik de leeftijd had waarop een wielerlicentie mogelijk was, zat ik al te kloten op een fietsje. Fietsen ging me ook wel aardig af. Ik won op de fiets van jongetjes, werd drie keer Nederlands kampioen in diverse categorieën en bij de junioren werd ik toegevoegd aan de nationale selectie waarvoor ik naar Papendal verhuisde. Toen ik in 2011 – voor die tijd had ik maar een paar keer op een baanfiets gezeten – met bondscoach René Wolff in gesprek kwam, zat mijn carrière op de weg net in een dip. René vroeg: ‘Lijkt het je leuk om mee te gaan op trainingskamp naar Amerika?’ Wat is dat voor vraag, dacht ik. Natuurlijk! Het voelde als thuiskomen. Alles wat ik leuk vind aan fietsen was daar. KLOTENACHT Maar in juli zat ik dus, benauwd, op het middenterrein in Amerika. Ik dacht: wat heb ik nou weer gedaan? Mijn longblaasjes naar de kloten gereden? Iets in mijn middenrif gekneusd? Wat is dit? Ik was moe, de pijn werd niet minder en het irriteerde me mateloos, want ik moest zo weer fietsen, die finale stond nog in de planning. Maar het ging regenen en de wedstrijd werd afgelast. Gelukkig, weet ik achteraf. Ik ken mezelf. Als dat niet was gebeurd, was ik gewoon op de fiets gestapt en die wedstrijd gaan rijden. En dan? Ik denk dat ik dan een hartstilstand had gehad. Dan was mijn kransslagader volledig dichtgegaan. Of je dan nog gereanimeerd kunt worden, weet ik niet. Ik stapte weer op de fiets en reed rustig de twee kilometer naar de campus waar we sliepen. Ik ging douchen, sloot daarna aan bij de rest van de groep in de eetzaal en alsmaar had ik die druk op mijn borst. We hebben een klein, hecht team. Bij ons worden altijd grappen gemaakt tijdens het eten, maar daar kreeg ik weinig van mee. Normaal gesproken blijf ik natafelen, nu zei ik: ‘Ik trap ’m aan jongens, ik ga naar bed.’ Ik kleedde me om en hoopte dat de benauwdheid en druk op mijn borst weg zou gaan. Achteraf denk ik: was ik wel goed bij mijn hoofd? Maar het punt is: ik heb iedere dag pijntjes als ik train. Een pijnlijk lichaam is het teken dat je verbetert, dat je sterker wordt. Daarnaast: twee keer per jaar werd ik al binnenstebuiten gekeerd, had ik een inspanningstest inclusief hartfilmpje. Ik was de gezondste van een gezin met drie kinderen. Het werd een klotenacht. Mijn arm lag steeds in de weg, alsof andermans arm aan mijn lichaam zat. Ik denk dat ik wel twintig keer wakker werd. De 21ste keer was ik er klaar mee. Ik besloot naar de wc te gaan. Alleen al van het opstaan, stond ik te zweten als een idioot. De wandeling over de gang naar die wc duurde voor mijn gevoel een half uur. ‘EEN HARTAANVAL. OP MIJN 24STE. RUIM TIEN UUR HAD IK IN DE RONDTE GELOPEN MET EEN HARTINFARCT’ Hartslag Continu had ik twijfel: stel ik me niet aan? Ga ik iemand wakker maken? Dat is ook zo rigoureus. Uiteindelijk heb ik toch mijn teamgenootje Laurine van Riessen gewekt. Ze zei: ‘Misschien moeten we toch naar René?’ René zei dat we naar het ziekenhuis moesten, ik twijfelde nog. Tot ik misselijk werd. Vanaf dat moment schreeuwde mijn lichaam écht moord en brand. Zelf probeerde ik rustig te blijven. Ik trok een trui over mijn slaapshirt, stapte in een trainingsbroek en pakte mijn fiets. Een auto hadden we niet. Het ziekenhuis lag gelukkig vlakbij de campus, op zo’n anderhalve kilometer afstand en de weg liep af. Hangend, met mijn ellebogen op het stuur, ben ik rond vijf uur ’s nachts naar beneden gerold. Op de eerste hulp ging het snel. Ik werd meteen op een stoel gezet, kreeg allemaal vragen. Mijn hartslag werd gemeten. ‘42, je bent sporter, logisch,’ hoorde ik. Ik schrok. Mijn hartslag was nog nooit zo laag geweest. Nu was ik vermoeid, had net gefietst én zweette als een otter. Ik kreeg allerlei plakkertjes op mijn lijf, mijn bloed werd afgenomen en er werd een röntgenfoto gemaakt. Steeds meer mensen kwamen kijken. Plots schoot mijn hartslag van 120 naar 60. Ik werd ineens zó beroerd. Alle mensen om mij heen raakten in paniek. Ik dacht: what the fuck! Help me alsjeblieft. Ga kijken wat er aan de hand is! De volgende morgen kwam een broeder langs. Hij zei: ‘Shanne, je hebt een hartaanval gehad.’ Dat was het eerste moment waarop ik het besefte. Toink! Een hartaanval. Op mijn 24ste. Ruim tien uur had ik in de rondte gelopen met een hartinfarct. GEDOTTERD Mijn rechterkransslagader bleek voor 99 procent dicht te hebben gezeten. Ik ben die nacht gedotterd, er is een stent geplaatst. Ga dat nieuws maar eens naar huis bellen, naar je moeder, je vader en je broers. Zo’n bericht brengt emoties los die je bij sommige mensen nooit eerder hebt gehoord. Zat ik daar in mijn eentje in een ziekenhuiskamer in Amerika. Ik heb wel wat afgejankt. Mijn ploeg – zij hadden het nieuws via de groepsapp meegekregen en moesten nog gewoon een wedstrijd rijden – kwam de eerste dag meteen langs. In wielerkleding. Ze bezochten me vaak, maar een groot deel van de tijd zat ik toch alleen. Keek ik tv, was er een meisje dat schrok en zei: ‘O, ik kreeg bijna een hartaanval.’ Hoe ironisch wil je het hebben? Zo’n grap heeft vanaf nu voor heel mijn leven een andere lading, besefte ik toen. Even later zat ik te balen toen Roger Federer stond te verliezen. Ik vol adrenaline, mijn hartslag omhoog, tot ik ineens dacht: o shit, is dit nu wel handig? Een kleine week later mocht ik naar huis. Gewoon, met de ploeg mee. Eigenlijk was het heel relaxed reizen: al mijn spullen werden voor me getild. En dan zie je je moeder op Schiphol, ja, dat was wel een emotioneel momentje. Zo’n hartinfarct brengt je dichter bij mensen. Personen die ik al een tijd niet had gesproken en zeiden: ‘Shanne, als jij er niet meer was geweest...’ De eerste weken voelde het alsof ik over iemand anders aan het vertellen was. Ging ik op internetfora zoeken naar mensen met vergelijkbare verhalen, kwam ik al snel in de 50-plusgroep uit. Dan las ik: ‘Nu ga ik meer op mijn eten letten en niet meer roken.’ Ja, dat deed ik al! Heel even dacht ik: verdomme, ik ben 24, waar heb ik dit aan verdiend? Maar die mindset heb ik al snel veranderd, kom je niet verder mee. Drie weken na mijn thuiskomst mocht ik onder begeleiding beginnen met revalideren. Ik bleef klachten houden. Eerst twijfelde ik, ik vertrouwde m’n lichaam natuurlijk niet meer en wist niet wat ik wel of niet serieus moest nemen. Na onderzoek bleek in september, zo’n twee maanden na dat infarct, dat de stent die ze in Amerika geplaatst hadden te klein was. Ze hadden er geen rekening mee gehouden dat sporters grotere aderen hebben. Het gevolg: nog meer schade bij mijn hart, nóg een operatie. Tot januari mocht ik niet intensief sporten. Of het daarna nog zou lukken, was de vraag. In januari kreeg ik groen licht van mijn sportcardioloog. Het beste nieuws dat ik kon krijgen. Tot die tijd dacht ik weleens: kan ik niet andermans hart stelen? ‘EN DAN ZIE JE JE MOEDER OP SCHIPHOL, JA, DAT WAS WEL EEN EMOTIONEEL MOMENTJE’ VERBETERDE VERSIE Het was de heftigste gebeurtenis uit mijn leven, maar dat hartinfarct heeft me ook positief veranderd. Ik ben een binnenvetter. Tot 2016 deelde ik het niet zomaar als ik me ergens aan ergerde, maar inmiddels zie ik dat je daar niets mee opschiet. Er kan zoveel energie verloren gaan aan irritaties. Ik ben ook socialer geworden en doe er nu meer moeite voor om vriendschappen te onderhouden. Nu merk ik pas dat het me goede energie geeft. Sinds januari heb ik hard getraind. Ik voel me weer gewoon mezelf. Of misschien zelfs een verbeterde versie met een hoop ervaring in de rugtas. Geregeld word ik gecontroleerd, maar in juli hoorde ik van de sportcardioloog: kom over een jaar maar terug. Het gaat dus goed. Ik heb geprobeerd de Spelen in Rio te halen, maar uiteindelijk bleek het door de IOC-eisen onmogelijk voor mij om me te kwalificeren en kon ik alleen mee als reserve. Hoewel ik inmiddels harder rij dan op het WK in 2015 waar ik zilver won. Dat voelde wel dubbel. In oktober is het EK in Parijs. Daar kijk ik naar uit. Dan is iedereen weer gelijk, zijn de punten van de UCI-ranking die iedereen tot de Spelen verzamelde, verdwenen en beginnen alle baanwielrenners opnieuw. Al voor de Spelen van Rio begon ik met kijken naar Tokio 2020. Daar wil ik heen. Ik heb nu al zin in die reis ernaartoe. Ik had natuurlijk kunnen denken: het is goed zo, ik ben er klaar mee. Maar het punt is, wielrennen is een liefde die bij mij nooit weg zal gaan.” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

‘Ik heb geleefd als een kopman’

Als het aan wielercommentator Stef Clement (38) [...]
Als het aan wielercommentator Stef Clement (38) had gelegen, was hij misschien nu nog wel profwielrenner geweest. En tegelijkertijd is hij heel blij dat hij het nu niet meer is. Een monoloog over het afsluiten van het oude en het omarmen van een nieuw leven. HET EINDE “Het afsluiten van mijn carrière had ik me nogal anders voorgesteld. Mijn laatste wedstrijd voor Lotto-Jumbo (het huidige Jumbo-Visma, red.) was de Ronde van Romandië in 2018. Maar op dat moment wist ik dat nog niet. Het blessureleed dat na die koers volgde, bleek aan het einde van het seizoen de reden om de contractverlenging niet door te zetten. Volgens de medische staf van de ploeg was ik niet meer geschikt om profwielrenner te zijn. Ik zag dat niet aankomen, was helemaal niet bezig met stoppen. Ik was juist na uitgebreide onderzoeken en goede gesprekken tot de conclusie gekomen dat ik het nog wilde proberen. Ook om te voorkomen dat ik achteraf spijt zou krijgen. Ik wilde revalideren en kijken wat er nog mogelijk was. Ik had ook verwacht dat het team me daarin zou steunen. Het kwam heel hard aan dat ze het anders zagen. Ik was het er ook niet mee eens, maar meer kan ik daar eigenlijk niet over zeggen. Daar zijn onderling afspraken over gemaakt. Er zijn in ieder geval een hoop gesprekken geweest en uiteindelijk is er een compromis uitgekomen. Maar absoluut, als het aan mij had gelegen was het anders gelopen. Ik denk dat het voor een topsporter de slechtst mogelijke manier is om te stoppen. Zo abrupt. Ik heb nog heel lang over renner zijn gedroomd, tot voor kort eigenlijk nog. Na het stoppen kreeg ik meteen een functie binnen de ploeg Lotto-Jumbo. Op de afdeling marketing en communicatie, als onderdeel van het compromis. Ik ging bijvoorbeeld reportages maken tijdens de hoogtestage. Dan stond ik ineens buiten op de parkeerplaats te wachten tot m’n oud-ploeggenoten naar buiten kwamen om er vervolgens in een auto achteraan te rijden. Dan voel je je echt totaal een buitenstaander, en voor mij was dat vooral heel pijnlijk omdat ik eigenlijk gewoon weer op de fiets wilde stappen en renner wilde zijn. Daarnaast snapten mijn oud-collega’s niet echt wat er nou was gebeurd, dus dat was verwarrend en zorgde voor onbegrip. De oplossing was goed bedoeld, maar achteraf kon het niet schrijnender. Het was eigenlijk alleen een oplossing voor het financiële aspect, maar het maakte het mentaal juist moeilijker voor me.” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

‘Ik heb bijna twee jaar niet op niveau kunnen rijden’

Wielrenner Sam Oomen (26) bulkt van het talent. [...]
Wielrenner Sam Oomen (26) bulkt van het talent. Maar naast hoge pieken kende zijn carrière tot nu toe ook diepe dalen. In aanloop naar de Vuelta (14 augustus-5 september) bespraken we met de renner van Team Jumbo-Visma zijn leven aan de hand van vijf muzieknummers. THE TALLEST MAN ON EARTH Wind and Walls “De muziek van The Tallest Man on Earth leerde ik een jaar of tien geleden kennen in de auto. Op zondagochtenden vertrok ik heel vroeg met mijn stiefvader naar wielerwedstrijdjes. In de ochtend luisterden we naar het programma Vroege Vogels op Radio 1, op de terugweg in de middag zette hij zijn eigen muziek op. Daar zaten nummers van The Tallest Man tussen. Het eerste nummer dat ik hoorde, vond ik meteen prachtig. Het was het nummer Wind and Walls. Ik wist niet eens waar hij precies over zong, zijn teksten zijn heel poëtisch, maar het raakte me wel. Sindsdien ben ik fan van zijn muziek. Als hij in de buurt optreedt, ga ik altijd naar zijn concerten. Live vind ik hem nog inspirerender en intenser dan via Spotify of de radio. Toevallig zat ik laatst weer eens op een zondagochtend vroeg in de auto. Ik had Vroege Vogels aangezet en kreeg meteen zo’n nostalgisch gevoel, want ik heb zulke mooie herinneringen aan die tijd. Passie voor het wielrennen heb ik al van jongs af aan. Ik ben altijd fan geweest van racen, speelde vroeger ook graag van die autoracespelletjes op de computer. Die drang om te racen kon ik ook heel goed kwijt op een racefietsje. Voetbal en judo heb ik ook geprobeerd, maar daar vond ik niks aan. Bij TWC Pijnenburg heb ik een keer meegedaan met een training en een wedstrijdje gereden. Ik kon meteen helemaal mijn ei kwijt in het wielrennen, met die snelheid. Als eerstejaars junior won ik vervolgens een wereldbekerwedstrijd in Zwitserland. Toen dacht ik voor het eerst: ik ben misschien wel bovengemiddeld goed. Daarna ging het in stapjes. Ik kwam bij het Rabobank Development Team terecht en had voor het eerst het idee dat ik ook profwielrenner kon worden.” JOHN MAYER In Your Atmosphere “Van dit nummer ben ik zo’n fan dat ik het ook heb leren spelen op piano en gitaar. Op de middelbare school heb ik er mee op het podium gestaan. Ik heb het me op alle mogelijke manieren eigen gemaakt, het voelde ook een beetje alsof het van mij was. Ik kan me ook vinden in de tekst. Het gaat erover dat als bijvoorbeeld je relatie is verbroken, je ook niet meer naar die plek wil gaan waar je samen altijd kwam. Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Demi Vollering: ‘Dromenjager’

Demi Vollering (24) is het boegbeeld van een [...]
Demi Vollering (24) is het boegbeeld van een nieuwe generatie Nederlandse wielrensters. De renster van SD Worx won Luik-Bastenaken-Luik en La Course, werd derde in de Giro Donna, vertegenwoordigde Nederland op de Spelen en is kanshebber op de wereldtitel (eind september in Leuven). Ik ben het gezicht van een nieuwe generatie Nederlandse wielrensters “Ik voel het niet zo, hoor, maar ik krijg de laatste tijd vaak dat stempel opgeplakt. Het is gelukkig ook niet zo dat ik het hele Nederlandse vrouwenwielrennen op m’n schouders hoef te dragen. Er zijn heel veel goede Nederlandse rensters. Kijk alleen al bij ons in de ploeg bij SD Worx, waarvoor ik sinds dit jaar rij. Amy Pieters, Chantal van den Broek-Blaak en Anna van der Breggen zijn stuk voor stuk geweldige rensters van wie ik veel leer. Ik vraag alles aan hen, ben weleens bang dat ze gek van me worden. Bij Anna kan ik blijven aankloppen, ze heeft zoveel geduld en legt me alles altijd rustig uit. Voor het NK tijdrijden reed ik bijvoorbeeld met Anna het hele parkoers en bij elke bocht vroeg ik informatie. Zij is zo goed in tijdrijden, ik wilde weten hoe ze de bochten aansneed en waarom. Of ik ging in haar wiel zitten om precies de lijnen te rijden zoals Anna die reed. Al die informatie probeer ik op te slaan. De laatste tijd val ik meer op door mijn resultaten. Met als hoogtepunt de overwinningen in Luik-Bastenaken-Luik en La Course dit jaar. Met Chantal heb ik goede gesprekken gevoerd over wat er gebeurt als ineens meer mensen naar me kijken en als de media me gaan volgen. We hadden het erover dat de Nederlandse media soms best hard kunnen zijn. Met Anna heb ik het daar ook weleens over. Zij houdt me voor dat ik me niet veel aan moet trekken van wat er wordt gezegd of geschreven. Zo is het ook. En een beetje kritiek op z’n tijd is ook niet erg, dat houdt me scherp. Vorig jaar bij het NK werd gezegd dat ik nog niet goed genoeg was voor de absolute top. Dat sloeg ik op. Ik dacht: wacht maar. Vorig jaar werd ik derde in La Course en tijdens de wedstrijd kwam die opmerking naar boven borrelen toen ik het heel zwaar had. Ik dacht: mooi niet dat ze straks weer over me kunnen zeggen dat ik nog niet goed genoeg ben voor de top. Het was voor mij de motivatie om nog dieper te gaan.” Ik had liever in de schoenen van Antoinette de Jong gestaan “Nee. Ik heb met wielrennen mijn bestemming gevonden. Vijf jaar geleden stond ik tijdens de Olympische Spelen in Rio aan de voet van de Mont Ventoux met mijn schaatsvereniging, had ik nog de droom om als schaatser naar de Spelen te gaan. Veel wielrennen keek ik niet in die tijd. Tijdens de Spelen in Rio was ik vooral bezig met mijn neef Joost van der Burg die in 2016 als baanwielrenner meedeed. Hij kwam ten val op de ploegenachtervolging, vreselijk vond ik dat. Joost en zijn zus Nancy, die nu voor Jumbo-Visma fietst, waren van jongs af aan mijn grote voorbeelden. Zij reden al op jonge leeftijd wedstrijden op de fiets en dat wilde ik ook. Vooral mijn nicht was mijn voorbeeld, niet voor niets noemde ik al mijn barbies Nancy. Ik kwam heel vaak bij mijn oom en tante over de vloer, zat daar elk weekend en in de vakanties. Ik ben zelf de oudste thuis, zij voelden als mijn oudere broer en zus van wie ik de kunst af kon kijken en ik keek echt tegen hen op. In het begin reed ik wat dikkebandenraces, mocht van m’n ouders op m’n tiende bij de wielerclub waardoor ik in de weekenden toertochtjes met kinderen van mijn leeftijd kon rijden vanuit Pijnacker, waar ik vandaan kom. Ik kom uit een gezin met vier kinderen, thuis staat veel in het teken van de bloemkwekerij van mijn vader en oom, waarin het vooral draait om snijhortensia’s. Tijd om met mij het land door te rijden voor wedstrijden op de racefiets was er niet. Daarom bleef het lang bij dikkebandenraces. En in de wintermaanden schaatste ik bij de ijsvereniging in de buurt. Op mijn zestiende reed ik mijn eerste wedstrijden op de racefiets. Er werd al wel gezegd dat ik een goede techniek en het juiste postuur had, maar een trainer had ik niet. Ik kreeg wel een papiertje mee met wat trainingen, maar die vond ik niet zo interessant. Ik fietste twee keer in de week en dat was het. In vergelijking met mijn leeftijdgenoten stelde het niets voor. De meeste tijd stak ik in het schaatsen, dat ging me veel beter af. In de zomer skeelerde ik ook veel. Mijn schaatstrainer was de eerste die me wat fietstraining gaf. Ik merkte meteen dat ik beter ging fietsen. Maar: ik kwam ineens niet meer in de buurt van mijn persoonlijke records op de schaats. Ik snapte er niets van, raakte gefrustreerd. In die periode leerde ik mijn vriend Jan kennen. Hij was amateurwielrenner en nam me mee op fietstraining naar de Ardennen. Hij merkte dat ik snel herstelde na inspanningen en zei toen: ‘Volgens mij kun je beter voor het wielrennen kiezen. Ik denk dat je heel veel talent hebt.’ Ik was in het begin heel boos dat hij dat zei, wilde gewoon schaatsen en vond het leuk en we hadden zo’n mooie groep, dat wilde ik niet zomaar opgeven. We gingen zelfs in de zomer met elkaar op vakantie. Het was m’n lust en m’n leven. Ik riep altijd dat ik nooit zou stoppen met schaatsen. Bovendien: ik was al twintig, moest ik op die leeftijd nog volledig voor het wielrennen kiezen? Maar ik zag ook in dat ik steeds beter begon te fietsen. Ik ging bij de Swabo-ploeg rijden en daar was Stefan van Klink mijn ploegleider. Hij werd mijn eerste echte fietstrainer, zei meteen: ‘Ik denk dat we van jou wel een profrenster en goede klimmer kunnen maken.’ Ik maakte met hem een doelenlijst voor het eerste, tweede, derde en vierde jaar. De doelen die ik voor mijn vierde jaar had opgeschreven, haalde ik al in m’n eerste jaar... Stefan liet me niet alleen maar wedstrijden op het vlakke rijden, maar ook in Zweden en Thüringen. Stond ik opeens op het podium. Het klimwerk heeft mij altijd gelegen. Ik dacht vroeger altijd dat ik totaal geen sprintster was, maar de laatste tijd is duidelijk geworden dat na een flinke inspanning ik nog best explosief ben. Voor mij is het ideaal om een koers zwaar te maken. Na een zware inspanning ben ik vaak een van de snelste klimsters die nog over zijn. Toen ik bij het NK in 2018 en daarna in de Ardèche ook nog eens heel goed reed, kreeg ik ineens aanbiedingen van tal van profploegen. Ik koos voor Parkhotel Valkenburg. Schaatsen vind ik nog steeds fantastisch. De snelheid op het ijs, vol gas de bocht in vliegen. Het lijkt me geweldig om technisch zo goed te kunnen schaatsen als Antoinette de Jong. Ik heb afgelopen jaar helaas helemaal niet op het ijs gestaan. Toen er hier in Nederland natuurijs lag, zat ik in Spanje. Daar baalde ik enorm van. Mijn collega Lonneke Uneken, die ook veel heeft geschaatst, en ik zaten constant op onze telefoons alle filmpjes van natuurijs te kijken. Wij fietsten vier uur lang in de zon, maar wij wilden juist lekker in de vrieskou zijn. Ik heb nog veel vriendinnen uit de tijd dat ik schaatste. Van onze groep is helaas niemand echt doorgebroken als schaatsster.” ‘Ik riep altijd dat ik nooit zou stoppen met schaatsen. Bovendien: ik was al twintig, moest ik op die leeftijd nog volledig voor het wielrennen kiezen?’ Ik ben goed, maar mijn zusje Bodine is nog veel beter “Dat zou best kunnen. Bij Bodine ging vroeger altijd alles zo makkelijk. Mijn zusje heeft veel talent. Ze deed er niet eens haar best voor en toch won ze. Ze kwam over de finish en zei: ‘Ik had nog wel drie rondjes kunnen rijden.’ Ik dacht dan vaak: waarom fiets je dan niet anders, want dan kun je ook wegrijden en solo aankomen. Dat mentale deel is ook belangrijk als je de top wil halen, ik denk dat mijn zusje nog wel moet leren ergens hard voor te vechten. Bodine is nu achttien, als ze bereid is om echt te gaan werken, dan kan ze ook heel ver komen. Vorig jaar is ze geslaagd voor de havo. Ze besloot daarna voor het vwo te gaan. Tegen mijn vriend Jan zei ze: ‘Ik heb nooit in mijn leven ergens hard voor moeten werken, nu ga ik dat eens doen: ik ga voor het vwo.’ Ik vind het mooi dat ze die inzichten krijgt. Ik heb het er eigenlijk nooit over met mijn zusje hoe mooi het zou zijn om ooit samen in het peloton te rijden. Dat doe ik expres niet, want ik wil haar geen druk opleggen. Bovendien is het goed dat ze eerst haar school afmaakt. Maar laatst kwam Bodine er zelf een keer mee. We hadden het aan de eettafel over haar toekomst. Uit het niets zei ze: ‘Ik kan jou toch ook gaan helpen op de fiets? Misschien kan ik voor jou de sprint aan gaan trekken.’ Ik vond het leuk dat ze daar zelf mee kwam. Bodine is de jongste bij ons thuis. Daarboven zit Nena, die ook heeft gefietst, maar een studie verpleegkunde is gaan doen. Vervolgens mijn broertje Jake, en ik ben de oudste. Een paar jaar geleden vlogen we elkaar nog weleens in de haren. Toen ik serieus begon met fietsen, zaten mijn zusjes allebei in de puberteit. Ze wilden niks van me weten, vonden het allemaal maar gedoe met mij. Als ik me met hen bemoeide, vonden ze dat bloedirritant. Als ik er wat van zei dat ze een zak chips leeg zaten te vreten, dan riepen ze: ‘Als ik chips wil eten, dan eet ik chips!’ Mijn moeder zei vaak: ‘Probeer eens vriendinnen van elkaar te zijn.’ Dan zei ik dat ik het wel probeerde, maar dat die meiden het echt niet wilden. Bodine was een vervelende puber, zette zich echt tegen me af. Laatst zei ze: ‘Ik was in die tijd echt niet aardig tegen jou, hè?’ Nu is de band met Jake, Nena en Bodine heel goed. Ieder heeft z’n eigen ding, we zitten niet veel meer op elkaars lip. Heel veel hebben we het niet over fietsen als ik thuis ben, hoeft ook niet. We zijn een nuchter gezin. Ik merk wel dat ze heel trots op me zijn. Toen ik Luik-Bastenaken-Luik won, in april dit jaar, was iedereen zo blij. En ook toen ik hoorde dat ik bij de olympische ploeg zat. Nena en Bodine zaten met elkaar te kletsen toen ik het telefoontje van bondscoach Loes Gunnewijk kreeg en hoorde dat ik in Tokio de wegwedstrijd mocht rijden. Ik werd heel emotioneel. Mijn zusjes zagen me huilen en kwamen meteen naar me toe. Ze vroegen: ‘En? Je gaat, hè!’ Tussen mijn tranen door kon ik zeggen: ja, ik ga. M’n zussen waren door het dolle heen. Zo mooi. Nu ik eraan denk, begin ik weer te huilen... Mijn zussen maakten er meteen een grap van, zeiden: ‘Je moet nu naar beneden gaan en tegen mama zeggen dat je niet gaat. Maar dan moet je wel blijven huilen, hè.’ Dat wilde ik wel proberen. Mijn moeder was de was aan het opvouwen toen ik zei dat ik niet naar de Spelen ging. Maar heel lang kon ik het toneelspel niet volhouden. Toen ik m’n moeder vertelde dat ik naar Tokio ging, knuffelde ze me. En m’n zusjes deden dat ook. We waren allemaal zo blij. Daarna zeiden we tegen elkaar: ‘Kom, we gaan het papa vertellen.’ Ik liep de tuin in en mijn zusjes renden achter me aan. Het raakt me nu nog zo omdat mijn grote droom uitkwam en dat het hele gezin er zo mooi op reageerde. Ik ben nooit zo goed met woorden, ook thuis niet. Dat heb ik van mijn vader. Mijn vader en ik voelen elkaar altijd heel goed aan. We zijn geen praters, meer binnenvetters, maar kunnen tegelijkertijd wel emotioneel worden. Bij mij komen de tranen als ik ergens heel bewust bij stil ga staan. Toen ik Luik-Bastenaken-Luik won, zei ik tegen mezelf: niet aan papa en mama denken, want dan komen de tranen. De weg die ik heb afgelegd om te komen waar ik nu ben, emotioneert me. Na een overwinning denk ik snel aan mijn ouders, broer en zusjes, opa’s en oma’s en natuurlijk Jan. Als ik dan bedenk dat ze zo trots op mij zijn... Ja, dan komen de tranen.” ‘Toen ik Luik-Bastenaken-Luik won, zei ik: niet aan papa en mama denken, dan komen de tranen. De weg die ik heb afgelegd om te komen waar ik nu ben, emotioneert me’ Zonder mijn vriend Jan had ik nu in de bloemkwekerij van mijn vader gewerkt “Dat zou best kunnen. Vanaf m’n twaalfde werkte ik al mee in de kas om een zakcentje te verdienen. Ik deed vaak de rotklusjes, zoals onkruid wieden. De interesse voor de natuur en liefde voor planten kreeg ik van jongs af aan mee. Na de middelbare school heb ik de opleiding Flower Design gedaan en ik heb in bloemenwinkels gewerkt. Boeketten maken vond ik heel leuk. Ik heb ook veel bruidsboeketten gemaakt. Zoiets zou ik wel weer leuk vinden om te doen in de toekomst. Het bedrijf van mijn vader overnemen is een ander verhaal. Aan mijn vader zie ik hoeveel tijd en aandacht het kost, hij kan moeilijk weg, is dag en nacht bezig. Maar hoe het er bij ons thuis aan toeging, heeft me wel mede gevormd als mens en wielrenster. Mijn ouders zijn niet van het stilzitten, dus als mijn zusjes, broertje of ik even niets aan het doen waren, zei mijn moeder vaak: ‘Ga maar even onkruid wieden of vragen of je vader nog wat te doen heeft.’ Ik was al snel zelfstandig en nooit te beroerd om de handen uit de mouwen te steken. Ik zie van jongs af aan dat mijn ouders altijd hard aan het werk zijn zonder te zeuren. Dat neem je over. Toen het fietsen serieuzer werd, lag ik na een training geregeld op de bank. Dat was even wennen voor m’n ouders. Kwam m’n moeder zuchtend voorbij met de stofzuiger in de hand. Zei ze: ‘Heb je niets beters te doen?’ Mijn ouders begrepen niet zo goed dat je als sporter ook af en toe je rust moet pakken. Ze zeiden: ‘Rusten? Ga gewoon aan het werk, daar word je ook sterker van. Je bent nog jong, dus je kunt een hoop aan.’ Het wielrennen werd echt serieus toen Jan in m’n leven kwam. We leerden elkaar kennen via Instagram. Ik zag een foto van Zwitserland voorbijkomen. Ik heb de foto geliket, zonder te weten van wie die was en ik kreeg een like terug en dacht meteen: dat is een leuke jongen. We raakten aan de praat. Eerst vooral via Instagram en WhatsApp. Na een tijdje hadden we een echte date. Jan kon mij niet echt goed peilen. Ik ben best rustig, praat niet heel veel uit mezelf, ben best verlegen. Er waren soms van die stiltes tijdens die eerste date. Jan is een makkelijke prater, wist niet precies wat die stiltes betekenden. Toen we weer naar huis gingen, gaven we elkaar een knuffel. Ik zei: tot de volgende keer. Ik schrok van m’n eigen opmerking, dacht meteen: misschien vond hij het helemaal niet leuk met me. Dus toen zei ik er snel achteraan: toch? Een volgende keer kwam er al snel. We waren allebei niet zo op zoek, kwamen net uit een relatie, maar we vonden elkaar zo leuk, dat we er al snel niet meer omheen konden. Jan helpt me zo goed, kan heel goed praten en is ook mijn manager. Hij is ook iemand die me motiveert, ik heb soms toch die schop onder m’n kont nodig. Dankzij Jan heb ik dus de stap gemaakt om echt voor het wielrennen te gaan, vier jaar terug. Het was eng, want ik had ineens geen inkomen meer. Ik had wel gespaard, ben best zuinig en doe niet vaak grote uitgaven. Ik woonde thuis, dat scheelde. En Jan hielp met alles, had wel een inkomen. Door hem stond ik er niet alleen voor. Terugkijkend is het natuurlijk een geweldige stap geweest. Het is zo mooi dat we dit allemaal samen meemaken. Ik ben Jan zo dankbaar voor alle steun.” Mijn geheim is de Zwitserse berglucht “Misschien wel. Als ik bij Jan in Zwitserland ben geweest en daar heb getraind, merk ik dat ik meteen weer harder fiets. Ik kan daar in de bergen trainen en de schone lucht is natuurlijk ook heerlijk. Ik vind het ook zo relaxed daar. In Nederland ben ik veel meer afgeleid. Er zijn altijd afspraken. Als ik in Zwitserland ben, hoef ik verder niets. Kan ik trainen zonder afleiding. Daarna lekker rusten. Ik neem vaak Flo, de hond, mee naar Zwitserland. Kan ik in de zomer nog een stukje lopen met de hond. In de winter gaat ze ook mee als Jan en ik gaan toerskiën. Dat heb ik daar ook helemaal opgepakt. Met ski’s lopen we dan eerst een berg op, om als we boven zijn samen naar beneden te skiën. Jan komt uit Zeeland. Op onze eerste date zei hij meteen: ‘Ik ga wel ooit in Zwitserland wonen, want dat lijkt me zo mooi.’ Hij was er al meerdere keren geweest op vakantie. Ik heb hem aangemoedigd die stap te zetten. Jan is toen met zijn broer weer drie weken op vakantie gegaan naar Zwitserland, heeft rondgereisd en de Mont Blanc beklommen en tussendoor gesolliciteerd voor een baan als operatieassistent in het ziekenhuis in Luzern. Hij was aangenomen, maar moest alleen nog een talencursus doen, omdat zijn Duits niet goed genoeg was. Toen we bijna een jaar een relatie hadden, is Jan naar Zwitserland verhuisd. Dat was in oktober 2017. We proberen elkaar zoveel mogelijk te zien. Jan werkt inmiddels in Basel als afdelingshoofd OK en studeert daarnaast. Hij werkt lange dagen doordeweeks en komt vaak in de weekenden naar Nederland. Of ik ga naar Jan toe op dagen dat hij vrij is.Voor mijn gevoel zijn we best vaak samen en als we samen zijn, hebben we ook echt tijd voor elkaar. ‘Het gaat nu allemaal heel goed, maar ik moet wel blijven presteren. Ik wil voorkomen dat ze van mij kunnen zeggen: ‘Die Demi was een eendagsvlieg’’ Ik zou in de toekomst heel graag samen in Zwitserland willen gaan wonen. Het leven daar trekt mij net wat meer dan hier. De bergen, de schoonheid, de rust. Als kind zou het me ook heel mooi lijken om in Zwitserland op te groeien. Dat is nog een extra reden om in de toekomst daar te gaan wonen... Ik vind het mooi om te zien dat de mensen in Zwitserland met het gezin in de weekenden de bergen in trekken. Om te sporten of lekker ergens te picknicken. Of ze nemen vlees mee en maken een vuurtje van hout dat er ligt. Dat ziet er altijd zo mooi en gezellig uit. Dat wil ik ook voor mijn kinderen.” Nog zes jaar en dan ga ik Anna van der Breggen achterna “Wat Anna allemaal heeft gewonnen: olympisch goud, wereldtitels, de Giro Rosa meerdere keren. Geweldig. Daar kan ik alleen maar van dromen. Anna stopt na dit seizoen op haar 31ste, voor mij begint het nu allemaal. Ik win wedstrijden en hoop dat de komende jaren zoveel mogelijk te blijven doen. Anna wordt ploegleidster bij SD Worx en heeft een kinderwens. Ik heb vroeger al veel training gegeven en vond dat heel leuk om te doen. Ik vind het leuk om kinderen te inspireren en motiveren om te sporten en lekker buiten te zijn. Dat zou zomaar iets kunnen zijn voor mij over een paar jaar. Of zelf een ploegje opzetten. Het opleiden van rensters lijkt me heel tof. Ik help nu ook heel graag. Meiden met wie ik heb gefietst, vertel ik ook dat ze me altijd mogen bellen voor tips. En daar maken ze soms ook gebruik van. Ik knijp mezelf in m’n arm wat ik allemaal meemaak. Soms sta ik er weleens bij stil, denk ik: goh, het is wel heel gaaf allemaal. Het gaat nu allemaal heel goed, maar ik moet wel blijven presteren. Ik wil voorkomen dat ze van mij kunnen zeggen: ‘Die Demi was een eendagsvlieg.’” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.