Word abonnee

Wielrennen

Wielrennen

Merijn Zeeman: Met de fiets naar bed

Bijna alles wat wielerploeg Jumbo-Visma aanraakte, veranderde [...]
Bijna alles wat wielerploeg Jumbo-Visma aanraakte, veranderde afgelopen tijd in goud. Met Tom Dumoulin, Primoz Roglic én Steven Kruijswijk beschikt de wielerploeg in de Tour de France - als die doorgaat - zelfs over een driekoppig monster. Sportief directeur Merijn Zeeman (41) is een van de architecten van het succes. We leggen hem tien stellingen voor. Ook in mijn dromen gaat het over wielrennen Lachend: “Ontkennen heeft geen zin. Wielrennen is voor mij een diepgewortelde passie, het is veel meer dan werk. Eerst was ik zelf wielrenner en op m’n 22ste ging ik al aan de slag als ploegleider bij Skil-Shimano. Als sportief directeur bij Team Jumbo-Visma ben ik nu op een niveau actief waarvan ik weet dat ik er 24/7 mee bezig moet zijn. Altijd denk ik: hoe kunnen we nog beter worden? Dat vind ik prachtig om te doen, maar het is ook erg intensief. Thuis weten ze niet beter dan dat ik altijd bezig ben met m’n werk. Ik heb mijn vrouw leren kennen tijdens m’n studie Bewegingswetenschappen, dus die wist toen al hoe laat het was. Natuurlijk probeer ik ook mijn momenten van ontspanning te pakken. Ik ben vader van twee kinderen. Met mezelf heb ik de afspraak gemaakt dat het niet zo mag zijn dat als mijn kinderen uit huis gaan, ze kunnen zeggen dat ik ze eigenlijk niet heb zien opgroeien. Ik breng mijn kinderen zo vaak mogelijk naar school. Woensdag aan het einde van de middag is de atletiektraining van m’n zoon, daar probeer ik altijd bij te zijn. Onze skivakantie staat ook altijd vast in m’n agenda. Maar dan is het niet zo dat ik zeven dagen lang niet bereikbaar ben, hoor. Ook tijdens de wintersport ben ik altijd een paar uur bezig met het team en de sporters. Weet je wat het bij mij is? Ik wil graag het beste van twee werelden meekrijgen.” Leuk al die schouderklopjes, maar ik weet ook hoe het voelt om uitgelachen te worden “Dat weet ik zeker! Toen ik eind 2012 de overstap maakte, heette de ploeg nog heel even Rabobank. Daarna werd het Team Blanco en weer iets later Belkin. In 2013 en 2014 hebben we nog prima jaren gehad. Destijds brak het Nederlandse wielrennen net weer door. In 2015 werden we LottoNL-Jumbo en uitgerekend toen hadden we een heel slecht jaar. Ik kreeg als hoofdcoach alles over me heen. De resultaten waren niet goed, terecht dat daar over werd geschreven. Maar ik had ook mijn eigen waarheid en die kwam niet altijd overeen met wat werd beweerd in de media. Dat was soms frustrerend. 'Foodcoach is een project geworden dat in mijn ogen baanbrekend is in de internationale professionele sport' Op zulke momenten zijn er ook beleidsbepalers die wegduiken, maar dat doe ik nooit. Ik neem altijd de verantwoordelijkheid, heb heel veel klappen opgevangen. Het was absoluut geen leuke tijd; ik voelde me soms eenzaam, maar het was ook heel leerzaam. Eind 2016 kreeg ik de kans om mijn filosofie uit te rollen. Tot die tijd was ik vooral coach in de auto, dat zorgde ervoor dat mijn focus vaak gericht was op een kleinere groep. Algemeen directeur Richard Plugge en de sponsors vroegen me eindverantwoordelijke van het sportieve beleid te worden. Ik ben en voel me nog steeds coach, maar nu met de opdracht de grote lijnen te bewaken. Ik heb mijn draai helemaal gevonden en gelukkig gaat het goed.” Jac Orie, coach van de schaatstak van Team Jumbo-Visma, is mijn mentor “Ik zou Jac veel eerder bestempelen als mijn sparringpartner. Neemt niet weg dat ik heel veel van hem heb geleerd. Na 2016 leidde een interne evaluatie tot de conclusie dat de begeleiding rond de ploeg professioneler moest. Vanaf 2017 hebben hoofd performance Mathieu Heijboer en ik drastische maatregelen doorgevoerd op het gebied van training en daarbij hebben we zeker heel goed gekeken en geluisterd naar Jac. Hij heeft een enorme kennis van presteren, dat gaat van teamdynamiek tot en met de kleinste details in de training. Jac is van het meten en weten, is een fenomeen op het vlak van gerichte training. De inspanningsfysiologie, het maken van een trainingsprogramma op maat; daar heb ik veel van opgestoken en ben ik hem heel dankbaar voor. Het is mooi dat we binnen Jumbo-Visma die kennis met elkaar kunnen delen, dat is echt een groot pluspunt van de constructie zoals die nu is. Jac en ik hebben veel over onze werkwijze gesproken, hoe je daar anders naar zou kunnen kijken en of we dingen samen zouden kunnen gaan proberen. Ik heb in samenwerking met Jumbo het Foodcoach-programma opgezet. In navolging van de wielerploeg zijn we dat nu bijvoorbeeld ook aan het implementeren bij de schaatsploeg. Voor Jac en zijn ploeg is die Foodcoach-app ook een enorme meerwaarde.” Helden Magazine 52 Het eerste gedeelte van het verhaal van Merijn Zeeman komt voort uit Helden Magazine nummer 52.  In de 52ste editie van Helden schittert Louis van Gaal de cover. Met hem blikken we terug op zijn indrukwekkende carrière. Ook tal van mensen die met de trainer hebben gewerkt komen aan het woord. Harrie Lavreysen, Alexander Brouwer, Niek Kimmann, Kim Polling, Kira Toussaint, Frédérique Matla, Femke Heemskerk, Ranomi Kromowidjojo, Ferry Weertman en Marit Bouwmeester zouden afgelopen zomer schitteren op de Olympische Spelen in het land van de rijzende zon. Het coronavirus gooide echter roet in het eten. Helden fotografeerde de sporters bij wie alles al een tijd draait om Tokio op een bijzondere wijze in ‘Tokiogangers’ In deze editie gaan wij ook terug in de tijd. Pieter van den Hoogenband won twintig jaar geleden olympisch goud op de 100 en 200 meter vrije slag en Joop Zoetemelk won veertig jaar terug als laatste Nederlander de Tour de France. Daarnaast was John Heitinga met Oranje tien jaar terug dicht bij de wereldtitel en won Rinus Israel vijftig jaar geleden de Europa Cup I met Feyenoord. Het was ook dertig jaar geleden dat Mike Tyson zijn wereldtitels en zijn status van onoverwinnelijkheid verloor, bereikte Andre Agassi voor het eerst een grandslamfinale én blikken onder meer uitblinkers Dennis Bergkamp, Frank de Boer en Patrick Kluivert terug op de behekste wedstrijd uit 2000: Nederland – Italië. Verder in de 52ste editie van Helden staat Jackie Groenen oog in oog met ‘Het Melkmeisje’ van Vermeer. Kiran Badloe won de strijd met vriend, trainingsmaat én concurrent Dorian van Rijsselberghe. Een exclusief gesprek met Chris Froome over onder meer zijn horrorcrash. Ook lees je hoe overleven voor Johan van der Velde gesneden koek is en verteld Elsemieke Havenga hoe ze tweemaal olympisch goud had kunnen hebben. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Joop Zoetemelk: ‘Ik ben me niet anders gaan gedragen’

Joop Zoetemelk (73) won veertig jaar geleden als [...]
Joop Zoetemelk (73) won veertig jaar geleden als laatste Nederlander de Tour de France. En 35 jaar terug was hij voor Mathieu van der Poel ook de laatste Hollander die de wereldtitel op de weg pakte. We gaan met Joop terug naar 1980 en 1985 en leggen hem de namen voor van mensen die een grote rol in zijn loopbaan en leven speelden. Maar we bespreken met hem ook de wielerhelden van nu. Peter Post “Ik deed in 1980 voor de tiende keer mee aan de Tour de France. Al vijf keer was ik tweede geworden en ik had er eerlijk gezegd niet meer op gerekend dat ik de Tour ooit nog zou winnen. Maar ik hoopte er natuurlijk nog wel op. In 1979 won ik immers de Vuelta.” Peter Post was de grondlegger van TI-Raleigh. In 1974 werd de ploeg opgericht met Post als veeleisende ploegleider. De ploeg groeide uit tot een van de sterksten van het peloton, met renners als Jan Raas en Gerrie Knetemann werden de overwinningen aaneengeregen. Maar de eindzege in de Tour ontbrak nog. “Peter Post had me al een paar keer benaderd. ‘Kom bij ons, kom bij ons,’ zei hij steeds tegen me. Ik vertelde hem dat ik bij mijn Franse ploeg Miko-Mercier mijn eigen programma kon rijden. Ik zat goed, vond ik. Tot Post in 1979 weer kwam. Toen waren de ploegentijdritten heel belangrijk in de Tour, de ploeg van Post won die vaak en ik verloor met mijn ploeg in 1978 en 1979 zo’n drie minuten op Bernard Hinault in die ritten. Dus ik dacht dat ik bij Raleigh in elk geval die drie minuten winst zou kunnen pakken. Zo werden we het eens. Ik wist natuurlijk hoe Post in elkaar stak. Dus toen ik tekende, heb ik hem gezegd dat hij me niet achter mijn vodden moest zitten, dat ik koersen reed voor mezelf en dat hij me vrij moest laten in de wijze waarop ik me voorbereidde, dat ik het zou doen zoals ik het altijd deed. Hij zei dat hij wist hoe ik leefde voor mijn sport en dat hij me m’n gang zou laten gaan. Hij heeft me ook nooit opgejaagd of zo.” Post had Joop maar met één doel naar zijn ploeg gehaald: hij moest de Tour winnen. Hoog waren de verwachtingen bij aanvang van de Tour van 1980 desondanks niet. “Dat ik de Tour kon winnen dat jaar, rekende ik helemaal niet op. Ik was heel slecht uit de Ronde van Zwitserland gekomen, de laatste voorbereidingskoers voor de Tour en ik had in de laatste etappes te kampen met enorme maagproblemen. Ik stond de voorlaatste dag aan de leiding, maar in de laatste etappe kon ik helemaal niet meer volgen en verloor ik de ronde. Bij het daaropvolgende NK op de weg, vlak voor de start van de Tour, was ik zo slecht dat ik moest afstappen. Meteen na dat NK ben ik even naar mijn huis in Frankrijk gegaan om mezelf zo goed mogelijk te verzorgen, maar ik had er geen enkel vertrouwen in dat ik iets zou klaarmaken in de Tour. Mijn conditie was vreselijk slecht. Dat Bernard Hinault de proloog won, was op zich niet zo verrassend. Als we allebei in topvorm waren, klopte hij me ook in de tijdrit. Maar ik was slechter dan normaal, verloor bijna een minuut en dat was veel te veel voor een proloog. In de eerste etappes ging het nog steeds niet geweldig met me. Bovendien reed iedereen in de ploeg voor zichzelf. We hadden met Raas en Knetemann natuurlijk renners die ook hun etappes wilden winnen. Jan Raas won meteen de eerste etappe. We wonnen daarna de ploegentijdrit, waardoor ik wat tijd terugpakte. Maar Hinault won de vierde etappe – de eerste echte tijdrit – en de vijfde etappe over de kasseien naar Lille.” [caption id="attachment_18131" align="alignnone" width="2325"] Achttiende etappe Ronde van Frankrijk, van Morzine naar Prapoutel. V.L.N.R.: Joop Zoetemelk, Raymond Martin & Johan van der Velde.[/caption] In de vijfde etappe, die in de stromende regen werd gereden, verloor Joop twee minuten en elf seconden op vluchters Hinault en Hennie Kuiper. Na de eerste week reed Rudy Pevenage in het geel. Maar Hinault had ruim drie minuten voorsprong op Kuiper en bijna vier minuten op Joop. “Ik heb in mijn carrière te maken gehad met twee renners die als ze in vorm waren, iets beter waren dan ik, eerst Eddy Merckx en daarna Bernard Hinault. Beiden waren met name in tijdritten beter.” Eddy Merckx “Met Merckx heb ik nog steeds geen contact. We liggen elkaar niet.” De Kannibaal won de Tour in 1969 bij zijn debuut. Een jaar later reed de anderhalf jaar jongere Joop zijn eerste Tour. Hij pakte op z’n 23ste voor het eerst het geel, maar werd uiteindelijk tweede, ruim twaalf minuten achter Merckx. In 1971 was de uitslag hetzelfde, toen zat er bijna tien minuten tussen de twee. Na een vijfde plek in 1972 en een vierde plek in 1973 leek Joop in 1974 klaar voor de eindzege in de Tour. Hij won dat jaar de Ronde van Romandië, de Catalaanse Week en Parijs-Nice. Maar in de Midi Libre ging het vreselijk mis, Joop kwam zwaar ten val. 'Met Hinault ben ik nog steeds heel goed. In de koers waren we concurrenten, maar buiten de koers collega's. Ik was op zijn zestigste verjaardag, we komen bij elkaar thuis' “In 1973 won de Spanjaard Luis Ocaña de Tour, hij was echt de sterkste, maar in 1974 was ik in topvorm en klaar om zowel Merckx als Ocaña te kloppen. Toen kwam die vreselijke val. Achteraf bleek dat ik door die val onder mijn schedel een rotsbeenfractuur had opgelopen. We reden zonder helm, destijds droeg niemand ze. Ze hadden in het ziekenhuis foto’s gemaakt, maar die breuk niet gezien. Ik heb 24 uur op een zaal gelegen zonder dat er een arts of verpleegster naar me is komen kijken. Ik lag daar nog met mijn koersbroek en koerstrui aan. Ze hebben me gewoon aan mijn lot overgelaten en nooit gedacht dat er iets ernstigs met me aan de hand kon zijn. Zo ben ik naar huis gegaan. Eenmaal thuis begon het: misselijk, overgeven, vreselijke hoofdpijn. Ik werd doodziek. Bleek dat ik een ernstige hersenvliesontsteking had opgelopen. Toen was ik wel boos. De verzekering is ook een rechtszaak begonnen, maar wat schoot ik daarmee op? Mijn jaar was kapot, ik kon dat seizoen niets meer.” Joop miste de Tour, die voor de vijfde maal werd gewonnen door Merckx. “Ik kon niets meer. Ook het jaar daarop was ik nog niet hersteld. In de eerste koersen van 1975 kwam ik telkens in de laatste groep over de finish, ik heb verschrikkelijk afgezien. Dat was ik niet gewend. Het liep voor geen meter. Ik had in de winter gedaan wat ik altijd deed, maar kon niet presteren als voorheen. Toen vreesde ik wel even voor mijn carrière. Maar ineens won ik twee etappes in de Ronde van Corsica en meteen daarna Parijs-Nice. Ik kreeg meteen na Parijs-Nice een telegram van de arts die me na de hersenvliesontsteking had behandeld en verzorgd. ‘Met Hinault ben ik nog steeds heel goed. In de koers waren we concurrenten, maar buiten de koers collega’s. Ik was op zijn zestigste verjaardag, we komen bij elkaar thuis’ Hij zei dat ik hem had verrast, dat hij het me niet had durven vertellen, maar dat hij zich had afgevraagd of ik ooit weer op topniveau terug zou keren. Ik heb er bijna drie jaar over gedaan om echt te herstellen en weer mijn grote vorm te vinden. Ik kon wel fietsen, maar niet zoals ik gewend was. Doodzonde, want in de jaren tussen Merckx en Hinault was ik daardoor niet op mijn best. In 1975 en 1977 won Bernard Thévenet de Tour en in 1976 Lucien Van Impe. Dat hadden mijn jaren moeten zijn. Ik werd in 1976 wel weer tweede in de Tour, had wel goede dagen, maar ook inzinkingen die ik normaal niet had. Pas in 1978 was ik weer op mijn oude niveau. Maar ja, toen was Hinault er en die won meteen bij zijn debuut. Het jaar daarop, 1979, noem ik wel het beste jaar van mijn carrière. Dat jaar won ik als tweede Nederlander – Jan Janssen was de eerste in 1967 – de Ronde van Spanje. Toen voelde ik al wel dat ik weer het niveau haalde van 1974 en echt mee kon doen. Maar ja, Bernard hè!” Bernard Hinault “Ik kon maar beter accepteren dat Merckx en Hinault iets beter waren dan ik. Ik heb ondanks die twee genoeg prachtige wedstrijden gewonnen. Met Hinault ben ik nog steeds heel goed. In de koers waren we concurrenten, maar buiten de koers collega’s. Ik was op zijn zestigste verjaardag, we komen bij elkaar thuis.” Over het verschil tussen beide grootheden zegt Joop: “Merckx wilde alles winnen, Hinault gaf vooraf aan voor welke wedstrijden hij ging, buiten de Tour. In die koersen stond hij er ook. Dat heb je gezien in eendagswedstrijden als Parijs-Roubaix en Luik-Bastenaken-Luik. Als hij zijn zinnen had gezet op die koersen, was hij niet te kloppen. Maar daarnaast gunde hij andere renners ook wel hun overwinningen.” Joop haalt de slotetappe in de Tour van 1979 aan. Als nummers één en twee van het algemeen klassement gingen ze er vandoor. Samen kwamen ze op de Champs-Élysées aan, met ruim twee minuten voorsprong op het peloton. “Ik zei: Bernard, jij wint de Tour, dan kun je mij de etappe wel laten winnen. Dat leek me niet zo moeilijk. Hij zei: ‘We gaan samen op de finish af en dan sprinten we erom. Ben jij de sterkste, dan win jij, ben ik de sterkste, dan win ik.’ Hij won. Waarmee ik maar wil aangeven dat als hij zijn zinnen ergens op had gezet, hij niets cadeau gaf. Daar had ik geen probleem mee.” In 1978 werd Joop tweede op bijna vier minuten van Hinault en in 1979 was het verschil tussen de twee ruim dertien minuten. In 1980 was Hinault na de eerste week op weg naar zijn derde Tourzege op rij. “Twee dagen na de etappe naar Lille wonnen wij met TI-Raleigh de tweede ploegentijdrit. De hele ploeg reed geweldig, we pakten zo’n anderhalve minuut terug op Renault, de ploeg van Hinault. Het moraal bij de ploeg was goed.” Jan Raas had al de eerste etappe gewonnen, Henk Lubberding had de derde rit gewonnen, Gerrie Knetemann had een dag in het geel gereden en in Beauvais won de ploeg voor de tweede keer de ploegentijdrit. Daarna ging Raleigh echt los. Ook na de volgende zes etappes was er champagne dankzij ritzeges van achtereenvolgens Raas, Bert Oosterbosch, nog een keer Raas, Cees Priem, Joop die de individuele tijdrit won en Knetemann. “Die etappezeges gaven rust. Gerrie won de twaalfde etappe naar Pau. Dat was vlak voordat we de bergen in gingen, dus hij was daarna ook rustig. De Kneet was net als de meeste renners in die tijd: die reden in de eerste plaats voor zichzelf en daarna pas voor anderen. Dat begreep ik ook wel. Aan Jan Raas denk ik ook met plezier terug. Hij was heel eerlijk, zei waar het op stond en dan was het klaar. Maar terug naar de Tour van 1980: het belangrijkst was dat ik in die tweede week mijn vorm terug voelde komen. Na de tiende etappe, de rit naar Bordeaux, was ik echt goed. Een dag later won ik de individuele tijdrit en pakte ik meer dan anderhalve minuut terug op Bernard.” Hinault pakte wel het geel na de tijdrit, maar Joop bracht de achterstand terug tot 21 seconden. Waar Joop steeds sterker werd, ging het met zijn rivaal juist bergafwaarts. Hinault had in de etappe door de regen en over de kasseien naar Lille veel van zijn lichaam gevraagd, hij kreeg last van een peesontsteking in z’n knie. Het peloton stond klaar om eerst de Pyreneeën en daarna de Alpen in te trekken toen Hinault in het geel besloot niet van start te gaan in de dertiende etappe. “Ik heb hem later weleens gevraagd waarom hij was afgestapt. Hij zei dat hij last had van die knie, maar dat het nog wel ging. Hij vertelde ook dat hij bijna zeker wist dat hij de Tour niet meer kon winnen.  Na de eerste week had hij ervaren dat hij in de tijdritten geen tijd meer kon winnen op mij. Hij was niet meer honderd procent en wist dat hij dan tekortkwam om mij te kloppen. Bovendien wist hij dat als hij zou doorrijden zijn knie nog verder kapot zou maken. Dan was zijn hele seizoen naar de knoppen. Hij heeft met de artsen overlegd en die adviseerden hem om af te stappen. Dat begreep ik wel.” Johan van der Velde Door het afstappen van Hinault droeg niemand het geel in de dertiende etappe. Joop weigerde het geel uit respect voor zijn rivaal. Na die rit trok Joop hem wel aan. “Pas na de rit naar Bordeaux en de tijdrit ging de ploeg echt voor mij rijden. Johan van der Velde was belangrijk in de Alpen. Zeker na die valpartij.” Van der Velde, die als nationaal kampioen rondreed in de rood- wit-blauwe trui, ontpopte zich in zijn tweede Tour tot meesterknecht. Maar in de zestiende etappe naar Pra-Loup maakte hij bergop een vreemde manoeuvre, waardoor hij zijn kopman in het geel ten val bracht. Het voorval bleef zonder gevolgen, Joop kon niet veel later weer aansluiten. In de twintigste etappe, een tijdrit, pakte Joop zijn tweede ritzege en de elfde van TI- Raleigh in de Tour van ’80. Van der Velde eindigde als twaalfde en won het jongerenklassement. Niet alleen in 1980 was Van der Velde belangrijk voor Joop, dat was hij ook vijf jaar later toen Joop in het Italiaanse Giavera del Montello op zijn 38ste wereldkampioen op de weg werd. “Ik mocht indien mogelijk voor m’n eigen kans gaan, maar echt kopman was ik nooit op het WK geweest. De avond voor de koers werd gevraagd wie zich kandidaat wilde stellen voor de status van beschermde renner. Johan van der Velde en Adrie van der Poel staken hun hand op. Johan had het puntenklassement in de Giro gewonnen, hij was echt goed, dat bleek ook wel in de koers. Ik viel tijdens het WK van 1985 samen met Giuseppe Saronni, moest nog van wiel wisselen en dankzij Jacques Hanegraaf, die op mij wachtte, keerde ik terug in het peloton. Uiteindelijk was ik toch mee in de beslissende slag. We zaten met drie Nederlanders in de kopgroep: Gerard Veldscholten, Johan en ik. Stephen Roche probeerde het en werd teruggepakt, dus gingen we met een groepje van veertien op de finish af. Het viel stil en min of meer toevallig kwam ik met wat meer snelheid uit een bocht en had ik, voordat ik er erg in had, tien meter voorsprong. In de verte zag ik de rode vlag van de laatste kilometer. Ik dacht: ik trek zo hard mogelijk door om te openen voor Van der Velde, als de Italianen me terughalen. Ik keek achterom en sprintte als het ware naar die vlag van de laatste kilometer, er nog steeds van uitgaand dat ze me terug zouden pakken. De Italiaan Claudio Corti kwam ook achter me aan, maar bleef steken op tien meter. Bij de vlag van de laatste kilometer lag ik nog steeds zo’n honderd meter voor en ook op 500 meter van de meet waren ze niet dichterbij gekomen. Nog 400, nog 300 meter, nog 200 meter; ik lag nog steeds voor. Ik dacht: ik ga hier toch niet winnen, dat kan toch niet? Ik was zelfs even bang dat er een renner voor me reed die aan mijn aandacht was ontsnapt, zozeer was ik verbaasd dat ik kon gaan winnen. Maar ik zag aan de reactie van het publiek dat ik toch echt voorop lag. Ruim voor de streep wist ik het al. Ik kon juichend de finish over. Op de streep had ik drie seconden voorsprong op Greg LeMond en Moreno Argentin, twee van de grote favorieten. Wat ik mooi vond, was dat Veldscholten en Van der Velde ook met hun handen in de lucht over de finish kwamen. Johan, die toch ook als kanshebber voor de wereldtitel van start was gegaan, was ook echt blij voor me. Ik heb iets van zeventien keer meegedaan aan het WK, geregeld zat ik in de beslissende ontsnapping, maar op m’n 38ste lukte het ineens. Nog elke keer als ik terugdenk aan die dag kan ik niet geloven dat ik toen wereldkampioen werd.” Hennie Kuiper Gerrie Knetemann pakte de hand van Joop in 1980 en samen reden ze met allebei een hand aan het stuur en één in de lucht over de streep op de Champs-Élysées. Na Jan Janssen in 1968 was Joop de tweede Nederlandse Tourwinnaar. Landgenoot Hennie Kuiper, die in 1977 in dienst van TI-Raleigh ook al tweede was geworden in de Tour, werd op 6 minuten en 55 seconden tweede. “Hennie was tevreden met zijn tweede plaats, hij wist dat ik in tijdritten en bergop net iets beter was.” Nederland was in de baan van Joop, die tot dat moment te boek stond als ‘eeuwige tweede’. “Pas nadat ik in 1980 de Tour had gewonnen, ontdekte ik het verschil tussen een eerste en een tweede plaats in de Tour. Toen ik hoorde van al die bussen met Nederlanders die naar Parijs kwamen alleen om mij te zien winnen, realiseerde ik me pas de impact van een Touroverwinning. Ik had nooit gedacht dat het zoveel teweeg zou brengen. Jan Janssen zegt weleens dat je ook na je dood voor altijd in die lijst van winnaars staat. Dat kan dan zo zijn, maar die zege heeft mij absoluut niet veranderd, ik ben me niet anders gaan gedragen.” Een jaar later won Hinault de Tour, Joop werd vierde. In 1982 boekte Hinault zijn vierde van vijf Tourzeges, terwijl Joop voor de zesde keer als tweede eindigde. “Ik was in 1981 niet helemaal hersteld van alle festiviteiten, merkte ik. Als ik had gewild, had ik na die Tourzege elke avond in een televisieprogramma kunnen zitten, maar dat was niets voor mij. Het was me in 1980 na het winnen van de Tour allemaal iets te veel geweest.” Echtgenote Dany Olympisch goud in 1968 op de 100 kilometer ploegentijdrit, de eindzege in de Tour de l’Avenir in 1969, de eindzege in de Vuelta van 1979, de wereldtitel in 1985 en in 1987 op veertig- jarige leeftijd de winst in de Amstel Gold Race staan op zijn palmares. En natuurlijk de eindzege in de Tour in 1980, plus tien etappezeges. Liefst 22 dagen droeg hij het geel in de Tour, geen Nederlander kan hem dat navertellen. In zijn biografie Joop Zoetemelk, een open boek vertelde hij dat het huwelijk met zijn eerste vrouw, die hij leerde kennen na zijn tweede plek in zijn eerste Tour van 1970 en die in 2008 overleed, niet makkelijk was en dat het invloed had op z’n wielerloopbaan. “In zijn algemeenheid kun je stellen dat als het thuis niet goed gaat, dat voor de sport niet bevorderlijk is. Ik had misschien meer kunnen winnen. Als wielrenner was ik zo’n tweehonderd dagen per jaar van huis. Ik denk dan ook dat mijn twee kinderen meer onder de thuissituatie hebben geleden dan ik.” In 2012 hertrouwde Joop met Dany, met wie hij even buiten Parijs woont en die hij in het dorp had leren kennen. “Ze vond drie koffers met al mijn truien. Ik heb de mooiste op zolder op een rek gehangen: de eerste gele trui uit de Tour de l’Avenir, de witte leiderstrui van Parijs-Nice en de eerste gele trui in de Tour. Nadat we getrouwd waren, zei ik tegen Dany: we gaan een nieuw leven beginnen en kijken niet meer achterom. Vroeger is vroeger en nu is nu. Alles verandert, dat is het leven.” Helden Magazine 52 Het verhaal van Joop Zoetemelk komt voort uit Helden Magazine nummer 52.  In de 52ste editie van Helden schittert Louis van Gaal de cover. Met hem blikken we terug op zijn indrukwekkende carrière. Ook tal van mensen die met de trainer hebben gewerkt komen aan het woord. Harrie Lavreysen, Alexander Brouwer, Niek Kimmann, Kim Polling, Kira Toussaint, Frédérique Matla, Femke Heemskerk, Ranomi Kromowidjojo, Ferry Weertman en Marit Bouwmeester zouden afgelopen zomer schitteren op de Olympische Spelen in het land van de rijzende zon. Het coronavirus gooide echter roet in het eten. Helden fotografeerde de sporters bij wie alles al een tijd draait om Tokio op een bijzondere wijze in ‘Tokiogangers’ In deze editie gaan wij ook terug in de tijd. Pieter van den Hoogenband won twintig jaar geleden olympisch goud op de 100 en 200 meter vrije slag. Daarnaast was John Heitinga met Oranje tien jaar terug dicht bij de wereldtitel en won Rinus Israel vijftig jaar geleden de Europa Cup I met Feyenoord. Het was ook dertig jaar geleden dat Mike Tyson zijn wereldtitels en zijn status van onoverwinnelijkheid verloor, bereikte Andre Agassi voor het eerst een grandslamfinale én blikken onder meer uitblinkers Dennis Bergkamp, Frank de Boer en Patrick Kluivert terug op de behekste wedstrijd uit 2000: Nederland – Italië. Verder in de 52ste editie van Helden spreken we sportief directeur van Jumbo-Visma, Merijn Zeeman. Staat Jackie Groenen oog in oog met ‘Het Melkmeisje’ van Vermeer. Kiran Badloe won de strijd met vriend, trainingsmaat én concurrent Dorian van Rijsselberghe. Een exclusief gesprek met Chris Froome over onder meer zijn horrorcrash. Ook lees je hoe overleven voor Johan van der Velde gesneden koek is en verteld Elsemieke Havenga hoe ze tweemaal olympisch goud had kunnen hebben. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Johan van der Velde: ‘Overleven is voor mij gesneden koek’

Een horrorfilm, zo omschrijft Johan van der Velde [...]
Een horrorfilm, zo omschrijft Johan van der Velde (63) zijn afgelopen twaalf maanden. Toch heeft de oud-wielrenner de strijd tegen acute leukemie niet ervaren als het moeilijkste gevecht in zijn leven. Met Helden praat hij voor het eerst over de vreselijke ziekte die hem geveld heeft. Hoe hij mentaal overeind bleef tijdens de zwaarste chemokuren en hoe zijn mentaliteit als wielrenner hem geholpen heeft. Op de eerste hulp van het Hospital del Mar in Barcelona weet hij eigenlijk meteen dat het foute boel is. Reeds enkele dagen voordat er een eerste indicatie van zijn ziektebeeld is en de artsen alleen bloed bij hem hebben geprikt, gaan bij Johan van der Velde alle alarmbellen af. De uitslag bloedarmoede brengt hem in een split second 26 jaar terug in de tijd. Een bloedneus, bloeduitstortingen en bloedarmoede waren ook de eerste signalen bij zijn moeder voordat er bij haar acute leukemie werd geconstateerd. Ver weg van huis beseft de oud-wielrenner dat hij voor een van de zwaarste etappes van zijn leven staat. Als buschauffeur van de Roompot wielerploeg is Johan onderweg naar de Ronde van Mallorca, de eerste koers van het nieuwe wielerseizoen 2019. Als de dag van gisteren kan hij zich nog alles tot in de details herinneren. Die winter was hij super actief en hij knapte zijn halve huis op. “Na de kerst werd ik geveld door een zware oorontsteking. Nadat die met antibiotica was behandeld kreeg ik een neusspray omdat mijn luchtwegen dicht bleven zitten. Daarom gaf ik nauwelijks aandacht aan een bloedneus die ik vlak voor mijn vertrek naar Mallorca had. Dat kwam vast door die spray, dacht ik. Voor de zekerheid nam ik wel wat extra watten mee, mocht het probleem terugkomen. De tweede nacht sliep ik in een hotel in Nîmes. Daar had ik in bed opnieuw een hardnekkige bloedneus. ’s Ochtends zat het hele bed onder het bloed. Ik ben opgestaan en meteen naar de bus gegaan. Ik dacht: ik zie het wel. Onderweg zou het vanzelf wel stollen en dat gebeurde ook. Ik reed door naar Barcelona waar ik ‘s middags in de haven arriveerde en incheckte voor de veerboot naar Palma van elf uur ‘s avonds. Die bloedneus bleef opspelen, terwijl ik ook een paar blauwe plekken door bloeduitstortingen aan mijn arm had.” Een Spanjaard, die in de haven voor enkele euro’s hand- en spandiensten voor de chauffeurs verricht, komt met hem praten. “Hij nam me mee naar een medische post waar altijd een paar ambulances stand by staan. Die ziekenbroeders namen mijn bloeddruk op. Die bleek verrassend hoog te zijn, terwijl ik nooit last van een hoge bloeddruk had. En ook mijn hartslag was te hoog. Zij adviseerden me om me verder te laten onderzoeken in het ziekenhuis. Normaal zou ik altijd bij de bus van de wielerploeg zijn gebleven en het werk voorrang hebben gegeven, maar ik had een voorgevoel dat ik dit serieus moest nemen. Intuïtief voelde ik dat er iets niet klopte. Ik ben meegegaan naar het universitaire ziekenhuis dat twee kilometer verderop lag. Die Spanjaard ging met me mee en hielp me.” Bij de eerste hulp is het een drukte van jewelste, maar de nieuwe Spaanse ‘vriend’ van Johan maakt zoveel stampij dat de Brabander snel aan de beurt is. “Er werd bloed geprikt. Vrijwel meteen hoorde ik dat ik bloedarmoede had. De verplegers vroegen of ik wilde blijven. Voor mij was het meteen duidelijk dat ik zou blijven, totdat ze wisten wat ik echt had. Ik gaf die Spanjaard de papieren, de sleutel van de bus en tachtig euro. Ik wist dat er later op de dag nog mannen van de ploeg met een vrachtwagen kwamen, waarvan er een het busrijbewijs had. De Spanjaard vertrouwde ik, hij bekommerde zich echt om mij. En ach, hij was een hand kwijt, dus zomaar wegrijden met die bus zou moeilijk worden.” 'Ook al zit je zo kapot, er gloort in de verte nog iets heel moois. Dat heb ik tijdens mijn ziekte ook zo ervaren' “Weet je,” vervolgt hij het gesprek, “ik wist op dat moment al dat ik acute leukemie had. Toen ze het over bloedarmoede hadden, ging er bij mij direct een lampje branden. Mijn moeder is op 58-jarige leeftijd aan acute leukemie gestorven. Zij had destijds dezelfde kenmerken als ik. Toen ik later die dag mijn vrouw Josée belde, had zij precies hetzelfde. ‘Weet jij waar ik aan denk,’ vroeg ze aan mij. Ja, aan mijn moeder, antwoordde ik. Vanaf de eerste hulp werd ik naar een ziekenhuiskamer gebracht. Die nacht heb ik eigenlijk gewoon geslapen. Ik kon het goed van me af zetten. De volgende ochtend werd er een beenmergpunctie gedaan. Vervolgens werd ik naar een isolatiekamer gebracht, wat eigenlijk ook al een indicatie was dat ik dat onder de leden had.” Toch duurt het nog twee dagen voordat er vier artsen aan zijn bed in het Engels komen vertellen dat de voormalige wielerheld, onder andere winnaar van drie etappes en drie keer het puntenklassement in de Giro d’Italia en winnaar van drie etappes en drager van de gele trui in de Tour de France, daadwerkelijk acute leukemie heeft. “Mijn eerste reactie was: than I’ve a big problem. Helden Magazine 52 Het eerste gedeelte van het verhaal van Johan van der Velde komt voort uit Helden Magazine nummer 52.  In de 52ste editie van Helden schittert Louis van Gaal de cover. Met hem blikken we terug op zijn indrukwekkende carrière. Ook tal van mensen die met de trainer hebben gewerkt komen aan het woord. Harrie Lavreysen, Alexander Brouwer, Niek Kimmann, Kim Polling, Kira Toussaint, Frédérique Matla, Femke Heemskerk, Ranomi Kromowidjojo, Ferry Weertman en Marit Bouwmeester zouden afgelopen zomer schitteren op de Olympische Spelen in het land van de rijzende zon. Het coronavirus gooide echter roet in het eten. Helden fotografeerde de sporters bij wie alles al een tijd draait om Tokio op een bijzondere wijze in ‘Tokiogangers’ In deze editie gaan wij ook terug in de tijd. Pieter van den Hoogenband won twintig jaar geleden olympisch goud op de 100 en 200 meter vrije slag en Joop Zoetemelk won veertig jaar terug als laatste Nederlander de Tour de France. Daarnaast was John Heitinga met Oranje tien jaar terug dicht bij de wereldtitel en won Rinus Israel vijftig jaar geleden de Europa Cup I met Feyenoord. Het was ook dertig jaar geleden dat Mike Tyson zijn wereldtitels en zijn status van onoverwinnelijkheid verloor, bereikte Andre Agassi voor het eerst een grandslamfinale én blikken onder meer uitblinkers Dennis Bergkamp, Frank de Boer en Patrick Kluivert terug op de behekste wedstrijd uit 2000: Nederland – Italië. Verder in de 52ste editie van Helden spreken we sportief directeur van Jumbo-Visma, Merijn Zeeman. Staat Jackie Groenen oog in oog met ‘Het Melkmeisje’ van Vermeer. Kiran Badloe won de strijd met vriend, trainingsmaat én concurrent Dorian van Rijsselberghe. Een exclusief gesprek met Chris Froome over onder meer zijn horrorcrash. Ook verteld Elsemieke Havenga hoe ze tweemaal olympisch goud had kunnen hebben. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Chris Froome: Onbreekbaar

Chris Froome liep een jaar geleden talloze [...]
Chris Froome liep een jaar geleden talloze botbreuken op toen hij in Frankrijk werd gegrepen door een windvlaag en tegen een muur klapte. Hij lag op de intensive care, zijn carrière leek voorbij. Nu is hij terug. De 35-jarige kopman van Team Ineos wil voor de vijfde keer de Tour de France winnen. Een exclusief gesprek over de horrorcrash, zijn rentree, Tom Dumoulin en Mathieu van der Poel. Hoewel hij in de achterhoede van het peloton rijdt, is hij de grote trekpleister van de UAE Tour. In de Verenigde Arabische Emiraten maakt Chris Froome zijn rentree in het peloton. Na zijn verschrikkelijke val tussen de huizen van het pittoreske dorpje Saint-André-d’Apchon tijdens de verkenning van het parcours van de tijdrit in de Dauphiné van vorig jaar moest hij maandenlang revalideren. Zes weken lag hij plat in bed en een kleine maand zat hij in een rolstoel voordat hij voor het eerst weer op z’n voeten kon staan. Met amper twee maanden serieuze fietstraining in de benen is hij naar het golfstaatje getrokken om voor het eerst weer een koers te rijden. Hoewel de viervoudig Tourwinnaar opgewekt in zijn vel steekt en diverse Britse journalisten speciaal voor hem gekomen zijn, geeft hij in de UAE geen één-op-één-inter-views. Alleen voor Helden maakt hij een uitzondering. “Kom maar om kwart over acht naar mijn hotel.” Gelukkig wil Froome vóór het avondeten afspreken. Een half uur na het gesprek gaat het W-hotel Abu Dhabi in een lockdown. De wielerwereld komt die avond voor het eerst rechtstreeks in aanraking met de coronapandemie. Twee verzorgers van een van de teams hebben positief getest op covid-19, waarna alle 612 volgers van de wielerronde enkele dagen in hun hotelkamer worden opgesloten. Achteraf blijkt dit het laatste lange interview dat Froome heeft gegeven. Pijnbestrijders Laten we teruggaan naar 12 juni vorig jaar. Na de vreselijke val duurde het vrij lang voordat je met de ambulance naar het ziekenhuis werd gebracht. Kun je je nog iets herinneren van wat er gebeurde? “Sommige momenten na de val kan ik me nog goed herinneren, maar van de crash zelf weet ik niets meer. Ik weet nog dat ik op het asfalt lag, terwijl mijn coach Tim Kerrison, ploegleider Servais Knaven en mecanicien Gary Blem meteen aan kwamen rennen. De ambulance was vrij snel bij me, de broeders probeerden me ter plekke direct te verzorgen. Hoe langer ik daar lag, des te vager alles om me heen werd. Dat kan ook gekomen zijn door de pijnbestrijders die ze me meteen toedienden. Nadat ze me op de brancard tilden en in de ambulance hadden gedragen, bleven we nog lange tijd stilstaan. Achteraf begreep ik dat het op dat moment moeilijk was om een keuze te maken naar welk ziekenhuis ik moest worden vervoerd.” 'Die eerste stapjes... Het voelde als de grootste overwinning in m'n carrière. Wat een bevrijding' Wat waren je eerste gedachten toen je op de grond lag? “De Tour de France spookte als eerste door m’n hoofd. Ik weet nog dat Tim en Gary tegen me zeiden dat ik absoluut niet mocht bewegen. Ik wilde weten waarom ze dat zo nadrukkelijk tegen me zeiden, ik vroeg wat het probleem was. Ze antwoordden dat ze meteen konden zien dat m’n been gebroken was. Het lag helemaal verkeerd gedraaid ten opzichte van mijn romp, waardoor ze zeker wisten dat het een ernstige breuk was. Ze vertelden me dat ik rustig moest blijven liggen. Ik wist dat ik ernstige verwondingen had. Dat minimaal mijn been en arm gebroken waren, want m’n arm lag er ook heel raar bij. Toch vroeg ik ter bevestiging aan hen of ik de Tour dat jaar kon vergeten. Tim knikte met zijn hoofd. Ik was op dat moment meer teleurgesteld dat ik een streep door de Tour kon zetten, dan dat ik stilstond bij de ernst van m’n situatie. Ik was in een heel goede conditie, de waardes van mijn trainingen voor de Dauphiné waren echt goed en had er enorm veel vertrouwen in dat ik dicht in de buurt van m’n vijfde Tourzege zou komen. Die dag was ik supergemotiveerd voor de tijdrit in de Dauphiné. Dat was voor mij een serieuze test voor de Tour. En dan ineens een windvlaag en alles waar ik maanden aan had gewerkt, ging verloren. Weg droom van m’n vijfde Touroverwinning. Dat was de grootste teleurstelling toen ik daar lag, het overtrof de pijn van de verwondingen.” Ik zou meteen denken aan de gevolgen voor de rest van m’n leven of aan de familie... “Ja, eigenlijk is het best frappant... Toen ik op de brancard lag, had Gary m’n vrouw aan de telefoon. Ik weet nog dat ik Michelle vertelde dat ik zwaar was gevallen en dat ik zeker m’n arm en been had gebroken. Ze zei meteen dat ze een oppas voor de kinderen ging regelen zodat ze zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kon komen. Ik bleef heel rustig en vertelde haar dat het beter was om thuis te blijven. Ik zei dat ze zich geen zorgen om mij hoefde te maken, omdat er toch genoeg mensen van de ploeg om me heen zouden zijn. Dat bewijst dat ik op dat moment de ernst van de val niet in de gaten had. Ik had toen nog geen weet van de andere breuken, de bloedingen en de klaplong. Ik wist dat ik lange tijd uit de roulatie zou zijn, maar hoe erg ik eraan toe was, realiseerde ik me toen niet. Op dat moment kon ik me niet voorstellen dat m’n vrouw zich ongerust over mij moest maken. Dat ze in paniek hoefde te zijn om mij.” Helden Magazine 52 Het eerste gedeelte van het verhaal van Chris Froome komt voort uit Helden Magazine nummer 52.  In de 52ste editie van Helden schittert Louis van Gaal de cover. Met hem blikken we terug op zijn indrukwekkende carrière. Ook tal van mensen die met de trainer hebben gewerkt komen aan het woord. Harrie Lavreysen, Alexander Brouwer, Niek Kimmann, Kim Polling, Kira Toussaint, Frédérique Matla, Femke Heemskerk, Ranomi Kromowidjojo, Ferry Weertman en Marit Bouwmeester zouden afgelopen zomer schitteren op de Olympische Spelen in het land van de rijzende zon. Het coronavirus gooide echter roet in het eten. Helden fotografeerde de sporters bij wie alles al een tijd draait om Tokio op een bijzondere wijze in ‘Tokiogangers’ In deze editie gaan wij ook terug in de tijd. Pieter van den Hoogenband won twintig jaar geleden olympisch goud op de 100 en 200 meter vrije slag en Joop Zoetemelk won veertig jaar terug als laatste Nederlander de Tour de France. Daarnaast was John Heitinga met Oranje tien jaar terug dicht bij de wereldtitel en won Rinus Israel vijftig jaar geleden de Europa Cup I met Feyenoord. Het was ook dertig jaar geleden dat Mike Tyson zijn wereldtitels en zijn status van onoverwinnelijkheid verloor, bereikte Andre Agassi voor het eerst een grandslamfinale én blikken onder meer uitblinkers Dennis Bergkamp, Frank de Boer en Patrick Kluivert terug op de behekste wedstrijd uit 2000: Nederland – Italië. Verder in de 52ste editie van Helden spreken we sportief directeur van Jumbo-Visma, Merijn Zeeman. Staat Jackie Groenen oog in oog met ‘Het Melkmeisje’ van Vermeer. Kiran Badloe won de strijd met vriend, trainingsmaat én concurrent Dorian van Rijsselberghe. Ook lees je hoe overleven voor Johan van der Velde gesneden koek is en verteld Elsemieke Havenga hoe ze tweemaal olympisch goud had kunnen hebben. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Wielrennen in oorlogstijd: ‘Je wist niets, je fietste’

Met baansprinters Roy van den Berg, Matthijs Büchli, Jeffrey [...]
Met baansprinters Roy van den Berg, Matthijs Büchli, Jeffrey Hoogland en Harry Lavreysen heeft Nederland goud in handen. Tijdens de Spelen in Tokio wordt veel van hen verwacht. Het is te hopen dat ze nooit voor dezelfde dilemma’s komen te staan als hun illustere voorgangers Cor Wals, Arie van Vliet, Jan Derksen, Gerrit Schulte en Kees Pellenaars. Frits Barend en Henk van Dorp deden voor Vrij Nederland onderzoek naar wielrennen in de oorlog. Toen Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenviel, verbleven wielrenners Jan Derksen, Arie van Vliet en Cor Wals in Milaan voor het WK op de baan. Derksen was net wereldkampioen geworden bij de amateursprinters, toen de Internationale Wielerunie UCI de overige onderdelen van het kampioenschap besloot te annuleren. De beroemde sportjournalist Joris van den Bergh schreef tien dagen na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog optimistisch: ‘Wat de wielersport betreft, houd ik zelfs rekening met de mogelijkheid dat er winst in kan zitten door het organiseren van wedstrijden waar ze tot nu toe niet zijn gehouden.’ In 1939 al had elk nadeel, in dit geval een wereldoorlog, zijn voordeel. Cor Wals (1911-1994) Henk van Dorp en ik besloten in 1979 ons onderzoek naar sport in de oorlog voor Vrij Nederland te beperken tot voetballen en wielrennen. Iedere wielerdeskundige begon meteen over Cor Wals. Hij was in 1939 in Milaan de grote favoriet voor de wereldtitel achter grote motoren. Wals had maling aan de duvel en z’n mallemoer, maar was vooral een fantastische baanwielrenner. In 1930 won hij, nog geen twintig, met zijn matje Jan Pijnenburg de zesdaagsen van Parijs, Berlijn, Amsterdam, Antwerpen, Brussel en Frankfurt. Als wielerlegende is hij echter niet de geschiedenisboeken ingegaan. Cor Wals waagde het namelijk op 20 juni 1941 gekleed in een shirt met SS-tekens in een vol Olympisch Stadion deel te nemen aan het NK achter grote motoren. En hij werd kampioen van Nederland in dat shirt. Het zou zijn verdere leven bepalen. Met lood in de schoenen zochten Henk en ik hem begin 1979 op in zijn fraaie bungalow in het Belgische Lommel. We werden gastvrij ontvangen, maar hadden ons voorgenomen niets aan te nemen van een ex-SS’er. Zakelijk wilden we Wals zijn verhaal laten doen. “Ik leefde alleen om te fietsen. Ik wist niets, was stom. Wielrenners deden niet aan politiek,” zei hij. En: “Ik was in 1939 zeker wereldkampioen bij de profstayers geworden. Ik had in de serie de snelste tijd gereden. Toen brak de oorlog uit en moesten we meteen uit Milaan naar Nederland terugkeren. Ik heb er op dat moment nooit bij stilgestaan dat er ook in Nederland oorlog zou komen.” En toen viel Duitsland op 10 mei 1940 Nederland binnen. Het werd stil in de kamer. Cor Wals keek zijn vrouw Anneke vragend aan. Zij zei tegen haar man: “We hadden afgesproken dat je niet over politiek zou praten. We hebben het er al moeilijk genoeg mee gehad. Maar ik zie aan je ogen dat je er toch over wilt praten.” Wals: “Ja, ik wil erover praten, maar dan moeten jullie me één ding beloven: dat jullie er in ieder geval bij schrijven dat ik er vreselijke spijt van heb, dat ik nog altijd niet kan begrijpen hoe ik zo stom heb kunnen zijn. Ik ben stom geweest, stom, stom, stom.” Hij sloeg met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd toen hij zei. “Ik ben volkomen terecht na de oorlog gestraft, vreselijke spijt heb ik ervan, ook van het verdriet dat ik mensen heb aangedaan.” Achter zijn huis in Tilburg hoorde de razend populaire wielrenner in de meidagen van 1940 de pantserwagens van de Duitsers over de weg ratelen. “Ik had toen nog geen flauw vermoeden dat ik een van hen zou worden. Ik heb zoals gewoonlijk vreselijk impulsief gehandeld. Eind 1940 ben ik er pas bijgekomen, bij die club, bij de SS. Ik kreeg mijn opleiding in Arnhem en vervolgens in Klagenfurt.” Anneke Wals: “Cor, stop. Verder ga je niet.” Wals ging wel verder. “Als je in Berlijn won - en ik won nogal eens – dan kreeg je een lint met een hakenkruis. Alle Nederlanders uit mijn tijd hebben weleens met zo’n lint een ereronde gereden. Ik verdiende 1200 gulden per week, was razend populair en nooit heb ik gedacht: ze gebruiken mijn populariteit. Daar was ik veel te stom voor. Na de oorlog, in het interneringskamp, ben ik pas gaan nadenken, als vent van over de veertig. Ik zat daar gevangen met allerlei soorten mensen: professoren, arbeiders, artsen. Toen realiseerde ik me: ik ben letterlijk ingepakt door het propaganda-apparaat, ben er met open ogen ingevlogen. Nu zie ik ook in dat Hitler de Olympische Spelen van 1936 heeft gebruikt. De neger Jesse Owens, de winnaar van de 100 meter, gaf hij geen hand en de Nederlander Tinus Osendarp - Osendarp was overtuigd SS’er - die derde werd, wel.” We vroegen hem naar Albert Richter. Wals was erbij toen de Duitse toprenner, die als overtuigd tegenstander van de nazi’s consequent weigerde de Hitlergroet te brengen, werd opgepakt op weg naar Zwitserland. “Ik zag hem eind 1939 uit de trein gehaald worden. Toen was Duitsland Nederland nog niet binnengevallen. Een week later las ik in de krant dat Richter bij een skivakantie was omgekomen.” Op 5 januari 1940 wijdde het officieel orgaan van de Duitse Wielerbond, Der Deutsche Radfahrer, een kort bericht aan de wereldkampioen sprint van 1932. ‘Albert Richter heeft een misdaad begaan waarvan de Duitse wielersport in haar geheel niet genoeg afschuw kan hebben. Richter heeft voor een Keulse Jood verschillende malen, een, ditmaal godzijdank, mislukte poging ondernomen om grote geldbedragen naar Zwitserland te smokkelen. Daardoor heeft hij zich vrijwillig en met voorbedachten rade uit de Duitse volksgemeenschap en vanzelfsprekend ook uit de Duitse gemeenschap gesloten. Daaruit heeft hij de enige, mogelijke consequentie getrokken en zelfmoord gepleegd. Wij allen betreuren het dat hij die eens een van de onzen was, op dezen wijze zijn vaderland, dat op het ogenblik uiterst moeilijke uren beleeft, verraden heeft. Zijn naam is voor altijd uit ons leven verdwenen.’ Wals: “Pas nu dringt het allemaal tot me door. Richter (die in 1995 een soort eerherstel kreeg toen de wielerbaan van Keulen naar hem werd vernoemd, red.) is daar ter plekke geëxecuteerd.” Het gesprek kwam op het SS-shirt dat hij droeg tijdens het NK van 1941. “Een week voor dat NK trainde ik op de baan in Zürich. Een paar studenten hadden gehoord dat ik lid van de SS was geworden. Ze wilden met me wedden om honderd gulden dat ik niet in zo’n shirt het kampioenschap durfde te rijden. Dat ik iets niet durfde, moest je nooit tegen me zeggen. De vrouw van de directeur van de baan in Zürich, mevrouw Keller, heeft de avond voor mijn vertrek de tekens op mijn shirt genaaid. Ik heb het absoluut niet gedaan om reclame te maken voor die beweging. Niemand zei iets toen ik het aantrok, niemand riep: ‘Niet doen.’ Niet dat ik iemand iets verwijt. Ach, mensen, wat heb ik toch een spijt, wat moet ik toen veel mensen pijn hebben gedaan. Ik wilde ook niet provoceren. Ik ben terecht gestraft. Je kunt van mening verschillen over de lengte van de straf als je ziet wat er na de oorlog allemaal is doodgezwegen. Ik heb de staat benadeeld, maar ik heb nooit iemand verraden.” Henk en ik wilden weten hoe Cor Wals het NK in dat SS-shirt had ervaren. “Toen ik mijn jas uit deed en het shirt zichtbaar werd, is er vreselijk gefloten. Tijdens de race vloog de ketting van mijn fiets. Onder luid applaus stond ik beneden in de baan. Op zulke momenten was ik niet meer kapot te krijgen, wist ik zeker dat ik zou winnen. Belachelijk als ik er nu aan denk, maar ik heb expres de ereronde gereden. Duizenden kussentjes zijn er naar me gegooid. Ik zou kort na de wedstrijd in Amsterdam in Eindhoven rijden. De nacht voordat ik moest rijden, zijn op de baan allerlei leuzen over mij gekalkt. Een van de directeuren vroeg me: ‘Cor, je rijdt toch niet in dat shirt?’ Natuurlijk niet. Na dat NK ben ik meteen gestopt met wielrennen. Jammer dat niemand me probeerde te overtuigen van mijn fout. Ik denk dat ik te overtuigen was.” Wals vertrok in 1941 naar het gevreesde Oostfront. “Ik nam afscheid van mijn eerste vrouw, stapte in de trein en ineens flitste door me heen: Cor, je geeft twaalfhonderd gulden in de week op, je weet niet wat je te wachten staat, behalve dat je wordt opgeleid tot soldaat. Maar ik kon niet meer terug, durfde niet meer terug. Mijn sportcarrière was die dag voorgoed ten einde. In Klagenfurt had je twee opleidingen: een voor kampbewaker en een voor frontsoldaat. Ik werd frontsoldaat. Ik was Rottenführer, een soort sergeant. Je raakte weleens verzeild in een situatie van man tegen man, dan was het hij of ik. Vreselijk. Op onze terugweg moesten we alles in brand steken: huizen, graanschuren, hooi, de zogenaamde tactiek van verschroeide aarde die de Amerikanen later in Vietnam hebben toegepast.” In 1943 schreef Het Volk dat Cor Wals dood was en De Telegraaf schreef een heuse necrologie na een overlijdensbericht in de Deutsche Zeitung in den Niederlanden. Op 24 december 1943, een dag voor kerst, werd duidelijk dat hij toch nog leefde. In 1944 trad Wals in dienst van een zwager die in Polen als aannemer werkte voor de Duitsers. Volgens de procesvoering zou hij daar een schrikbewind hebben gevoerd onder de arbeiders. In 1979 zei hij daarover: “Ik weet dat mij alles wat slecht is in de schoenen is geschoven. Dat schrikbewind is een pertinente leugen. Er was wat met een jongen die een Pools meisje had aangerand. Die heb ik een keer laten marcheren.” Ineens zei hij: “Als ik niet dáár had gezeten, had ik bij het verzet gezeten, want zo was mijn karakter. Dan was ik nu dood geweest. Nu leef ik, maar ik heb er duur voor betaald. Het ergste vind ik nog dat ik onderdeel ben geweest van een systeem dat bij volle verstand Joodse mensen heeft weggehaald en uitgeroeid. En niemand durfde iets tegen me te zeggen. In Nederland was iedereen die me niet goed kende bang. Logisch. Alleen de directeur van de baan in Eindhoven heeft met me over de SS gesproken, althans over dat shirt. Daar ben ik hem dankbaar voor. Natuurlijk heb ik hem niet aan de Duitsers verraden, daar was hij bang voor. Ben je gek. Adrie Zwartepoorte, die niet heeft gereden in de oorlog, is verstandig geweest, de verstandigste. Hij was een kleine renner, had geen klasse maar blijkbaar wel veel hersens. Had ik dat maar gedaan.” In 1945 keerde Wals terug in Nederland. In Tilburg kwam hij de bekende wielersoigneur Jan van Dinteren tegen. “Ik wist tot dat moment niets van de razzia’s en jodentransporten, was me van geen kwaad bewust. Ik heb me vrijwillig in Vught gemeld, liep naar de schildwacht die de wacht hield en zei: ik ben Cor Wals, kom me melden. Voor mijn gevoel had ik niets gedaan behalve het uitoefenen van vreemde krijgsdienst.” Hij toonde ons een foto van zichzelf in gestreepte gevangeniskleding achter tralies met als onderschrift: ‘Eens toegejuicht door duizenden, daarna weggehoond en uitgefloten, en nu eenzaam achter de tralies. De bekende zesdaagse renner Cor Wals in het kamp Vught.’ Wals: “Ik heb niet vrijwillig voor de foto geposeerd. Wat je niet kunt zien, is dat ik een geweer in mijn rug had.” Kees Pellenaars, ex-koppelgenoot van Wals en later bekende ploegleider, vertelde ons dat Wals boos werd toen Pellenaars een keer ‘die koleremoffen’ riep. Voor het eerst die middag reageerde hij boos. “Pel zei dat? Juist hij? Ik zal jullie vertellen hoe het zat. Ik zat gevangen in kamp Vught toen iemand naar me toe kwam en vroeg: ‘Was Pellenaars lid van de SS? Hij ontkent het namelijk, maar staat wel ingeschreven.’ Toen dacht ik: laat ik hem redden, want misschien kan hij mij later ook nog eens helpen. Ik zei dus: ik heb hem lid gemaakt zonder het hem te vertellen.” We vertelden dat in de biografie van Pellenaars staat dat Wals hem tegen zijn zin een SS-blad liet toesturen. “Dat is van A tot Z gelogen. Net als in mijn proces ook is gelogen dat ik meerdere keren in een SS-shirt heb gereden. Dat was precies één keer. Dat is erg genoeg, maar dan moeten ze er niet meer van maken. Pellenaars en ik vormden samen een koppel, we waren beiden niet geïnteresseerd in politiek. Hij liegt ook als hij suggereert dat ik al voor de oorlog sympathiseerde met de NSB of met de Duitsers. Ik ben er pas in het najaar van 1940 bijgekomen en dat weet Pellenaars dondersgoed. Er is maar één waarheid. Toen we visa voor buitenlandse reizen moesten aanvragen en ik ze moeiteloos kreeg, zoals ik ook probleemloos benzine voor mijn auto kreeg, zei ik tegen Pellenaars: Kees, jij moet ook lid worden, dan hebben we nooit problemen met visa. Kees zei: ‘Oké, doe maar.’ Toen heb ik hem ondersteunend lid gemaakt van de Germaanse SS in Nederland. Ik heb hem eind 1940 in Utrecht aangemeld, dus hij wist precies waarom hij dat blad kreeg opgestuurd. Hij heeft zich niet op eigen initiatief aangemeld, ik zal ook niet zeggen dat hij sympathiseerde met de Duitsers of de SS, maar hij is vanaf 1940 met zijn eigen goeddunken lid geweest.” We vroegen Wals of hij ook tijdens zijn proces in 1947 spijt had betuigd, zoals hij dat tijdens ons gesprek had gedaan. “Ik heb mijn eis tot vijftien jaar mogen aanhoren, heb niets mogen zeggen. Ik moest hoe dan ook zwaar worden gestraft. Dat ik ben gestraft, vind ik niet erg. Wel vind ik het erg dat ik geen eerlijke rechtszaak heb gehad. Begrijpelijk voor die tijd, maar niet eerlijk. Maar ja, wat zeur ik. Ik ben stom geweest. Ik ben tot twaalf jaar veroordeeld, onder andere omdat ik door het rijden in een SS-shirt tijdens een Nederlands kampioenschap een slecht voorbeeld ben geweest voor de jeugd. Ik ben in 1952 vrijgekomen en alleen dankzij mijn tweede vrouw ben ik er bovenop gekomen.” Kees Pellenaars (1913-1988) Hij vormde vanaf 1938 dus een koppel met Wals op de baan. Ook Kees Pellenaars was een graag geziene Nederlandse renner op de Duitse wielerbanen tijdens de oorlog. Hij reed veel in Berlijn. Tot 15 januari 1943, toen bij een Britse luchtaanval het dak van de Deutschlandhalle in brand vloog, waardoor de koepel instortte. “Ik heb in het begin niets gemerkt van de NSB-sympathie van Wals,” vertelde Den Pel in 1979. “We moesten in 1941 een keer met de auto de Moerdijkbrug over. Toen we daar een tijdje stonden te wachten omdat er weer zo’n Duitse controlepost was, zei ik: die koleremoffen. Wals zei: ‘Ho, ho, je moet me niet beledigen Kees, want ik hoor daar ook bij.’ Toen voelde ik wel dat ik moest oppassen. Wals, had ik wel gemerkt, kon altijd iets regelen.” Ook Pellenaars wist of merkte niets van concentratiekampen of deportaties als hij door Duitsland reisde. “Je was alleen maar bezig met wielrennen. Ik verdiende goed de kost. Hadden we dan moeten stoppen met wielrennen? In Duitsland was niets te merken. Het enige dat ik me kan herinneren, was dat we volop te eten hadden. Wat ik in de oorlog heb gedaan, was gewoon fietsen voor mijn brood. De rest kon me niet schelen. Moeten jullie je eens indenken: sliepen we in een wachtkamer op een betonnen vloer, hartstikke druk, omdat al die soldaten uit Leningrad terugkwamen. Moest je nog oppassen ook, want die mensen zaten onder de luizen. Je zag soms krijgsgevangenen lopen, maar daar lette je niet op.” In zijn biografie, geschreven door Pierre Huyskens, was Pellenaars de ‘good guy’ tegenover ‘bad guy’ Cor Wals. Pellenaars durfde naar eigen zeggen niet te breken met Wals. “Bang als ik was dat ‘ie me zou flikken. En dat hij daartoe in staat was, heeft hij herhaaldelijk laten blijken ook.” Voor zover bekend heeft Wals geen mensen verraden. Jan Derksen (1919-2011) Hij werd in 1939 wereldkampioen en bleef dat vervolgens zes jaar lang doordat er geen WK’s werden gereden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook Jan Derksen stond ons te woord. “We zijn in 1939 meteen per trein uit Milaan via Basel, Frankfurt en Keulen teruggereisd naar Nederland. Kort daarna vloog ik over zee naar Kopenhagen, omdat de treinen niet via Duitsland mochten rijden en de vliegtuigen niet over Duitsland mochten vliegen. In de winter van 1939-1940 heb ik onder enorme belangstelling verscheidene wedstrijden gereden in de Deutschlandhalle in Berlijn. De sfeer was geweldig, zonder meer. Ook in ’41 en ’42 was het er qua sport geweldig.” Ook Derksen herinnerde zich zijn vermoorde collega Albert Richter. “Een heel fijne renner. Ik weet nog dat hij is doodgeschoten omdat hij bezittingen van zijn manager, Berliner, een jood, naar Zwitserland wilde brengen. Hij was verraden, is uit de trein gehaald en gefusilleerd.” Anno 1979 besefte Derksen dat sport voor de Duitsers een reclamemiddel was om te laten zien dat het leven gewoon doorging. We vroegen hem of hij tijdens zijn reizen door Duitsland iets van de oorlog merkte. “Als we met de trein uit Zwitserland kwamen, gooiden we bij Freiburg vaak sigaretten naar krijgsgevangen die daar aan het spoor stonden te werken. Dat mocht absoluut niet.” En moeite met de wedstrijden in Duitsland, het land waarmee Nederland in oorlog was? Derksen: “Tja, je leefde helemaal voor de sport. Ik vond dat gedoe altijd wel vreselijk: visum aanvragen, uren wachten in de rij voor één wedstrijdje. Maar aan de andere kant was je blij dat het kon. Het voordeel dat je door die sport had, was enorm. Je was jong en greep de mogelijkheden die de sport je bood met beide handen aan. Ik zie het ook absoluut niet als iets verkeerds als ik terugkijk op wat wij hebben gedaan. Dat wij in Duitsland, Zwitserland en zelfs in Parijs mochten rijden, dat was een voorrecht dat je niet zomaar liet schieten. Wat Cor Wals heeft gedaan, dat kon natuurlijk niet. Cor dacht: die Duitsers winnen de oorlog en dan ben ik de man. Dom natuurlijk, je moet dat soort zaken niet bij de sport halen.” Arie van Vliet (1916-2001) Hij behoorde met Jan Derksen voor, tijdens en na de oorlog jarenlang tot de beste baansprinters ter wereld. Trok baanwielrennen voor de oorlog nauwelijks publiek, in de oorlog zaten de tribunes bomvol, aldus Arie van Vliet. “De mensen waren blij met de afleiding die wij ze boden.” Van Vliet, winnaar van goud op de 1-km tijdrit bij de Spelen van Berlijn in 1936, veelvoudig wereldkampioen sprint en in 1953 sportman van het jaar, ontving bij wedstrijden in Berlijn in stadions vol hakenkruisvlaggen in 1942, 1943 en 1944 na een overwinning kransen met een hakenkruis. “Aan die vlaggen was je gewend. Tijdens de Olympische Spelen van Berlijn in 1936 hing naast de vlaggen van alle landen in het stadion ook de hakenkruisvlag. Daar lette je niet op. Tijdens de wereldkampioenschappen in 1938 in Amsterdam hingen die vlaggen ook in het Olympisch Stadion. Ze zeggen nu wel: nicht gewusst. Maar zo was het ook.” Over de verdiensten in de oorlog, vertelde Arie van Vliet: “We verdienden goed, reden tijdens het NK op recettebasis, dat was voor de oorlog ontstaan toen er weinig publiek was. In het tweede oorlogsjaar zaten er 40.000 mensen op de tribune. Ik won twee titels en verdiende 9000 gulden. Voor wedstrijden in Duitsland beurden we gauw zeven- à achtduizend mark, plus de reis- en verblijfskosten. We reisden vaak met de auto en als ik door Duitsland reed, had ik nooit enig idee wat er aan de hand was. Ik heb wel kampen gezien en ook krijgsgevangenen, maar verder wist ik niets. Ik luisterde veel naar Radio Oranje (het radiostation van de regering in ballingschap in Londen, red). Daar werd ook nooit iets gezegd over vergassingen.” Daar had Van Vliet een punt. Na de oorlog is met name koningin Wilhelmina verweten dat ze in mei 1940 niet alleen meteen naar Londen vluchtte en haar landgenoten in de steek liet, maar ook dat ze in haar wekelijkse radiopraatjes via Radio Oranje nauwelijks tot geen aandacht vroeg voor de deportaties van de 105.000 Joden naar de vernietigingskampen. Van Vliet: “Het verstand van nu is niet te vergelijken met het verstand van 1942. Toen wist je niets, je fietste.” Gerrit Schulte (1916-1992) “In Berlijn had ik al het gevoel dat er rottigheid zou komen,” vertelde Gerrit Schulte, die in 1936 meedeed aan de Spelen. “In het Olympisch dorp merkten we dat de conciërge van ons gebouw veel minder te eten kreeg dan wij. ‘Er staat hier iets te gebeuren,’ zei hij me al. Toen ik hem een keer extra eten gaf, reageerde hij heel geschrokken. Hij was bang dat hij gesnapt zou worden. Zo was de sfeer toen al.” Door een schorsing reed Schulte aanvankelijk nauwelijks in de eerste oorlogsjaren, tot de Sport- und Pressereferent van de Rijkscommissaris voor bezet Nederland, Herman Harster, er persoonlijk voor zorgde dat Schulte terugkeerde op de piste. In 1944 reed Schulte nog in Dortmund. “De Nederlanders reden daar zo goed dat we de concurrentie binnen de kortste keren op rondes achterstand hadden gereden. Machtig was dat, dat kunnen jullie je voorstellen. En het publiek was erg sportief.” Schulte had er nooit aan getwijfeld of fietsen in Duitsland wel kon tijdens de oorlog. “Een sportman bemoeit zich niet met politiek. Daarom is het nooit in me opgekomen om te weigeren wedstrijden in Duitsland te rijden. Ik was bang voor bombardementen, maar verder was het al met al een leuke tijd. Ik heb ook fijne Duitse collega’s leren kennen. Als we met de groep Nederlandse renners in de trein door Duitsland reden, zaten we te zingen en lekker wit brood te eten met dik roomboter erop. Die Duitsers zeiden dan: ‘Mensch, halten Sie doch die Schnauze, wir haben es so schwer in Leningrad.’ Dan riep ik: ach, lik m’n reet. Want politiek interesseerde me niets. Geloof me, je lette echt niet op de vlaggen in 1942 in de Deutschlandhalle. Het klinkt misschien raar voor jullie, maar het enige waar je mee bezig was, was wielrennen en nog eens wielrennen. Er is nog nooit iemand geweest die mij kwalijk heeft genomen dat ik in Duitsland heb gereden. De mensen vormden in die tijd een eenheid, ze stonden naast en achter elkaar, ze waren tolerant. Nu hangen ze elkaar op, gunnen ze elkaar niets. Het is niet te hopen dat deze generatie met een oorlog wordt geconfronteerd. Ik geloof niet dat ze erin zouden slagen om zich er zo doorheen te slaan als wij dat in de oorlog hebben gedaan. Weten jullie waarom ik na de oorlog nooit een centje last heb gehad? Omdat ik de mensen met wielrennen veel plezier heb geschonken, ik heb ze iets gegeven.” Het allerlaatste Nederlandse kampioenschap onder de bezetters werd verreden in Valkenburg in 1944 en gewonnen door Gerrit Schulte. Adrie Zwartepoorte (1917- 1991) De Nederlandse wielrenners hadden niet te klagen over de medewerking van de bezetter, de nazi’s hadden niet te klagen over het vertier dat toppers als Van Vliet, Pellenaars, Derksen, Schulte en tot zijn vertrek naar het oosten ook Wals het publiek in Europa boden. Overal waren ze graag geziene gasten. Een van de renners die in de oorlog weigerde in ruil voor veel geld te blijven fietsen, was Adrie Zwartepoorte: nationaal kampioen profstayers in 1940, voor Schulte en Wals. Ook hem zochten we op. “Ik voelde er niets voor in Duitsland te gaan rijden, om daar geld te gaan verdienen. Dat ging me te ver. Ik heb er nooit met mijn collega’s over gesproken waarom zij wel in Duitsland hebben gereden. Het had geen zin. Mijn vader was voor de oorlog lid van de SDAP. Hij heeft me ook aangeraden te stoppen met wielrennen. Toen ik heel klein was, zei hij al dat ik niet te veel met Duitsers moest omgaan. Die opvoeding is van invloed geweest. Ik heb natuurlijk wel gewerkt in de oorlog, heb vier kinderen in die tijd gekregen.” Zwartepoorte stopte in 1940 met wielrennen, kreeg in 1943 een oproep PTT- beambte in Berlijn te worden, weigerde, dook onder en werd actief in het Amsterdamse verzet. Geëmotioneerd dacht hij terug aan de dag dat hij met twaalf vrienden door de Valkenburgerstraat in de Amsterdamse Jodenbuurt liep. Uit een naderende overvalwagen werd plotseling geschoten. Drie verzetskameraden stierven. “Als ik had gewild, had ik in die tijd veel kunnen verdienen met wielrennen. Bijna alle jongens die in Duitsland reden, kregen behalve hoge gages alle kans in hun stuur, in hun banden, in al- les wat zich daar maar voor leende, geld te smokkelen. Die jongens hebben veel geld verdiend. Zoiets moet je kunnen, ik kon het in elk geval niet.” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Haantje de voorste

Van Julian Alaphilippe (27) worden wonderen verwacht in Frankrijk. [...]
Van Julian Alaphilippe (27) worden wonderen verwacht in Frankrijk. Hij moet de Fransen de eerste Tourzege sinds 1985 bezorgen. En als het even kan ook nog olympisch goud pakken in Tokio. “Julian heeft een goeie kop en ligt goed bij de vrouwen.” Zijn grootste overwinning van de laatste tijd boekte Julian Alaphilippe niet op de fiets. Tijdens de Ronde van Colombia in februari liet hij weten dat hij sinds kort een relatie heeft met Marion Rousse. De oud-wielrenster en verslaggeefster van de Franse tv en Eurosport was twaalf jaar samen met wielrenner Tony Gallopin, maar aan die relatie kwam vorig jaar een einde. Het nieuwe sterrenkoppel was meteen hot news in Frankrijk. Het wordt nog drukker rond de bus van Deceuninck-Quick-Step weet teambaas Patrick Lefevere ook. Steeds meer mensen en media zullen iets van Alaphilippe willen. “Julian is de meest extraverte persoon van de ploeg, hij staat meteen op de tafels te dansen. Je moet Julian altijd een beetje in de gaten houden. Hij houdt van feesten, heeft een goeie kop en ligt goed bij de vrouwen.” Maar Lefevere betitelt hem ook als een lieve, zachtaardige jongen. “Ik wens iedereen zo’n zoon of schoonzoon. Er schuilt werkelijk niets slechts in dat kereltje. Doodeerlijk, altijd vriendelijk. Als hij me ziet, pakt hij me vast en drukt me bijna plat. Dat raakt me. Wij Vlamingen zijn dat niet gewend.” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Alles voor de perfecte sprint

Dylan Groenewegen (26) is misschien wel de snelste sprinter van [...]
Dylan Groenewegen (26) is misschien wel de snelste sprinter van het peloton. Zijn successen dankt hij volgens eigen zeggen niet alleen aan zijn toewijding voor het harde wielermetier, maar ook aan alle offers die zijn vriendin Nine Storms (22) bereid is te maken. We gingen bij hen langs. De fiets, de fiets en verder niets. Voor redelijk wat profwielrenners lijkt een somber monnikenbestaan de bijbel voor hun succes te zijn. Hun hele dagindeling wordt ingericht naar de wielercarrière. Voor Dylan Groenewegen en zijn vriendin Nine Storms is het niet anders. Dit zijn de jaren waar het in de sprint moet gebeuren voor de Amsterdammer. Het jonge koppel accepteert dat ze in deze periode van hun leven ‘gevangen’ zitten in een strak regime van trainen, rusten en wedstrijden rijden. Nine heeft zelf van haar twaalfde tot haar achttiende gefietst. Als eerstejaars werd ze teruggeworpen door een darmziekte. Al had ze zelf ook snel in de gaten dat ze geen tweede Anna van der Breggen, Annemiek van Vleuten of Marianne Vos was. “Daarnaast wilde ik op jonge leeftijd al uit huis en zelfstandig wonen. Dat kon ik financieel alleen opbrengen als ik fulltime ging werken. Een combinatie met het wielrennen was dan niet meer mogelijk,” blikt ze terug wanneer we het stel bezoeken in hun pas gerenoveerde huis aan het water in Vinkeveen. Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Theo Bos: ‘Geen poespas, gewoon rammen’

Hoewel zijn pensioen aanstaande is, wil Theo Bos [...]
Hoewel zijn pensioen aanstaande is, wil Theo Bos (36) graag nog voor een zesde keer wereldkampioen op de baan worden. Het zou zijn carrière ‘rond’ maken. In aanloop naar de WK baan (26 februari-1 maart) in Berlijn gaan we met de baansprinter op wereldreis. Pratend wedpaard in Japan “Het is niet zo dat iedere Japanner weet wie Theo Bos is. Ik ben daar lang niet zo beroemd als kickboksers Remy Bonjasky, Peter Aerts, Ernesto Hoost of Sem Schilt, die daar echt heel bekend zijn. Maar binnen de Japanse keirinwereld weet iedereen wel wie ik ben. Afgelopen jaar heb ik er ook weer iets van zes maanden gezeten. Japan is eigenlijk mijn tweede thuis. Ik ben in 2003 voor het eerst naar Japan gegaan om mee te doen aan de keirin. Die is daar heel groot en er wordt flink op gewed. Tijdens de wedstrijden gaan we in quarantaine, worden we afgesloten van de hele wereld. Telefoons, computers en andere communicatiemiddelen zijn een paar dagen verbo­den, alles om matchfixing te voorkomen. Drie dagen lang kan ook mijn vriendin Anne me dan niet bereiken. Het is een eigen wereldje waar ik deel van uitmaak in Japan. Eigenlijk ben ik een pratend wedpaard. Met het publiek, veel­ al gokkers, heb ik eigenlijk geen contact. We komen de baan op, doen ons ding en worden daarna weer afgeschermd van iedereen. Er staan weleens mensen te wachten voor een hand­tekening. Ik mag dan soms nog even een krabbel zetten, maar dat is het dan ook wel.” Levert het nog wat op om in te zetten op jou? “Nee, dat is niet heel lucratief. Als je een euro inzet op mij, krijg je er anderhalve euro voor terug. Vergeleken bij de veelal Japanse renners tegen wie ik het daar op moet nemen, ben ik nog wel een klasse apart.” Ik neem aan dat je er ook nog wat aan overhoudt... “Het is eigenlijk broodfietsen wat ik daar doe, mijn jaarsalaris fiets ik daar in een half jaar bij elkaar. Ik denk dat ik het een stuk minder leuk zou vinden om jaarlijks zes maanden in Japan te zitten als ik er niet zo goed mee zou verdienen, zo eerlijk ben ik dan ook wel weer.” The Boss in Bordeaux “Bij de WK in Bordeaux in 2006 was ik op mijn top. Ik won met overmacht de sprint en de keirin, reed echt superhard.” Je werd The Boss genoemd, werd gekozen als Sportman van het Jaar. Alles wat je in die tijd aanraakte, veranderde in goud. “Klopt, maar tegelijkertijd wist ik dat ik een niveau had neer­ gezet waar de concurrentie naartoe zou gaan werken. Om hen voor te blijven, moest ik er een schepje bovenop doen. Dat deed ik ook en het jaar erop reed ik weer wat harder. Ik prolongeerde op Mallorca mijn wereldtitel op de sprint, maar zag ook dat de concurrentie dichterbij kwam. Ik wist toen al: dit niveau is waarschijnlijk niet goed genoeg om in Peking olympisch kampioen te worden en ben weer harder gaan trainen.” Was de WK in Bordeaux het mooiste moment uit deel één van je wielercarrière? “Dat was heel erg mooi, maar ik kies toch voor mijn eerste wereldtitel. Ik pakte goud op de sprint bij de WK in Melbourne in 2004, een paar maanden voor de Spelen. Een Nederlander die wereldkampioen werd op de sprint, dat kwam zo onverwachts. Ik had nooit gedacht dat ik dat kon worden. Sprinters waren allemaal van die enorme beulen. Liep ik daar rond met mijn spillebeentjes tussen die gasten met enorme dijbenen en opgepompte lichamen. Ik was eigenlijk iemand die het best tot z’n recht kwam op de kilometertijdrit, maar klopte ineens al die krachtpatsers. Hoorde ik ineens in het rijtje Arie van Vliet, Jan Derksen, Piet Moeskops en Leijn Loevesijn, mannen over wie ik als jochie boeken had gelezen.” Tranen in Peking “Daar had het voor mij moeten gebeuren, maar uitgerekend op de Spelen in Peking ging er van alles fout. Ik weet niet eens meer dat ik in tranen was, maar mijn droom viel daar in duigen.” Destijds was je zo beduusd dat je niet wist wat er precies mis was gegaan. Weet je dat inmiddels wel? “Ik werd bij de WK van 2008, in Manchester, op een paar millimeter geklopt door de latere olympisch kampioen Chris Hoy, terwijl ik daar ook weer harder reed dan in 2006 en 2007. Ze hadden aansluiting gevonden bij mij. Meteen na dat WK ben ik nog harder gaan trainen. Ik dook het krachthonk in om in die laatste maanden te proberen toch nog sterker te worden, ging nog beter op mijn voeding letten. Tot op de minuut probeerde ik alles te regisseren. Dat gold ook voor mijn sprintmaatjes Teun Mulder en Tim Veldt. We legden onszelf een spartaans regime op. Ik ben te extreem aan de slag gegaan, kan ik achteraf zeggen. Ik kwam te vermoeid aan op de Spelen. Met de kennis van nu was het juist beter geweest om na dat WK meer rustmomenten in te bouwen. Ach, wisten wij veel. Bondscoach Peter Pieters had het Nederlandse baanwielrennen bij de hand genomen in het najaar van 1998, voor die tijd was er niks. Wij waren aan het pionieren.” Raakte je in paniek nadat je werd geklopt door Hoy een paar maanden voor de Spelen? “Het was niet zozeer paniek. Het probleem was eerder dat we nog niet in die situatie hadden gezeten. Tim, Teun en ik bedachten zelf onze trainingsprogramma’s, waren zelf het wiel aan het uitvinden. En eerlijk, we wisten eigenlijk niet eens wat we aan het doen waren. De steun en kennis waar de baan­ sprinters van nu gebruik van kunnen maken, ontbraken in die tijd. En we moesten het opnemen tegen de Britten, waar op de achtergrond een heel team met deskundigen en wetenschappers bezig was en waar de financiële middelen onuitputtelijk waren. Zij waren op alle vlakken een stap verder, waren er in 2008, met de Spelen van 2012 in Londen in het achterhoofd, klaar voor om het baanrennen te gaan domineren. En tegelijkertijd draai­de het met de hele Nederlandse baanploeg voor geen meter in Peking. Peter Pieters werd keihard onderuit gefietst door Levi Heimans. Dat had heel slecht af kunnen lopen. Niki Terpstra kwam op weg naar de baan ten val en brak allebei zijn armen. Tal van renners kwamen niet vooruit, waaronder ik op de team­ sprint en sprint. Mijn enige kans op een medaille was de keirin. Daarin viel in de halve finale iemand voor me die ik niet meer kon ontwijken waardoor ik meteen was uitgeschakeld. Het was één groot drama.” Maar denk je dat je in 2008 een olympische plak had gewonnen als je die derde manche in de sprint niet op een paar millimeter van Hoy had verloren bij de WK in Manchester? “Ik was het niet gewend om te verliezen, daar baalde ik flink van. Maar ik denk niet dat het invloed heeft gehad op het resultaat in Peking. Eigenlijk heb ik twee jaar te vroeg mijn piek gehad en daarmee de concurrentie, met name de Britten, laten zien naar welk niveau ze toe moesten gaan werken.” Na de Spelen besloot je de overstap naar de weg te maken. Was dat een vlucht? “Ruim voor de Spelen dacht ik al: ik zou het een keer willen proberen op de weg. Maar wat bij mijn beslissing zeker invloed had, was dat ik zag hoe dominant de Britten waren op de baan. En die dominantie zou niet veranderen tot en met de Spelen in eigen land in 2012. Van hen zou ik het niet gaan winnen, ik zou hooguit derde kunnen worden, beredeneerde ik. En de voorspelling dat de Britten zouden gaan huishou­den in Londen kwam ook uit. Sterker, het plan dat de Britten hadden uitgerold op de baan, met Sky als geldschieter, hebben ze vanaf 2010 ook meegenomen naar de weg en ook daarop werden ze dominant. 'Eerst was ik Theo de baanrenner en daarna Theo de wegrenner. Je moet het zien als iemand die ontslag heeft genomen en aan een andere baan is begonnen' Nadat ik overstapte werd de Duitse oud­topsprinter René Wolff bondscoach in Nederland en hij heeft eigenlijk voor het eerst een echt sprintprogramma ontwikkeld. Hoewel René nu weg is, heeft de generatie Nederlandse baansprinters die het nu zo goed doet, daar nog dagelijks profijt van. Als wij iemand als René erbij hadden gehad, dan waren we een stuk verder geweest. Had ik maar in de toekomst kunnen kijken...” Helden Magazine 50 Het eerste gedeelte van het verhaal van Theo Bos komt voort uit Helden Magazine nummer 50, waar op het moment van uitkomen een nieuw decennium is begonnen. Voor Helden een goed moment om jonge, nieuwe sporthelden te belichten. Sportman van 2019 Mathieu van der Poel draait alweer even mee, maar is net 25, wat jong is voor een wielrenner. De alleskunner siert de 50ste cover. In deze editie is er uitgebreid aandacht voor Generatie Z. Er zijn al tal van voetballers die na de eeuwwisseling zijn geboren, zijn doorgebroken of op het punt staan dat te doen. Onder meer Orkun Kökcü, Mohamed Ihattaren en Myran Boadu komen aan het woord. Daarnaast blikten wij aan de hand van afbeeldingen terug met de assistent-trainer van Feyenoord, John de Wolf. Heeft oud-aanvoerster Mandy van den Berg het plezier in het voetbal weer teruggevonden én lees je over de cultclub van Andries Jonker en Co Adriaanse. Verder in de 50ste editie van Helden gingen we langs bij schaatsster Esmee Visser en haar vriend Daan Olivier én legden we het supertalent, Remco Evenepoel, negen namen voor. Daarnaast kan meerkampster Anouk Vetter weer lachen, nadat ze in 2019 door een diep dal ging, is de 21-jarige Griek: Stefanos Tsitsipas de nieuwe ster in het tennis, gaat Victoria Koblenko langs bij judoka Noël van ’t End én verteld Yara van Kerkhof, hoe haar wereld compleet instortte. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Veldrijden

Mathieu van der Poel: ‘Het is uniek wat ik doe’

Mathieu van der Poel reeg de overwinningen aaneen [...]
Mathieu van der Poel reeg de overwinningen aaneen als veldrijder, wegrenner én mountainbiker in 2019. De verwachtingen van de 25-jarige MvdP zijn ook in 2020 torenhoog. “Ik weet nu dat ik olympisch goud kan winnen in Tokio, dat het niet langer alleen een droom is.” Het was een bijzonder jaar, ja, ''zegt Mathieu van der Poel glimlachend. Het hele jaar door was het MvdP wat de klok sloeg. Als veldrijder won hij zo goed als overal waar hij aan de start verscheen, met als hoogtepunt zijn tweede wereldtitel in Bogense. Op de weg maakte hij voor het eerst serieus werk van het voorjaar. Hij won meteen op zelden vertoonde wijze de Amstel Gold Race en nog tal van koersen. Op de mountainbike wist hij zijn eerste wereldbekerwedstrijden crosscountry en de Europese titel te winnen door onder anderen olympisch kampioen Nino Schurter te kloppen. Terug op de weg scheelde het in een kletsnat Yorkshire maar weinig of Mathieu had ook meteen de eerste Nederlandse wereldtitel op de weg sinds 1985 gepakt. Twaalf kilometer van de meet viel hij bevangen door kou en honger weg uit de kopgroep. Maar 2019 was ook nog eens het jaar waarin Mathieu uit huis ging om samen te wonen met vriendin Roxanne Bertels. En waarin hij op 13 november afscheid moest nemen van zijn opa, trouwe fan en wielerlegende Raymond Poulidor op 83-jarige leeftijd. In 2020 zijn de verwachtingen onverminderd hoog wat betreft de man die in december werd verkozen tot Sportman van het Jaar. Als crosser wordt niets minder dan de derde wereldtitel veldrijden verwacht op 2 februari. Op de weg zal hij als favoriet van start gaan waar hij ook maar verschijnt. Of dat nou zijn – mogelijke – debuut in Milaan-San Remo of Parijs-Roubaix betreft of zijn tweede deelname aan de Ronde van Vlaanderen. In Tokio moet hij zijn vier jaar durende avontuur als mountainbiker bekronen met olympisch goud. Zulke hoge verwachtingen, zoveel ogen op hem gericht. We legden Mathieu een paar quotes voor. “De afgelopen tien jaar zat vrijwel iedere grote koers door het ploegenspel op slot en dat is vooral door Mathieu nu wel even anders. Hij koerst met zijn hart en dus zit je in het voorjaar bij iedere koers op het puntje van je stoel. Er is een einde gekomen aan een periode van saaie, voorspelbare koersen.” - Leo van Vliet, oud-renner en organisator van de Amstel Gold Race - “Dat is een van de grootste complimenten die ik kan krijgen. Ik besef wel dat het uniek is wat ik doe, door het crossen, de weg en het mountainbiken te combineren. Maar de manier van koersen veranderen... Ik probeer dat wel en het is mooi dat mensen vinden dat ik dat ook werkelijk doe.” Je rijdt graag op je gevoel, terwijl in deze tijd veel coureurs op de weg kijken naar hun wattagemeter en luisteren naar wat de ploegleiding beslist in de volgwagen. “We zijn bij de ploeg ook wetenschappelijk bezig, hoor. Je kunt in deze tijd niet zomaar iets doen. Alles wat we doen is onderbouwd. Maar als de koers bezig is, luister ik vaak naar m’n instinct. Veel andere renners luisteren naar de orders uit de auto.” Hoe keek jij naar het wielrennen voordat je op de weg reed? Het was allemaal redelijk voorgeprogrammeerd, toch? Ergerde jij je aan de oortjes waarmee renners koersten? “Ik vind dat er oortjes moeten zijn, maar meer voor de veiligheid. Laat ze vanuit de auto maar waarschuwen voor gevaarlijke situaties. Verder vind ik dat je renners vrij moet laten bij het maken van beslissingen in de koers, daar krijg je mooie en onverwachte koersen van.” Niet alleen jij koerst op gevoel, ook Remco Evenepoel, Julian Alaphilippe en Wout Van Aert deden dat afgelopen jaar. Ligt dat aan jullie generatie renners, durven jullie meer? “Misschien wel. Ik denk wel dat het in klassiekers of eendaagse koersen beter gaat om op instinct te rijden dan in grote rondes. Als ik in grote rondes dag in dag uit ga koersen als ik vorig jaar heb gedaan op de weg, dan kan ik na een week naar huis, vrees ik.” Alaphilippe reed ook zo in de Tour, won twee etappes en reed lang in het geel. “Ja, dat is waar. Ik vond de eerste week van de Tour een van de mooiste die ik ooit heb gezien. En met die manier van koersen is hij inderdaad nog heel ver gekomen. Julian is ook wel een voorbeeld voor me. Hij is niet alleen een heel leuke, joviale jongen met wie ik goed contact heb, hij is ook iemand die aanvallend rijdt en die gewoon probeert plezier in het wielrennen te behouden. Zo wil ik ook koersen.” Door de successen op de weg in 2019 zullen steeds meer renners naar jou gaan kijken. Als je demarreert, zullen ze meteen in je wiel proberen te springen. “Misschien moet ik het een beetje rustiger aan gaan doen, wat langer wachten. Ik ga soms te vroeg in de aanval, terwijl het parcours er niet voor gemaakt is om van zo ver al aan te gaan.” Blijf nou gewoon aanvallen wanneer jij dat wil, dat maakt het voor ons juist leuk. “Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat het mij overwinningen gaat kosten.” Afgelopen jaar bracht het je ook juist overwinningen, toch? “Ja, dat weet ik ook. En als je het me op de man af vraagt, dan vind ik het ook leukst om zo te koersen. Soms win ik daardoor koersen en een andere keer verlies ik er juist door. Heel veel mensen komen na afloop zeggen dat ze me graag zien koersen, dat is me ook veel waard. Dat is ook een grote motivatie om het te blijven doen.” Krijg je van collega’s veel reacties op wat je doet? “Ja. Ik merkte het vooral in het voorjaar. Na elke wedstrijd kwamen er meer renners een praatje maken of om me te feliciteren. Vond ik leuk.” ''Hij moet nu bevestigen dat hij er echt staat. Iedere insider weet dat zo'n tweede jaar cruciaal is in een carrière.'' - Vader Adrie van der Poel - ''Mijn vader heeft misschien wel een punt, maar op zich heb ik al moeilijke jaren gehad. Tijdens mijn eerste profjaar bij de ploeg moest ik meteen het verlies van Niels Albert opvullen. Ik heb al wel wat meegemaakt in de loop der jaren, dus normaal gezien zou ik het wel aan moeten kunnen. Ja, 2019 is een heel goed jaar geweest. Extreem goed zelf. Vorig jaar verbeteren zal niet eenvoudig worden. Het was een uniek jaar. Maar ik ga in elk geval proberen om 2019 te evenaren of op z’n minst te benaderen. Voor 2020 heb ik ook heel veel doelen, die lopen als een rode draad door het jaar heen.” De vergelijking met je vader is er altijd geweest en zal er nog wel even blijven. Is dat af en toe irritant? “Ik heb er nooit last van gehad, heb het nooit als druk ervaren. Ik draag mijn naam met trots en ik vind het leuk dat ik door het winnen van de Amstel Gold Race in de voetsporen van mijn vader ben getreden. Aan zijn emoties na de finish kon ik zien dat hij trots was. Mijn vader heeft trouwens altijd al gezegd dat ik een grotere renner word dan hij is geweest. Geen idee waarom hij dat dacht. Dat zal de kenner in hem zijn. Hij heeft wel heel veel verstand van wielrennen, dus ik hoop dat hij gelijk heeft. Hij heeft een indrukwekkend palmares, heeft grote koersen op de weg gewonnen als Luik-Bastenaken- Luik, de Amstel Gold Race en de Ronde van Vlaanderen, in combinatie met veldrijden.” 'Als de koers bezig is, luister ik vaak naar instinct. Veel andere renners luisteren naar de orders vanuit de auto.' Wat voor rol speelt je vader in je loopbaan? “Mijn vader is degene die me alles heeft geleerd. Vooral op mentaal vlak heb ik veel van hem opgestoken. Hij is nu iets meer op de achtergrond, maar tijdens de cross doet mijn vader nog altijd mijn materiaal en we bespreken nog steeds mijn trainingen. Maar het is niet zo dat mijn vader van jongs af aan een pad voor me heeft uitgestippeld, hoor. Mijn broer David en ik waren altijd aan het sporten, maar het was niet alleen maar fietsen wat de klok sloeg. Ik voetbalde en tenniste ook. Vooral voetbal ging wel goed, ik heb nog eens meegedaan met Willem II. Ik liep er stage, maar viel af bij de laatste tien. Uiteindelijk moest ik kiezen. Het individuele in het fietsen sprak me aan. Ik heb het liefst alles in eigen hand. Toen mijn broer en ik begonnen met fietsen, kregen we handige tips van m’n vader. Hij heeft me altijd proberen te behoeden voor de fouten die hij heeft gemaakt tijdens zijn eigen wielercarrière. Mijn vader is een paar keer overtraind geweest. Ik heb dat ook een beetje in me, wil altijd maar doorgaan. Ik trainde soms ook te veel. Inmiddels weet ik wanneer ik rust moet nemen. Helden Magazine 50 Het eerste gedeelte van het verhaal van Mathieu van der Poel komt voort uit Helden Magazine nummer 50, waar op het moment van uitkomen een nieuw decennium is begonnen. Voor Helden een goed moment om jonge, nieuwe sporthelden te belichten. In deze editie is er uitgebreid aandacht voor Generatie Z. Er zijn al tal van voetballers die na de eeuwwisseling zijn geboren, zijn doorgebroken of op het punt staan dat te doen. Onder meer Orkun Kökcü, Mohamed Ihattaren en Myran Boadu komen aan het woord. Daarnaast blikten wij aan de hand van afbeeldingen terug met de assistent-trainer van Feyenoord, John de Wolf. Heeft oud-aanvoerster Mandy van den Berg het plezier in het voetbal weer teruggevonden én lees je over de cultclub van Andries Jonker en Co Adriaanse. Verder in de 50ste editie van Helden gingen we langs bij schaatsster Esmee Visser en haar vriend Daan Olivier. Legden we het supertalent, Remco Evenepoel, negen namen voor én gaan we op wereldreis met baansprinter Theo Bos, die graag zijn carrière ‘rond’ wil maken. Daarnaast kan meerkampster Anouk Vetter weer lachen, nadat ze in 2019 door een diep dal ging, is de 21-jarige Griek: Stefanos Tsitsipas de nieuwe ster in het tennis, gaat Victoria Koblenko langs bij judoka Noël van ’t End én verteld Yara van Kerkhof, hoe haar wereld compleet instortte. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Formule 1

‘Wij doen alle drie een trucje’

Sven Kramer, Steven Kruijswijk. En Max Verstappen zijn boegbeelden [...]
Sven Kramer, Steven Kruijswijk. En Max Verstappen zijn boegbeelden van de Nederlandse sport én Jumbo. Voor deze speciale Helden brachten we Max, Steven en Sven samen voor een goed gesprek. Sven: “Vergeleken bij Max zijn Steven en ik natuurlijk schildpadden.” Mijn dochter heeft gelukkig tot half negen doorgeslapen,” zegt Sven Kramer opgewekt als hij zijn gezicht laat zien op Schiphol voor een vlucht naar Monaco. Dochter Kae van één en vriendin Naomi van As moeten het weer een dag zonder hem doen. De voorbereiding op het nieuwe schaatsseizoen is in volle gang, maar er is nog ruimte voor een speciale ontmoeting met Steven Kruijswijk en Max Verstappen. Steven woont voor het wielrennen met zijn vrouw Sophie, zoontje Perre en dochter Feline aan de Côte d’Azur, waar het weer altijd goed is en hij goed kan trainen in de bergachtige omgeving. Max is een paar jaar geleden net als veel van zijn collega’s in de Formule 1 in het vorstendom aan de Middellandse Zee gaan wonen. Eens per jaar scheurt hij beroepshalve door de straten van zijn woonplaats. Het volledige verhaal lezen? Deze speciale editie van Helden is alleen te verkrijgen bij Jumbo. Bij aankoop van actieproducten krijg je het magazine gratis. Op = op! www.jumbo.com/helden