Word abonnee

Wielrennen

Wielrennen

Marianne Vos: ‘Ik doe geen dingen half’

Marianne Vos is al [...]
Marianne Vos is al jarenlang een icoon van het vrouwenwielrennen. Ze won onder andere dertien wereldtitels en tweemaal olympisch goud. De 35-jarige renster van Team Jumbo-Visma maakt zich ook al jaren hard voor haar sport. Mede door haar inzet keert de Tour de France voor vrouwen dit jaar terug. We legden Marianne acht foto’s voor. 29 januari 2006 [caption id="attachment_17620" align="alignnone" width="2500"] Marianne Vos pakt na de Europese titel veldrijden ook de wereldtitel. De achttienjarige scholiere blijft in Zeddam de Duitse Hanka Kupfernagel voor in de eindsprint.[/caption] “Ik was kandidaat voor een podiumplek, maar favoriet was ik niet. Ik stond heel ontspannen aan de start, kwam nog maar net kijken, eigenlijk zou elk resultaat al goed zijn. Het ging heel goed, ik kwam met Hanka Kupfernagel en Daphny van den Brand voorop te rijden. Daphny was de grote favoriet, maar reed lek. Dat was cruciaal. Hanka gaf daarna gas. Ik hoefde niet op kop te rijden, want Daphny zat achter ons. Hanka was loeisterk, ik moest alle zeilen bijzetten om haar bij te houden. Ik beet me vast in haar achterwiel. In het laatste rondje stond ik echt op het punt van lossen, ik moest zelfs een paar meter prijsgeven. Ik zei tegen mezelf: kom op Marianne, geef alles om in de laatste bocht in haar wiel te zitten. Ik wist dat ik Hanka op dat laatste stukje nog zou kunnen kloppen in de sprint. Dat lukte, maar goh, wat was ik kapot na de finish.” Dit was het moment dat ineens ieder­een in Nederland van jouw bestaan wist. “Bij de junioren had ik al wel wat gewonnen, maar dit was wel even een binnenkomer. En ja, toen stond ik ineens in de schijnwerpers. Ook al was het nog ‘maar’ als wereldkampioen veldrijden. Later dat jaar pakte ik ook nog de wereldtitel op de weg in Salzburg. Dat was helemaal onwerkelijk. Ik was nog scholier, werd in het diepe gegooid wat betreft aandacht, vond het in het begin best lastig hoe om te gaan met die plotselinge bekendheid. Mooi om kampioen te zijn maar de aandacht die erbij kwam kijken, hoefde van mij niet zo. Mijn ouders en broer stonden ook ineens volop in de belangstelling. Altijd ging het over mij, nooit om hen. Ze hebben me altijd gesteund, hebben altijd aangegeven dat ze het niet als vervelend hebben ervaren, maar ik voelde me daar soms best bezwaard over.” Die ongekende wil om te winnen, die jij al van jongs af aan hebt, is dat de sleutel tot jouw succes? “Als meisje van zeven kon ik al heel slecht tegen m’n verlies. Ergens is dat ook weer niet zo’n mooie eigenschap. Ik heb ook weleens gedacht: ga eens iets makkelijker met een teleurstelling om, het is maar fietsen. Uiteindelijk bracht die wil om te winnen me wel zover om nooit op te geven.” Mathieu van der Poel en Wout van Aert combineren de laatste jaren het veld­ rijden met een succesvolle loopbaan op de weg. Jij deed dat al vanaf 2006... “Jarenlang hoorde je dat er keuzes gemaakt moesten worden in de topsport. Nu is er een generatie opgestaan die allemaal ‘gekke dingen’ doet, die spot met wat zo lang werd gezien als de waarheid. Het blijkt allemaal te kunnen. Mij lukte het ook van jongs af aan om veldrijden en fietsen op de weg te combineren. Maar vergeet niet dat er echt wel een plan achter zat. Met een goed plan, kun je verschillende disciplines combineren in het fietsen.” Is het veldrijden juist de basis geweest voor een indrukwekkende carrière op de weg bij jou? “Dat explosieve van het veldrijden en diep in het rood kunnen rijden, kwamen goed van pas op de weg. Het zoeken naar de balans was niet altijd eenvoudig. Hoe ga je goed de winter in en kom je er ook sterk uit? Die puzzel oplossen vond ik juist zo interessant." 18 augustus 2008 [caption id="attachment_17621" align="alignnone" width="2169"] Marianne Vos pakt in Peking olympisch goud op de puntenkoers en wordt gefeliciteerd door haar vader. Eerder dat jaar pakte ze ook al de wereldtitel op dat baanonderdeel.[/caption] “Het idee om op de baan te gaan fietsen, was eigenlijk een idee van Thijs Rondhuis, destijds mijn coach bij Team DSB Bank Ladies. Op de weg kwam ik als het op een massasprint uitdraaide vaak iets te kort tegen de echte sprinters en tijdens tijdritten legde ik het af tegen de meiden met een grote motor. Thijs zei: ‘Als je nou eens op de baan gaat rijden om te werken aan die hoge snelheid, dan word je misschien een nog completere renner.’ Eigenlijk was de baan dus een training voor de weg. In december 2007 was er een wereldbeker op de baan in Peking. We moesten daar toch heen om het parkoers voor de olympische wegwedstrijd te verkennen, dus ik dacht: dan kan ik ook eens aan een wedstrijd op de baan meedoen. Ik deed mee aan de scratch en de puntenkoers, reed op instinct en dat ging heel goed. Ik pakte punten en ineens was er de mogelijkheid om me op de puntenkoers te kwalificeren voor de Spelen. Dat betekende wel dat ik punten moest pakken bij wereldbekerwedstrijden op de baan. Ik heb die in Kopenhagen en Los Angeles gereden, maar pakte niet voldoende punten. Als ik naar de Spelen wilde als baanrenner, was er nog één kans: wereldkampioen puntenkoers worden. Ik slaagde erin om de wereldtitel te pakken in Manchester, mocht dus meedoen aan de puntenkoers op de Spelen. Voor mij voelde de puntenkoers als een bonus om te kunnen doen naast de wegwedstrijd en de tijdrit. De wegwedstrijd viel letterlijk in het water. Het was de hele tijd heel heet geweest, maar tijdens de wegwedstrijd regende het en was het erg koud. We hadden geen jasjes meegenomen, hoe konden we zo stom zijn. Het gevolg was dat ik verkleumd raakte. Ik werd uiteindelijk zesde. Het was een goede leerschool, maar goh, wat baalde ik na die wegwedstrijd. De teleurstelling van de wegwedstrijd was nog behoorlijk aanwezig toen ik de overstap maakte naar de baan. Ik wist dat ik het niet zozeer van de sprints onderweg moest hebben. Er waren meiden bij die sneller waren dan ik, dus sprint na sprint winnen, zou lastig worden. Ik had dus al in m’n hoofd: als ik wat wil, dan moet ik zorgen dat ik een ronde voorsprong pak. En dat lukte. Van de wedstrijd kon ik me achteraf bijna niets herinneren. Ineens was ik olympisch kampioen. Ik zat in een flow, had geen idee van tijd. Dat heb ik vaker gehad in m’n carrière, dat is zo’n fijn gevoel.” Na die gouden medaille was je in tranen. Waren die van geluk of opluchting? “Allebei. Ik heb later weleens gedacht: waarom heb ik mezelf op m’n 21ste zoveel druk opgelegd? Die wegwedstrijd was zo’n deceptie. Dat goud op de baan was tegelijkertijd zo’n bevrijding. Ik ging toch naar huis met olympisch goud. Die ontlading was enorm.” Die gouden medaille was dus het gevolg van een uit de hand gelopen experiment. Waarom hebben we je daarna niet meer in actie gezien op de baan tijdens de Spelen? “Ik wilde in 2012 ook nog op het baanonderdeel omnium uitkomen op de Spelen, maar die missie mislukte. Die meerkamp van baanonderdelen lag mij wat minder dan alleen een wedstrijd met een start en een finish zoals de puntenkoers. Bij de WK in Apeldoorn in 2011 mocht ik nog wel de scratch rijden. Die won ik voor eigen publiek. Dat was ook heel mooi.” De Spelen in Parijs zijn al over twee jaar... Heb je nog baanambities? “Nee, ik heb voldoende uitdagingen op de weg en in het veld.” 13 december 2008 [caption id="attachment_17623" align="alignnone" width="2560"] Marianne Vos doet mee aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal in de Eerste Kamer in Den Haag. Het dictee wordt voorgelezen door Philip Freriks. Naast Marianne zit presentator Jochem van Gelder.[/caption] Lachend: “Ik hang bijna ondersteboven! Ja, als zogenaamd Bekende Nederlander word je weleens ergens voor gevraagd. Geregeld legde ik verzoeken naast me neer, ik hoefde niet zo nodig met mijn hoofd op tv. Of ik kreeg uitnodigingen voor programma’s die me wel leuk leken, maar die niet te combineren waren met het wielrennen. Bij dit verzoek dacht ik: laat ik het doen. Ik vond Nederlands altijd een leuk vak op school. Maar toen het dictee dichterbij kwam, dacht ik: waarom heb ik nu weer ‘ja’ gezegd. Ik wilde het toch goed doen en vooral niet afgaan. Het was spannend, maar achteraf wel leuk.” In de beginjaren heb je ook nog geprobeerd om studeren en wielrennen te combineren. “Ik had het vwo gedaan en ben een studie biomedische wetenschappen begonnen. Maar al snel werd duidelijk dat die opleiding niet te combineren was met het fietsen. Ik vond dat in het begin best lastig. Ik ben opgegroeid met: je moet je school afmaken en je papieren halen. Het was een bewuste keuze om volledig voor het fietsen te kiezen, maar het heeft wel een tijd gevoeld als verkwanselen van talent dat ik geen vervolgopleiding heb afgerond.” Heb je weleens het gevoel dat je jezelf intellectueel meer uit wilde dagen? “O, zeker. Ik heb ook online opleidingen gevolgd: de cursus sportcoaching en de cursus sportpsychologie. De eerste heb ik afgerond, de tweede niet. Topsporter zijn, is wel een erg eendimensionaal leven. Wanneer je alleen maar fietst, bekruipt je weleens het gevoel: ontwikkel ik mezelf wel genoeg als mens? Als je er dan beter over nadenkt, kom je tot de conclusie dat je van het wielrennen ook als mens weer veel leert. Als topsporter ben je directeur en eigenaar van je eigen ‘onderneming’. Ik ben voortdurend bezig met plannen, focussen en verbeteren op allerlei vlakken. Dat zijn ook leerzame prikkels. Maar toch bekruipt me nog af en toe, vooral buiten het wegseizoen, het gevoel: moet ik niet nog iets extra gaan doen, moet ik me niet ergens meer in gaan verdiepen? Maar als ik er beter over nadenk, weet ik: fietsen is voor mij iets wat ik 24 uur per dag en zeven dagen in de week doe, dat slokt al mijn tijd op. En in mij zit: ik doe geen dingen half, maar altijd met de volle focus.” 29 juli 2012 [caption id="attachment_17624" align="alignnone" width="2560"] Marianne Vos pakt olympisch goud tijdens de wegwedstrijd in Londen. In beestenweer wint ze de sprint op The Mall bij Buckingham Palace van de Britse Elizabeth Armitstead. De Russische Olga Zabelinskaya pakt het brons. Marianne pakte in 2012 ook nog de wereldtitel veldrijden en de wereldtitel op de weg.[/caption] "Dit is misschien wel het ultieme stukje topsportgeluk in mijn carrière." Je ging als topfavoriet van start, ging al op veertig kilometer van de finish in de aanval en flikte het. “We maakten vooraf met het team een plan en dat hebben we volgens het boekje uitgevoerd. Eerst maakten we de koers hard en daarna zou op de laatste beklimming van Box Hill de ultieme aanval volgen. We hoopten vooraf op slecht weer, want dat zou de omstandigheden nog net wat zwaarder maken en dat was in ons voordeel. Voor de start was het hartstikke mooi weer, na de finish brak het zonnetje ook snel door, maar tijdens de wedstrijd regende het voortdurend. Ik kwam voorop met de lokale favoriete Lizzie Armitstead en de Russische Olga Zabelinskaya. De Russische was al tevreden met brons, dus zij deed heel veel kopwerk. We wisten dat de achtervolgende groep volop op ons jaagde. We hadden geen idee van de verschillen, maar zagen in de verte achter ons wel steeds de koplampen van de auto’s die bij de achtervolgende groep reden. Tot twee kilometer van de finish hebben we daardoor heel goed samengewerkt met z’n drieën. De laatste kilometer is de meest zenuwslopende geweest van mijn loopbaan. De slechtste gedachte op dat moment is dat je denkt: ik wil niet verliezen. Je moet juist denken: ik wil winnen. Maar toch schoot die gedachte dat ik niet wilde verliezen door m’n hoofd in die laatste kilometer. Maak geen fout, doe niets verkeerd, zei ik tegen mezelf. Het is me toch gelukt om op het laatst die gedachten wat er fout zou kunnen gaan uit te schakelen. Geen twijfels meer, gaan!” Wereldtitels op de baan, de weg en in het veld. Olympisch goud op de baan. Maar je moet toch ook wel het gevoel hebben dat je bevoorrecht bent, omdat je zo goed als alle grote wedstrijden een keer hebt gewonnen? “Nou, het geeft wel een bepaalde rust.” Je had in Londen ook de sprint kunnen verliezen en dan had je wellicht het gevoel gehad dat er nog iets ontbrak. “Toch denk ik dat ik dat niet zo zou hebben gevoeld. Maar ja, dat is makkelijk praten als je wel olympisch goud op de weg hebt gewonnen, dat geef ik toe. Het geeft ook wel rust dat ik niet iets hoef na te jagen dat me misschien nooit gaat lukken. Maar wat ik probeer te zeggen: geluk zit voor mij niet in de hoeveelheid titels.” Jouw bijnaam luidt wel De Kanni­baal... “Ja... Nou, als ik dan maar wel word gezien als een goedaardige kannibaal.” 18 december 2012 [caption id="attachment_17625" align="alignnone" width="2560"] Koningin Beatrix, kroonprins Willem-Alexander en prinses Margriet poseren met de medaillewinnaars van de Olympische en Paralympische Spelen van 2012. De sporters zijn ontvangen in het paleis op de Dam. Rond de koningin staan de sporters die voor individueel olympisch goud zorgden: Epke Zonderland, Marianne Vos, Ranomi Kromowidjojo en Dorian van Rijsselberghe.[/caption] “Daar staat een mooi rijtje sporters rond Koningin Beatrix, hè. Ze hadden me wel behoorlijk prominent neergezet.” Weet je nog wat koningin Beatrix tegen je zei? “Ja, ze had het vooral over de heftige omstandigheden tijdens de wegwedstrijd. Ik merkte dat ze het gezien had, dat vond ik heel erg leuk. Koning Willem-Alexander en koningin Maxima waren erbij toen ik goud won. Zij stonden op de finishstreep in de regen. De koning, toen nog kroonprins, was een van de eersten die mij feliciteerde. Nog voor mijn ouders die op de tribune zaten, maar niet meteen dichtbij konden komen.” Op de foto staan generatiegenoten, Epke Zonderland, Ranomi Kromowidjojo, Dorian van Rijsselberghe en Femke Heemskerk. Die zijn onlangs allemaal gestopt. Jij gaat lek­ker door. “Er komt een keer een einde aan, daar ben ik me van bewust, hoor. Maar ik heb voor mezelf geen datum in mijn hoofd waarop het mooi is geweest. Het is een voorrecht dat ik nog steeds datgene kan doen wat ik heel erg leuk vind. Ik vind het ook mooi dat ik nu meemaak dat de wielerwereld enorm aan het veranderen is. Ik moet mee in die ontwikkeling, kan niet stil blijven staan. Die uitdagingen vind ik heerlijk om aan te gaan. Daar haal ik nog zoveel plezier uit. Voor mij is stoppen nog niet aan de orde.” Mei 2015 [caption id="attachment_17626" align="alignnone" width="2560"] Marianne Vos poseert met oud-wielrenster Leontien Zijlaard-Van Moorsel voor Helden.[/caption] “Ik vond het mooi, maar ook best spannend, zat daar toch samen met het icoon van het vrouwenwielrennen. Ik heb nog een heel korte periode samen gekoerst met Leontien. Zij was niet alleen binnen het wielrennen een icoon. Leontien heeft in mijn ogen, samen met sportvrouwen als Inge de Bruijn en Anky van Grunsven, voor een doorbraak gezorgd in de acceptatie van vrouwensport in Nederland. Door hun prestaties vervaagde de grens tussen mannen- en vrouwensport.” Deze foto komt uit 2015, uit een periode dat je gedwongen even afstand moest nemen van het wielrennen omdat je overtraind was. Leontien van Moorsel heeft door Anorexia ook een periode afstand genomen. Voelt het voor jou alsof je carrière uit twee delen bestaat: een voor 2015 en een na 2015? “Nou, ik wil het niet zo’n harde scheidslijn noemen. Ik heb in de maanden dat ik niet kon fietsen erg veel over mezelf geleerd. Het besef kwam dat ik wielrennen nog ontzettend leuk vond. Die gedachte was me ook heel wat waard. Ik heb ingezien wat ik belangrijk vind en wat mijn drijfveren zijn. Het afzien, het spelletje, het met en tegen elkaar strijden; allemaal dingen die voorheen vanzelfsprekend waren, kregen ineens heel veel waarde voor me. Het draait niet alleen om titels, het draait nog veel meer om het geluk dat je ergens uit haalt.” Veel sporters hoor je zeggen dat ze pas zijn gaan genieten toen hun carrière erop zat. “Klopt. Op dat moment was het heel rot, maar achteraf kun je het misschien zien als een groot voorrecht dat ik dit heb meegemaakt.” Leontien van Moorsel won drie keer de Tour de France voor vrouwen, dit jaar keert die voor het eerst sinds 2009 terug. Jij bent een voorvechtster geweest voor de terugkeer van de Tour de France Femmes. Hoe mooi is het dat die strijd is gestreden? “We waren al blij met La Course in 2014, dat we op de slotdag van de Tour voor mannen ook een wedstrijd hadden met finish op de Champs-Élysées. Dat vond ik al een mijlpaal. Onze sport is de afgelopen jaren zo gegroeid dat de stap naar een etappekoers voor vrouwen in Frankrijk ook weer logisch werd. Maar nu ‘ie er echt is, is het wel iets heel bijzonders.” Het vrouwenwielrennen is populair. Alle grote klassiekers zijn er nu ook voor vrouwen en ze zijn te zien op tv. Merk je dat er een volgende stap is gezet met de terugkeer van de Tour de France Femmes? “Absoluut. De zichtbaarheid is zoveel groter voor het publiek. Grote ploegen als Jumbo-Visma, Movistar, Trek en DSM zijn ook hun eigen vrouwentak begonnen. Het is niet vanzelf gekomen, maar het is mooi dat iedereen nu inziet hoe mooi onze sport is.” Je hebt vroeger weleens gezegd dat het voor het vrouwen­ wielrennen misschien niet zo goed was dat jij alles won. “Ik ben de eerste die het toejuicht dat er nu veel meer rensters zijn die kunnen winnen. Dat is heel goed voor de sport. De concurrentie is moordend tegenwoordig.” Leontien was in haar tijd een icoon. Jij bent dat in deze tijd. Jij hebt een voortrekkersrol binnen het peloton, gaat de gesprekken aan om de positie van het vrouwenwielrennen te verbeteren. Ook voor de andere rensters. “Ik wil niet alleen herinnerd worden als die wielrenster die zoveel heeft gewonnen. Het gaat me niet om een reeks overwinningen. Als ik er een kleine bijdrage aan heb kunnen leveren dat het vrouwenwielrennen steeds groter wordt, dan vind ik dat al heel mooi.” Ben je niet iets te bescheiden? Je hebt heel vaak aangeklopt bij de UCI en ASO om voor het vrouwenwielrennen op te komen. “Ik vind dat ik veel te danken heb aan de sport en dan is het fijn als ik iets bij kan dragen door bijvoorbeeld om de tafel te gaan met de UCI of ASO.” Met wat voor ambitie ga jij van start in de Tour de France Femmes? “We gaan met de ploeg voor etappewinst. Dat zou ontzettend mooi zijn.” 29 januari 2022 [caption id="attachment_17627" align="alignnone" width="2560"] Marianne Vos en Lucinda Brand strijden in het Amerikaanse Fayetteville om de wereldtitel. Marianne wint en pakt voor de achtste keer de wereldtitel veldrijden.[/caption] “Ik wist vooraf al dat ik alles goed moest doen om Lucinda te kunnen verslaan. Het werd een pittig duel waarin ik in de sprint de titel in de wacht sleepte. Mijn laatste wereldtitel was een aantal jaren geleden. Dat maakte het gevoel wel extra mooi.” Heb jij je afgelopen winter meer op het veldrijden toegelegd dan voorgaande jaren? “Niet zozeer. Het viel dit jaar de goede kant op. Met de mensen om mij heen, mjin ploeg Jumbo-Visma en mijn trainer had ik een plan uitgestippeld. Het crossen, de voorbereiding op het wegseizoen en de rustperiodes waren allemaal goed op elkaar afgestemd. Die puzzel wisten we op te lossen.” Wat zijn nog ambities voor de komende jaren? “Er komen steeds weer uitdagingen bij, zoals nu de Tour de France Femmes. Er is nog genoeg om naartoe te leven, hoor. Ik heb gelukkig niet het gevoel dat ik nog per se bepaalde wedstrijden of titels moet winnen om gelukkig te zijn.”

Wielrennen

Roy van den Berg: ‘Een beest met een klein hartje’

Roy van den Berg (34) is de stoomlocomotief van de gouden teamsprinters. Als geen ander cijfert de baanwielrenner zich weg. Hij vertelt over een ongekende drive, een belofte aan zijn overleden moeder, het geloof en het vaderschap. “Ik weet dat ik honderd procent uit mijn sport haal, maar ik twijfel geregeld of ik honderd procent uit mijn rol als papa haal.” Zijn bijnaam luidt The Beast. Roy van den Berg is een indrukwekkende ver­schijning. De tatoeages op zijn armen vallen meteen op. Over de volle breedte van zijn borst heeft hij een tattoo van een Japans masker met daaronder de tekst Labor Omnia Vincit, Latijn voor: hard werken wordt beloond, letterlijk en figuurlijk zijn lijfspreuk. De inkt van de enorme tatoeage op zijn rug is nog maar net opgedroogd. Roy heeft daarnaast een indrukwekkende torso en zijn turbodijen hebben een omtrek van 76 centimeter, niemand van de baansprinters overtreft de starter van de gouden teamsprinters daarin. Met dat lichaam is hij in staat om met squatten de 265 kilo aan te tikken. “Dit lichaam comes with the job,” zegt Roy, “ik heb dat nodig om hard te fietsen. Ik ga niet ontkennen dat ik trots ben op mijn lijf. Als sporter. Maar in het dagelijks leven zit dat lichaam me ook weleens in de weg. Zeker als ik kleding ga kopen. Een jasje, spijkerbroek of pak; alles moet op maat gemaakt worden.” Zijn bijnaam doet het ergste vrezen. “Mensen zijn vaak een beetje op hun hoe­de voor mij als ze me niet kennen. Door hoe ik eruitzie. Maar als ze me spreken, merken ze dat ik best wel meeval,” lacht hij. Dan serieus: “Mensen vinden het soms lastig om die eerste stap te zetten. Ik ben echt een heel sociale, lieve jongen, hoor, sta graag voor mensen klaar.” Offers Roy geldt al jaren als de man die de baan­sprinters, of zoals hij het zelf noemt The Bullet Train, vanuit stilstand op gang trekt. Na één ronde van 250 meter geeft de locomotief af en razen de laatste twee wagons door. “Er wordt weleens gedacht: hij hoeft maar één rondje te rijden, lekker makkelijk. Mensen zien niet in wat bij die ene ronde allemaal komt kijken. Ik moet van 0 naar 67 kilometer per uur in zeventien tellen. De explo­sie en kracht die ik nodig heb om dat voor elkaar te krijgen, zijn immens. Om steeds weer een fractie sterker en sneller te worden, daar ben ik dag en nacht mee bezig. Het heeft mij dat beest gemaakt dat ik nu ben; loeisterk en snel.” Wereldtitels, Europese titels, wereld­ records en olympisch goud, hij kan het allemaal afvinken. Roy maakte in 2009 de overstap van het BMX’en naar de baan. Op dat moment was hij Neder­lands kampioen en nummer drie van Europa. Reden van de overstap: hij vond het fijn dat op de baan de omstandig­heden altijd hetzelfde waren. “Er is nooit zijwind, of een tegenstander die je blok­keert. De baan past beter bij mijn karak­ter. Ik wil graag beloond worden voor de energie die ik ergens insteek, dat er geen externe factoren invloed kunnen hebben op het resultaat. Ik vind het fijn als er geen excuses zijn, dat ik alleen mezelf de schuld kan geven als het niet lukt.” In 2016 werd hij tweede van Europa op de individuele sprint, maar Roy besloot daarna zijn kwaliteiten in dienst te stellen van het team. Hij koos voor een carrière als starter. “Ik ben van jongs af aan al erg sterk. Als BMX’er was ik ook al erg explosief, ik kon snel een hoge topsnelheid halen met een klein verzet. Ik heb altijd de ingrediënten gehad om een goede starter op de teamsprint te wor­den. Ik dacht al snel: ik kan een heel belangrijke rol gaan spelen in de team­sprint, heb altijd als droom gehad om ooit olympisch goud te halen. Dat kon als ik me zou focussen op één taak, die van starter. Ik moet de twee anderen zo goed mogelijk afleveren, zodat zij door kunnen accelereren naar een snelheid van 75 tot 80 kilometer per uur.” Waar zijn maatjes Harrie Lavreysen, Jeffrey Hoogland en eerder Matthijs Büchli – die na de Spelen in Tokio afzwaaide als lid van de sprintploeg – ook nog voor individuele prijzen op de sprint, keirin en kilometertijdrit streden, draait voor Roy alles om het team. De rol van starter is vandaag de dag niet te com­bineren met andere disciplines. “Ik heb mijn kansen om op individuele num­mers voor de prijzen te gaan opgegeven voor het team. Je kunt denken: wat een offers voor dat ene rondje. Maar ik doe dat met liefde. Als ik naar mijn palmares kijk, dan heb ik nergens spijt van en ben ik alleen maar supertrots.” In 2020 besloot hij ook zijn contract met BEAT Cycling op te zeggen. Roy sloot aan bij de bond. “Dat was een financieel offer om volledig voor de teamsprint te kunnen gaan,” erkent Roy. “Theo Bos was mijn teamgenoot bij BEAT en hij gaf aan dat hij ook voor de plek als starter van de teamsprinters wilde gaan op de Spelen. Voor die tijd nam hij altijd de tweede of derde plek in als we met BEAT in teamverband reden. Ik wist toen dat ik niet alle wereldbekerwedstrij­den meer als starter zou kunnen rijden, moest mijn plek bij BEAT delen met Theo. Ik nam het hem niet kwalijk dat hij ook voor een plek in de ploeg wilde gaan, maar wilde alle beren op de weg zien te vermijden. De overstap naar de nationale ploeg leverde me weliswaar minder geld op, maar ik kon wel dage­lijks met Jeffrey en Harrie trainen.” Met zijn 34 jaar is hij de oudste van het stel. Hij weigert zich het cement van de ploeg te noemen. “We zijn altijd bezig elkaar te motiveren. Met Jeffrey en Harrie vorm ik een unieke drie­eenheid. De steun en het vertrouwen die ik van hen krijg, is altijd enorm. Allemaal zijn we de beste van de wereld geworden. Ik was op de Spelen de snelste starter, Harrie de snelste tweede man en Jef de allerbeste derde man. We zijn door de manier waarop wij alle drie onze sport beleven steeds hechter geworden. Eerst waren we collega’s, toen werden we maten en nu zijn we bijna als broers. We organiseren barbecuetjes met elkaar, vinden het heerlijk om met elkaar te filo­ soferen over wat nog beter kan.” Freak Het heeft even geduurd voordat Roy een vaste waarde werd. Nadat hij de overstap maakte van het BMX’en naar de baan, deed hij in 2012 ook weer de stap terug. Daarna stopte hij een tijdje met topsport. Twee jaar lang voetbalde hij als rechts­ buiten bij VV Kampen. In 2015 klopte oud­baansprinter en meervoudig wereld­ kampioen Theo Bos, die in 2008 de baan had verruild voor de weg, bij Roy aan en besloten ze samen terug te keren naar de baan. “Het heeft wel even geduurd voor­ dat werd opgemerkt dat ik het niveau had om starter van de teamsprint te zijn. Nils van ’t Hoenderdaal deed het goed als starter en hij had het vertrouwen van de ploeg. Na het WK van 2018 heb ik alle bike-offs gewonnen en ik ben alle wed­strijden gestart. Ik voelde het vertrouwen en daardoor werd ik alleen maar beter.” Roy leeft als een monnik voor zijn sport. “Als ik goed wil zijn op die staande ronde moet ik zorgen dat ik alles voor elkaar heb. Niet een week, maar minstens een half jaar. Pas als je een half jaar helemaal voor je sport leeft, ga je stappen zet­ten waarvan je niet voor mogelijk had gehouden dat je ze kon maken.” Bij alles wat hij doet, stelt hij zich de vraag of het goed is voor zijn sport. Zo zal je hem nooit lang zien staan, niet goed voor de beenspieren. Al jarenlang houdt hij al zijn bevindingen bij in schriftjes. “Als iets niet lekker gaat, dan wil ik weten hoe dat komt. Ik begin dan te piekeren, denk: wat heb ik gegeten die dag? Of: hoe heb ik geslapen die nacht? En: wat heb ik de dag ervoor gedaan? Ik ben begonnen alles op te schrijven om te kijken of ik antwoorden kon vinden op vragen die ik mezelf stelde. Ik schrijf alles op: hoe ik me voel, wat ik heb gegeten, hoe ik heb gerust, hoe ik heb getraind. Dat helpt mij enorm.” Op elk vlak heeft hij specialisten om hulp gevraagd. Zijn voeding, slaap, hou­ding op de fiets, trainingsprogramma’s; alles is onder de loep genomen. “Ik heb bijvoorbeeld een kok gebeld die met voeding net zo’n freak is als ik met fietsen. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik altijd de perfecte voeding heb. Daarna wilde ik mijn slaap in orde hebben. Maar hoe weet je wanneer je goed slaapt? Ik heb een mat aangeschaft die mijn harstslag registreert. Ik heb zo’n ring om mijn vinger tijdens mijn slaap, zodat ik af kan lezen hoe ik heb geslapen. Met camera’s hebben we naar mijn techniek geke­ken. Hoe kan ik sneller uit de machine komen? Hoe zorg ik dat ik zo nauw­keurig mogelijk op de ideale, zwarte lijn blijf fietsen op de baan?” Bevlogen doet hij zijn verhaal. Over wattages tijdens fietstrainingen en kilo’s tijdens krachttrainingen. “Kijk, Harrie en Jef kunnen vaak samen trainen, ik ben meer op mezelf aangewezen door het specialistische werk wat ik doe als starter. Ik heb ook een cursus gevolgd om me op communicatief vlak te ontwikkelen,” vertelt Roy. “ik moet de specialisten met wie ik werk goed onder woorden kun­nen brengen wat ik wil zeggen. He geleerd om duidelijk mijn boodschap over te brengen. Over elk detail is nage­dacht met een groep mensen. Het begint ’s ochtends al met het nemen van een goed heet bad, waardoor mijn lichaam warmer is, ik makkelijker kan rekken en mijn lichaam sneller opstart, tot het slapengaan. Het klinkt allemaal heel simpel wat ik moet doen, maar het is vet moeilijk om het allemaal tegelijk uit te voeren. Ga maar eens met 67 kilo­ meter per uur precies op die zwarte lijn rijden. Zorg tegelijkertijd maar eens dat je in de perfecte houding blijft zitten. Je kan nog zoveel talent hebben, maar het begint met keihard willen werken. Ik ben al acht jaar bezig de perfecte ronde te rij­den en het is me nog steeds niet gelukt.” Egoïst Dat hij zo voor zijn sport kan leven, heeft hij te danken aan zijn vriendin Yvonne Hijgenaar, vertelt Roy. Zij was zelf baan­sprinter, won drie WK­medailles en deed mee aan de Spelen van 2004, 2008 en 2012. Ze leerden elkaar kennen toen Roy de overstap maakte naar de baan in 2009, het klikte meteen. “Yvonne is een topvrouw, steunt me geweldig. Soms zegt ze: ‘Je bent weer wat prikkelbaarder, ik merk dat er een belangrijke wedstrijd aan komt. Ik laat je even met rust.’ Als ik op trainingskamp moet, zegt ze niet: ‘Moet je nu alweer weg?’ Ze snapt het als ik niet kan koken omdat ik dan te lang op mijn benen moet staan. Ze zegt juist: ‘Als je voor de sport kiest, dan moet je er ook honderd procent voor gaan.’ Zij maakt offers voor mij, zodat ik mijn sport kan beoefenen. Nou, dan mag ik zeker niet gaan lanterfanten. Dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen.” Samen hebben ze zoons Ryan van negen en Ross van zes. Het leven als topspor­ter en de rol van papa zorgen soms voor een spagaat, erkent Roy. “Mijn sport zit de hele dag in m’n hoofd, maar ja, ik ben ook vader van twee jongens. Ryan tennist en speelt op zondag vaak com­petitie. Ik ben lang niet alle wedstrijden gaan kijken, omdat maandag vaak mijn belangrijkste trainingsdag is, dan ben ik altijd heel specifiek met starten bezig. Als ik bij mijn zoon ga kijken, betekent het dat ik veel moet staan en dat merk ik vaak meteen de volgende dag tijdens de training. Maar ja, ik ben ook vader... Ik weet hoe leuk het als kind is dat je vader komt kijken. Ik weet dat ik honderd pro­cent uit mijn sport haal, maar ik twijfel geregeld of ik honderd procent uit mijn rol als papa haal. Die gesprekken voer ik ook met Yvonne. Ben ik er wel genoeg voor de jongens? Zij zegt dan: ‘Natuurlijk, je doet het super.’ Ik vind het zo moeilijk om mensen teleur te stellen. Gelukkig zijn de jongens hartstikke trots op me. Ze snappen dat papa veel moet rusten voor zijn sport. Ik krijg vaak van de oudste te horen: ‘Pap, kun je wel mee? Je moet ook rusten.’ Maar als ik er ben, dan ben ik er ook met de volle honderd procent bij. Dan hou ik precies in de gaten wat de jongens doen en ben ik oprecht geïnteresseerd. Die warmte voelen ze gelukkig. Ik probeer het maximale te doen als vader zonder dat het de sport in de weg staat.” De twijfels of hij zijn vaderrol goed invulde, waren het ergst tijdens de coronapandemie. In januari 2021 was er de olympische bike-off in Zwitserland. Drie renners wilden voor de rol van starter gaan in de olympische ploeg, er was slechts één plek te vergeven. “Ik kon het me niet veroorloven om corona te krijgen, dan was alles waarvoor ik had gewerkt voor niets geweest. Het gevolg: ik was niet thuis, kon de jongens ook niet knuffelen. Allemaal uit voorzorg. Ik zat twaalf dagen afgesloten van de wereld in een hotel voordat we naar Zwitser­land gingen. Vlak voor vertrek ging ik nog even langs huis. Ik dacht: dan kan Yvonne mijn spullen nog even wassen. Ik had er geen rekening mee gehouden dat Ryan en Ross ook thuis zouden kunnen zijn... Ze stonden naar papa te kijken vanachter het raam, terwijl ik mijn tas onder de carport neerzette. Ik zag die twee koppies naar me kijken, wilde m’n jongens zo graag in m’n armen nemen. Vreselijk. Met pijn in m’n hart ben ik daarna weggegaan. Ik voelde me op dat moment zo’n egoïst. Maar het kon niet anders. Ik had jarenlang alles perfect proberen te doen, dan moest ik dat op dat moment ook doen. Er was veel discipline voor nodig om niet heel even die jongens een knuffel te geven.” Begrafenis Roy won de bike­off. Daardoor bleef de belofte die hij zijn moeder had gedaan recht overeind. In 2018 kreeg zij een hersenbloeding. “Het gebeurde toen ze op de fiets zat op weg naar een vergadering in de parochie,” vertelt Roy. “Aangekomen bij de kerk voelde ze zich niet goed en werd ze naar het ziekenhuis in Zwolle gebracht, waar een AVM, een aandoening waarbij de aansluiting tus­sen slagaders en aders misvormd is, werd geconstateerd, achter in haar hoofd. Toen ik bij haar kwam, sprak ze me aan met een andere naam. Vreselijk.” Zijn moeder kwam na een tijdje weer thuis, in afwachting van een operatie die de druk en pijn in haar hoofd moest verhelpen. “Een dag voor de operatie, begin juni 2019, zat ik bij haar op de bank. Vlak voor ik afscheid nam, zei ma: ‘Jongen, word maar olympisch kampi­oen.’ Ik antwoordde: mam, dat beloof ik. Daarna gaf ik haar een dikke knuffel en ging naar huis. Het afscheid nemen was lastig, omdat we de risico’s van de operatie ken­den. Er was een kans dat ze er niet uit zou komen.” De volgende dag kreeg Roy een tele­foontje. De operatie was geslaagd. Hij was onderweg naar Omnisport in Apel­ doorn waar hij gemasseerd zou worden. “Mijn moeder werd naar de uitslaap­ zaal gebracht. Ik was zo opgelucht en blij, vertelde de masseur meteen dat ik fantastisch nieuws had gekregen. Na de massage ging ik meteen naar het zieken­huis. Mijn vader en zus waren er al, we waren alle drie in de gloria. Toen we aan het wachten waren, kregen we ineens te horen dat het langer duurde voordat mijn moeder terug naar haar kamer kon. Een half uur later kwam de arts bij ons en vertelde dat er complicaties waren op­ getreden op de uitslaapzaal. Ze had een hersenbloeding gekregen. Toen de arts bij ons kwam, bleek ze al hersendood te zijn. Van euforie gingen we naar groot verdriet. Mijn vader, zus en ik moesten ineens beslissen of we de stekker eruit zouden halen bij mijn moeder...” De laatste woorden die hij had uitgesproken tegen zijn moeder schoten meteen door zijn hoofd. Drie dagen na de uitvaart van zijn moeder waren de European Games in Minsk. Roy be­sloot gewoon af te reizen. “Ik had zoveel emoties gehad tussen het overlijden van mijn moeder en de uitvaart. De dienst in de kerk was heel mooi, ik heb een woordje gedaan. Ik had drie A4’tjes vol geschreven, vond het heel spannend om te speechen tijdens de uitvaart. Veel enger dan het rijden van de olympische finale. Ik heb zo lang nagedacht over de woor­den die ik wilde zeggen. Na de begrafenis was ik mentaal helemaal op, ik had ook heel lang op m’n benen gestaan. En daar­ na moest ik meteen weer fietsen. Ik wil­de en mocht niet verzaken. Die belofte aan mijn moeder was er, hè. Ik had haar beloofd olympisch kampioen te worden. Ik wist ook dat Nils van ’t Hoenderdaal mee zou gaan. We hadden vooraf af­gesproken dat de snelste van ons in de finale mocht starten. Ik was sneller en we wonnen de finale. Het was zwaar, maar het gaf mijn zelfvertrouwen een enor­me boost. Ik kon zelfs onder de zwaarst mogelijke omstandigheden presteren. Zelfs drie dagen na de begrafenis van mijn moeder lukte het mij om de ploeg optimaal af te leveren voor goud. Ik was zo trots op mezelf.” Vette rotzooi Van de datum van overlijden, 7 juni 2019, tot en met de Spelen was de belofte aan zijn moeder zijn grote drijf­ veer. “Als ik moe was, dan zei ik tegen mezelf: hoeveel is je woord waard? Dan besloot ik toch nog een keer alles eruit te persen. Die belofte woog heel zwaar op m’n schouders. Mijn moeder fietste altijd met me mee tot en met de Spelen.” In die periode waren zijn schriftjes ook heel belangrijk. “Dingen die ik voelde en dacht vertrouwde ik toe aan het papier. Ik wilde mijn vader en zus niet belasten met mijn emoties en pijn, zij hadden het zelf al zwaar genoeg. Ik wilde heel graag die stabiele factor zijn. Voor hen, maar ook voor Yvonne en de kinderen.” De teamsprinters maakten hun favorie­tenrol waar op 3 augustus 2021. “Het voelde zo goed dat ik de belofte aan mijn moeder in kon lossen. Ik weet niet of ik er wel mee had kunnen leven als dat me niet was gelukt. Als het enige wat ik haar nog had beloofd voordat ze ging, was mislukt, dan had dat heel zwaar voor me geweest om te accepteren. Het was vooral opluchting wat ik voelde na afloop. Het gevoel dat alles minder dan goud gelijk stond aan falen, zorgde voor zoveel druk. Moet je je voorstellen hoe je dan in de startmachine staat. Met Harrie, Jeffrey en Matthijs heb ik het niet veel gehad over de belofte die ik aan mijn moeder had gedaan. Wij spreken met elkaar niet veel over gevoelens, maar ik denk dat ze wel wisten van mijn belofte. Die groepsknuffel met elkaar na de finale, daar zat alles in. Dat was een bedankje naar elkaar voor alle bloed, zweet en tranen die we jarenlang in de ploeg hadden gestoken. We waren ook echt wel even heel blij, maar het gekke van de Spelen was dat Jeffrey, Harrie en Matthijs ook nog individuele doelen hadden, op de keirin en sprint. Zij moes­ ten meteen door. We deelden met elkaar een appartement. Ik was klaar, maar ben niet gaan feesten, voelde me nog steeds verantwoordelijk voor het team. Ik ben de volgende ochtend gewoon weer vroeg opgestaan en met Harrie gaan ontbij­ten. Had zin in pizza, zalm, sushi en allemaal vette rotzooi, maar die jongens moesten nog fietsen. Dan dacht ik: het kan toch niet zo zijn dat ik nu met pizza voor de neus van die andere jongens ga zitten? Ik had het ook niet gepikt als iemand dat bij mij zou doen. Dus stond ik gewoon vroeg op en nam ik mijn Brinta en eiwitten, alsof ik zelf moest fietsen. Ik bleef gewoon nog een paar dagen in de routine, totdat iedereen klaar was.” Rouwverwerking Na de Spelen had Roy het zwaar. Alle emoties die hij lange tijd had opgekropt, kwamen eruit. Hij was lange tijd uit­ geput en futloos. “Herinneringen aan mijn moeder heb ik voor de Spelen be­wust niet opgehaald in gesprekken met mijn vader en zus. Te emotioneel. Na de Spelen had ik voor het eerst in jaren een lange periode om tot rust te komen. Ik had alles uitgesteld. Ineens kwam alles eruit. Ik kon tien keer ‘kom op Berg’ tegen mezelf zeggen, maar het was even op. Er was ook even geen doel waarvoor ik alles moest geven. Dat was lastig. Ik denk ook dat het uitgestelde rouw­ verwerking was.” Hij had veel om over na te denken. Ook over het geloof. “Mijn moeder was 58 toen ze overleed. Ik zat best wel in een spagaat over het geloof. Mijn moeder stond voor iedereen klaar, was echt een goed en lief mens. Ze was onderweg naar het huis van God, naar de kerk, en toen overkwam haar dat... Is toch heftig?” Tegelijkertijd bood het geloof hem houvast, vertelt hij. “Ik ben niet iemand die veel naar de kerk gaat, doe mijn gebedje bij het opstaan en voor het slapengaan. Ik vond het heel fijn om hardop mijn gebed uit te spreken als ik in mijn eentje was. Op die manier heb ik veel verwerkt.” Na de Spelen nam Roy ook uitgebreid de tijd voor zijn gezin. En hij toonde iedereen die hem had geholpen tijdens zijn olympische missie zijn dankbaar­heid. Roy neemt een slok van zijn cola zero. “Het was niet makkelijk met de concurrentiestrijd, het overlijden van ma, de belofte die ik haar had gedaan en corona. Sinds een half jaar voel ik echte blijdschap om de olympische titel. Ik heb nu eindelijk het gevoel dat ik het weer voor mezelf doe. Het geeft me meer rust. Het is toch beter om iets voor jezelf te doen en niet het gevoel te hebben dat je het per se goed moet doen voor iemand anders.” Revanche De oogkleppen zijn weer op. Roy heeft een nieuw doel: olympisch goud pro­longeren op de teamsprint in Parijs. In augustus is de WK in Glasgow, daar is het tijd voor revanche. In oktober vorig jaar verloren de teamsprinters namelijk voor het eerst in tijden. Na vier we­reldtitels op rij werd het nu zilver. Aus­tralië won op de olympisch piste nabij Parijs. Een verklaring was daar wel voor: Roy had in aanloop naar het WK flinke rugklachten. Wat Roy ook niet lekker zit: de Australiër Leigh Hoffman heeft hem afgelost als snelste starter. “De rug­ problemen zijn voorbij, we hebben een trainingsblok van vijf maanden gehad en ik heb een enorme drive om de beste versie van mezelf te laten zien.” Roy is 34 en op de Spelen bijna 36. Hij denkt dat hij nog steeds beter kan. “Ik ben er nu mee bezig om de eerste halve ronde nog sneller te krijgen, ben bezig om met een zo zwaar mogelijk verzet te starten. Mijn snelste ronde rij ik in 17,00, terwijl het wereldrecord nu op 16,94 staat. Ik wil sowieso de barrière van zeventien seconden doorbreken. Het grote doel is de komende tijd weer onver­slaanbaar te worden.” En na Parijs? Roy haalt zijn schouders op. “Ik weet niet of dat de laatste halte is. Misschien ga ik nog wel wat langer door. Ik hou nog zoveel van het spelletje. Maar alleen als Jeffrey en Harrie ook doorgaan. Neemt niet weg dat ik mijn ervaring, de dingen die voor mij hebben gewerkt, graag op een dag over wil brengen op de volgende generatie baanrenners. Ik denk dat ik hen kan helpen.” Helden Magazine editie 67 Het eerste gedeelte van het verhaal van Roy van den Berg komt voort uit Helden Magazine nummer 67, het Sportzomerboek, waar Mathieu van der Poel de cover siert samen met Sifan Hassan, Quilindschy Hartman, Lieke Martens & Jackie Groenen. De 67ste editie van Helden is een dubbeldik Sportzomerboek, waarin er volop aandacht is voor de Tour de France voor mannen en vrouwen, het WK voetbal, en het landskampioenschap van Feyenoord. Verder in Helden 67 uitgebreide interviews met: alleskunner Sifan Hassan in aanloop naar de WK atletiek, hockeysters Sanne Koolen en Pien Sanders, zwemster Marrit Steenbergen is sterker dan ooit, wielrenster Demi Vollering, Kiran Badloe over de metamorfose van windsurfer naar foiler, Botic van de Zandschulp op weg naar de absolute tennistop, coureur en analist Giedo van der Garde over Nyck de Vries en Jos en Max Verstappen, en nog veel meer inspirerende verhalen. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine editie 67! Wil je geen inspirerende sportverhalen missen van onze Nederlandse sporthelden? Abonneer je nu snel en ontvang de Helden Magazine op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Blijf daarnaast op de hoogte van het recentste sportnieuws en leuke winacties door je aan te melden op onze nieuwsbrief en volg ons op onze social mediakanalen.

Wielrennen

Mathieu van der Poel: ‘Klaar voor het grote werk’

Mathieu van der Poel heeft een droomjaar. Hij [...]
Mathieu van der Poel heeft een droomjaar. Hij werd wereldkampioen veldrijden en won twee ‘monumenten’: Milaan-San Remo en Parijs-Roubaix. Voor zijn derde Tour de France zijn de verwachtingen ook weer hoog. Pakt VDP opnieuw het geel? Daarnaast heeft hij als doel om voor het eerst Parijs te halen. En o ja, de regenboogtrui bij het WK in Glasgow (6 augustus) staat ook op de verlanglijst. Waar Mathieu van der Poel is, is zijn vriendin Roxanne Bertels bijna altijd ook. We zagen haar Mathieu dit jaar omhelzen na zijn overwinningen in Milaan-San Remo en Parijs-Roubaix en ook nadat hij bij het WK veldrijden in Hoogerheide voor de vijfde keer de wereldtitel pakte. Binnen Alpecin-Deceuninck wordt ze wel het geheime wapen van VDP genoemd. Zij is er mede de reden van dat het lijkt alsof Mathieu soms speelt met de concurrentie. De Vlaamse is een hit op sociale media, heeft 60.000 volgers op Instagram. ‘Van de duizenden volgers zijn er veel fan van Mathieu, denk ik. Mensen die nieuwsgierig zijn wat wij privé zoal doen. Als Mathieu er niet bij is, herkennen de mensen mij meestal niet en daar ben ik ook wel blij om. Met Mathieu erbij zijn er altijd mensen die iets komen zeggen aan tafel. Dat hoort erbij en vinden we ook niet erg. Dat weet je op voorhand als je met zo iemand samen bent. Ik vind dat hij daar heel goed mee omgaat,’ aldus Bertels in Het Laatste Nieuws. Bertels geeft af en toe een inkijkje in haar leven en dat van haar vriend. ‘Ik zet niet alles zomaar op Instagram, denk wel twee keer na voor ik iets plaats.’ Maar geregeld laat ze ook de andere kant van de wielrenner zien. Ze verklapte dat Mathieu thuis bij de haard van hun huis in ’s-Gravenwezel graag zanger Justin Bieber imiteert. ‘Die adoratie gaat heel ver, tot dansjes en meezingen aan toe. Elke dag. Mathieu is groot fan van Justin Bieber. Gelukkig heeft hij geen TikTok, al zou ik hem misschien eens stiekem moeten filmen.’ Bertels: 'Die adoratie gaat heel ver, tot dansjes en meezingen aan toe. Elke dag. Mathieu is groot fan van Justin Bieber' Zijn vriendin vertelt dat Mathieu altijd heel ontspannen is. ‘We hebben thuis een Excel-planning met de dagen dat hij weg is. De ploeg beheert die, maar ik check geregeld wanneer hij thuis is. Het is bij wijze van spreken soms weken vooraf plannen om een wandeling te maken. Maar als hij thuis is, is hij altijd relaxed. Ik heb hem eigenlijk nog niet vaak boos gezien, tenzij er iets is misgelopen tijdens een wedstrijd. Dan is hij een half uurtje chagrijnig. Voor de rest is Mathieu een vrolijk en positief mens. Hij is altijd gelukkig. Zenuwen heeft hij eigenlijk nooit. Als hij bij het ontbijt rustig is en niet veel zegt, dan weet ik dat hij een beetje gespannen is, maar verder is hij een ‘duracelkonijn’ dat staat te stuiteren.’ Hij gaat ook heel ontspannen om met zijn sport, aldus Bertels. ‘Ik kook voor hem, maar dingen afwegen doet hij zelf en alleen als er grote wedstrijden aankomen. Mathieu durft daarbuiten weleens een wijntje te drinken of een bitterbal te eten. Hij is een echte ‘wijnman’, geen ‘bierman’.’ Kuuroord Niets leek er in januari op te wijzen dat Mathieu van der Poel een geweldige eerste helft van het seizoen tegemoet ging. In het Spaanse Denia, waar hij trainde met de ploeg, was hij nog zwaar aangeslagen. Zijn rug, die na de val met het mountainbiken op de Spelen een tijd opspeelde, voelde opnieuw niet goed. De antwoorden die hij gaf, waren kort en afgemeten. “Die rug baart me al twee jaar zorgen, dat is niet nieuw. Om eerlijk te zijn is m’n rug nooit meer zo geweest als voor mijn valpartij in Tokio. Het is heel frustrerend dat ik nu al anderhalf jaar problemen met m’n rug ondervind. Ik weet dat er conditioneel zeker niets aan de hand is. Dat is het frustrerende. Ik weet dat ik veel sneller kan rijden dan wat ik de afgelopen winter heb laten zien. Ik ga hier werken aan mijn rug, veel fitnessen en laten behandelen, zodat hij straks weer in orde is. Vooral doe ik kracht- en stabiliteitsoefeningen. De krachtoefeningen zijn verreweg het belangrijkste. Die hebben me in het verleden ook het beste geholpen. Het zijn oefeningen die tegenwoordig veel wielrenners doen. Het hoort er echt bij. Ik heb dat vroeger ook wel gedaan, hoewel ik het in sommige periodes ook wel een beetje heb verwaarloosd. Ik kan tussen twee crossen moeilijk in de fitness gaan zitten. Maximaal twee keer per week laat ik me kraken omdat vaker niet goed is voor het lichaam. Als ik goed wil presteren, moet ik veel van mijn rug kunnen verwachten.” Denia, het vaste verblijf van de ploeg, diende als kuuroord. In het hotel aan de kust, waar zelfs kamers zijn waar ‘op hoogte’ geslapen kan worden, kon hij uit de negatieve spiraal komen. Weg van alle stress en gekte. In alle rust kon hij er trainen. Er werd voorzichtig met het boegbeeld van de ploeg omgesprongen. Samen met de twee ploegeigenaren, de broers Christoph en Philip Roodhooft, en trainer Kristof De Kegel werd zorgvuldig een route voor hem uitgestippeld. Vooral De Kegel, een jonge Vlaamse wetenschapper, is een specialist in het finetunen van Van der Poel. In zijn laptop wordt gegoocheld met getallen en andere data. In Denia keek Van der Poel al vooruit naar de Tour, die hem op het lijf is geschreven met tal van heuvelachtige etappes. “Alles draait om Parijs halen, dat is door omstandigheden de afgelopen twee jaar niet gelukt. Vorig jaar was ik veel te moe na de Giro en het jaar daarvoor dacht ik te veel aan de Olympische Spelen in Tokio.” De route naar de Grand Depart in Bilbao is zorgvuldig uitgestippeld. Er is voor gekozen om minder wedstrijden te rijden in aanloop naar de Tour. Er is geleerd van vorig jaar. Toen had hij lang last van zijn rug, waardoor hij het veldrijden oversloeg. Hij won weliswaar de Ronde van Vlaanderen voor de tweede keer, maar merkte daarna in de Amstel Gold Race en Parijs-Roubaix al dat hij minder inhoud had door de verstoorde voorbereiding. Daarna reed hij de Giro, waarin hij de eerste etappe won en drie dagen de roze trui droeg. Zijn vorm doortrekken tot en met de Tour lukte niet. Na elf dagen stapte hij vermoeid af, zonder ook maar een rol van betekenis te hebben gespeeld. “Ik probeer altijd het beste uit mezelf te halen. Mensen vergeten dat soms, maar een seizoen bij ons duurt heel lang. Van het WK veldrijden tot ‘Roubaix’ is één periode. Dat zijn toch altijd veel belangrijke doelen in relatief korte tijd. De buitenwereld, de ploeg en ik verwachten er altijd heel veel van. Daarom hebben we ook gekozen om dit jaar minder te koersen. De Amstel Gold Race of Luik-Bastenaken-Luik zijn absoluut geen opties dit jaar. Ik wil een langere periode rusten om op mijn best te zijn in de Tour. Ik zal rusten, een hoogtestage doen met de ploeg en dan via de Ronde van Zwitserland naar de Tour gaan.” Speeltijd voorbij “Mathieu gaat dit jaar beter naar de Tour dan de twee voorgaande keren,” zegt Steven de Jongh. De ploegleider van Trek-Segafredo fietst af en toe met Mathieu en de twee onderhouden frequent WhatsAppcontact. “De rustperiode na zijn overwinning in Parijs-Roubaix is heel verstandig. Hij zal vrij relaxed aan de start staan in de Tour en zoveel mogelijk etappes willen winnen. Dat is wat ie kan. Hij is net te zwaar om voor het algemeen klassement mee te kunnen doen of in het hooggebergte, maar dat Mathieu ons gaat verrassen is voor mij wel zeker. Na twee keer afstappen, wil hij nu iets laten zien.” De Belgische tv-commentator en wieler­analist José De Cauwer voorspelde voor dit seizoen al een uitstekende Van der Poel. “Ik verwacht een heel goede Mathieu van der Poel in 2023. De concurrentie gaat de handen vol hebben aan hem,” zei hij in de vorige Helden. “Mathieu heeft de laatste jaren met onder andere het gemiste plankje bij de olympische mountainbikewedstrijd in Tokio, zijn rugblessure en het hotelincident bij het WK in Wollongong het nodige meegemaakt. Wellicht zijn al die tegenslagen de motivatie om harder te werken. Het is bij Mathieu altijd heel makkelijk gegaan. In tegenstelling tot bij Wout van Aert, die altijd moest vechten en dan ook nog altijd tegen dezelfde tegenstander... Ik denk dat Mathieu zich nu realiseert dat de speeltijd voorbij is. Hij kan perfect op zijn talent terugvallen, maar als hij nog meer wil... Hij zal na wat er de afgelopen jaren is voorgevallen wat zaken professioneler en serieuzer gaan aanpakken. Misschien was Mathieu een renner die iets minder belang hechtte aan zijn palmares. Ik denk dat hij meer en meer een wegrenner wordt die zich op de grotere koersen richt. Hij zei zelf voor het WK in Australië al dat hij niet meer zoveel kansen heeft om wereldkampioen op de weg te worden. Dat is een feit. In zijn eerste jaren als prof ging het alleen maar over fietsen en links en rechts winnen. Of dat nu in het veldrijden, op de mountainbike of op de weg was. Nu is er een uitgestippeld plan en staat de weg toch duidelijk bovenaan. Ik geloof dat dit zijn vruchten gaat afwerpen.” Belangrijk voor het rijden van een goede Tour en het halen van Parijs is dat zijn rug het houdt. Na het trainingskamp in Spanje waren de klachten verdwenen. En wat Mathieu kan als zijn rug hem geen parten speelt, hebben we kunnen zien op het WK veldrijden en in het voorjaar, waarin hij na zeges in San Remo en Roubaix ook nog eens tweede werd in de Ronde van Vlaanderen. Die rug blijft kwetsbaar, maar De Cauwer denkt dat die hem met een uitgekiend programma en het gedisciplineerd uitvoeren van zijn oefeningen niet gaat belemmeren. ‘Die problemen met de rug zijn er altijd al geweest. Daar werkt hij nu hard aan, maar dat is niet eenvoudig, zoals het ook alles­behalve makkelijk is om er altijd alles voor te doen en te laten en om constant gefocust te zijn. Je mag echt niets laten liggen. Ja, ik ken er eentje die niets laat liggen, Wout van Aert,’ aldus De Cauwer in Wielermagazine. Grote Drie De naam van zijn grote rivaal, al van jongs af aan, is genoemd. Eerst streden ze tegen elkaar in het veldrijden, daarna verlegde de rivaliteit zich naar de weg. Als Van der Poel wegspringt, zit Van Aert vaak meteen in z’n wiel, en andersom. Begin februari streden ze in Hoogerheide weer samen om de wereldtitel in het veldrijden. VDP won de tweestrijd in de sprint. In Milaan-San Remo en Parijs-Roubaix was Van der Poel ook steeds de sterkste. Waar deze Tour op het lijf van Van der Poel lijkt geschreven, geldt dat meteen ook voor Van Aert, de alleskunner die vorig jaar met groot machtsvertoon de groene trui won en twee jaar terug in dezelfde Tour een massasprint, bergetappe en tijdrit won. In die Tour van twee jaar terug greep Van der Poel trouwens de gele trui door de tweede etappe met aankomst op Mûr-de-Bretagne te winnen, zes dagen in het geel te rijden om vervolgens af te stappen en naar de Spelen in Tokio te gaan als mountainbiker. Van der Poel: 'Ik moet eerst Parijs maar eens gaan halen. De groene trui is geen doel, dat interesseert me voorlopig weinig' Vorig jaar had Van Aert weinig te duchten van Van der Poel, die na het rijden van de Giro dus geen rol van betekenis kon spelen in de Tour. Dit jaar zal dat anders zijn. Allebei zullen ze in de eerste etappe kans zien om voor etappewinst en de gele trui te gaan. En er zijn nog veel meer etappes die de twee liggen. Wellicht dat er ook een intense strijd om de groene trui los kan barsten, al drukte Van der Poel die suggestie begin dit jaar nog de kop in. “Ik moet eerst Parijs maar eens gaan halen. De groene trui is geen doel, dat interesseert me voorlopig weinig,” vertelde hij. De Cauwer in Wielermagazine: ‘Alpecin-Deceuninck heeft uitstekende renners, maar nog niet van het kaliber van de mannen van Jumbo-Visma. Daarom zal Mathieu zelf op tijd aangaan, want dan is Wout de enige van de gele brigade die mee kan. Iedereen afzonderen en koersen tegen de groten, dat is zijn tactiek.’ Stef Clement, wieleranalist van de NOS, zag ook een opmerkelijk verschil in aanpak tussen Jumbo-Visma en de ploeg van Van der Poel dit voorjaar. ‘Van Aert koerste met druk en dat is de ploeg zelf aan te rekenen,’ stelde Clement op de site van de NOS. ‘Jumbo-Visma komt steeds in de media met nieuwe snufjes: nieuwe materialen, andere voeding, een betere voor­bereiding. Maar denk je dat ze daar bij de ploeg van Van der Poel niet mee bezig zijn? Het verschil is alleen dat zij dat in stilte doen en zo geen onnodige druk creëren.’ En dan is er natuurlijk ook nog Tadej Pogacar, het laatste lid van De Grote Drie die het wielrennen in hun greep houden. De Sloveen houdt dit jaar op Merckxiaanse wijze huis, won de Ronde van Vlaanderen, de Amstel Gold Race en de Waalse Pijl. Een valpartij in Luik-Bastenaken-Luik, waarbij hij een gebroken pols opliep, voorkwam verder succes. Pogacar is er veel aan gelegen om voor de derde keer de Tour te winnen, nadat Jonas Vingegaard hem vorig jaar onttroonde. Omdat Pogacar het algemeen klassement in zijn hoofd heeft, zijn er wellicht meer kansen voor Van der Poel en Van Aert op dagsuccessen. Bovendien lijkt Pogacar zijn maatje Van der Poel wel wat te gunnen. ‘Er stond geen maat op Mathieu van der Poel en Tadej Pogacar. Ze reden beiden hun beste voorjaar ooit. En dat deden de concurrenten bovendien op een vriendschappelijke manier. Ze winnen waar ze willen,’ stelde Clement bij de NOS. ‘Bovendien zijn Mathieu van der Poel en Tadej Pogacar niet te beroerd om elkaar een tip te geven. ‘Pogi’ kende de vele klimmetjes van de Amstel Gold Race niet bij naam, maar kwam via een whatsappje van ‘Matje’ te weten waar hij het beste kon aanvallen. Op de Keutenberg, daar moest het gebeuren. Aldus geschiedde.’ Olympische droom Van wereldklasse was Van der Poel natuurlijk al, maar de afgelopen maanden heeft hij vooral laten zien nog dominanter te kunnen koersen. Zijn keuzes zijn scherper en hij leeft professioneler dan ooit. Op papier zijn Van Aert en Pogacar zijn voornaamste tegenstanders, maar hij duelleerde de laatste jaren ook nogal eens met zichzelf en zijn ambities. Nog maar twee jaar geleden begon Van der Poel na de klassiekers aan een reeks mountainbikewedstrijden om vervolgens weer als wielrenner naar de Tour te gaan om na een week af te stappen om als mountainbiker naar de Spelen te gaan, waar hij door zijn val met flinke rugklachten van terugkeerde. Van der Poel na zijn overwinning in Parijs-Roubaix en voordat hij een rustpauze inlaste: “Dit is mijn sterkste klassieke seizoen ooit. Ook al na de Ronde van Vlaanderen. Tadej was daar ongelooflijk sterk, maar na de Paterberg reed ik in mijn eentje naar de finish. En in Parijs-Roubaix opnieuw. De kracht die ik heb voor de laatste vijftien kilometer is iets wat ik in het verleden niet had. Ik ben sterker dan voorgaande jaren. Ik heb mijn trainingen wat aangepast, ik rij minder wedstrijden en voel me daar goed bij.” “Het werk en rendement is nu beter,” stelde ploegmanager Christoph Roodhooft na Roubaix. “Het is voor het eerst dat wij erin zijn geslaagd om ons en zijn werk over een mooie periode te laten renderen. Om zijn conditie en vorm optimaal te gebruiken. Niet enkel een korte piek richting het WK veldrijden. Voor Mathieu is het ook een aangenaam gevoel om van Milaan-San Remo tot en met Roubaix in topvorm te zijn.” Een kanttekening werd er ook geplaatst. En nog wel door Adrie van der Poel. Tegen Wielerflits zei hij: ‘Ik vind wel dat ze heel weinig koersen, maar dat is mijn mening. En als ik Mathieu zie rijden in de E3 Saxo Classic, sla ik bijna met mijn kop tegen de muur. ‘Ja pa, dat was in functie van Vlaanderen,’ zegt hij dan. En ik blijf erbij dat Mathieu nog kan verbeteren. Geen procenten, maar toch: als hij nog een volledige Tour rijdt, kan er nog anderhalve procent bijkomen.’ De kans dat Van der Poel ooit de strijd met Pogacar aan zal gaan met als inzet de eindzege in de Tour, is overigens nihil. Ook vader Adri van der Poel ziet in Mathieu geen ronderenner: ‘Op dit moment heeft Mathieu 0,0 procent ambitie om ronderenner te worden,’ zei Van der Poel senior tegen Zesdaagse TV. ‘Nederland heeft twee Tour-winnaars gehad en ik zou niet weten waarom hij de derde zou zijn. Om de Tour te winnen moet je uitzonderlijk zijn op alle gebieden en er jaren naartoe werken. Ik zeg niet dat hij het niet kan, maar op dit moment is het absoluut zijn ambitie niet. Pas als hij verzadigd is van al zijn andere ambities, dan zou het klassement misschien een keertje in beeld komen.’ Want ja, hoe zit het met de ambitie van Van der Poel om een olympische medaille te winnen met de mountainbike? In Spanje zei hij daarover: “Ik heb aangegeven dat als mijn rugproblemen niet opgelost worden, dat het mountainbikeplan misschien niet doorgaat. Maar voor­lopig wil ik Parijs 2024 nog niet opgeven. Die olympische droom zit nog steeds in m’n achterhoofd.” Lamborghini Het is denkwerk voor later. Nu staat alles in het teken van de Tour voor de man die al vijf klassiekers won (Amstel Gold Race 2019, Ronde van Vlaanderen 2020 en 2022, Milaan-San Remo 2023 en Parijs-Roubaix 2023), maar meteen daarna – op 6 augustus – wacht ook het WK op de weg in Glasgow. Het parkoers ligt Van der Poel, hij werd in 2018 tweede bij het EK in de Schotse stad, achter Matteo Trentin. Een wereldtitel ontbreekt nog op zijn palmares. In 2019 leek hij goede papieren te hebben voor de wereldtitel bij het WK in Yorkshire, maar hongerklop en kou gooiden roet in het eten. Bovendien wil hij revanche voor het in de soep gelopen WK van vorig jaar in Australië, toen Van der Poel in het hotel uit zijn slaap werd gehouden door twee tiener­meiden, actie ondernam, aangehouden werd, waarna hij de nacht voor de wegwedstrijd in de cel moest doorbrengen, nog wel van start ging, maar al snel gedesillusioneerd afstapte. Het hoofd zal fris zijn. Mathieu heeft even de batterij weer opgeladen. In het weekend van Luik-Bastenaken-Luik was er even tijd voor een ander speeltje dan de fiets. Net als oud-renner Tom Boonen heeft Van der Poel een fascinatie voor snelle auto’s en is hij geregeld op de Belgische circuits van Zolder en Francorchamps te vinden. Dat zal nu nog frequenter zijn, want Van der Poel is ambassadeur geworden van automerk Lamborghini en rijdt rond in een Urus S, die een topsnelheid haalt van 305 kilometer per uur en waarmee je in drie seconden van nul naar honderd kilometer per uur gaat. ‘Wees gerust. Als ik er al eens mee wil doortrekken, ga ik naar Zolder of Francorchamps. In Schilde en op andere Vlaamse wegen hou ik me netjes aan de snelheidslimieten,’ beloofde Van der Poel in de Gazet van Antwerpen. ‘Dit voelt toch specialer dan een nieuwe racefiets uittesten.’ Van der Poel rijdt rond in een donkergrijze Urus S. ‘Ik vind het wel stijlvol zo. Ik wil liever niet te erg opvallen. Dat is ook de reden waarom er geen slogans of foto’s op het koetswerk zijn gespoten. De gepersonaliseerde nummerplaat ‘I MVDP I’ ga ik wel gebruiken.’ Boonen komt Van der Poel weleens tegen op de bekende Belgische circuits. Verder appen ze geregeld, soms over de koers, maar meestal over snelle wagens. Tom Boonen is zelf als coureur actief en herkent ook de klasse van de autocoureur Van der Poel. ‘Ik heb Mathieu weleens gezien op het autocircuit van Zolder. Daar komt hij graag. Toen reed hij volgens mij in een BMW. Of hij goed kan autoracen? Wat denk je? Van der Poel is zo’n type die alles goed kan. Geef hem een racket en hij kan tennissen op topniveau,’ stelde Boonen in het AD Boonen: 'Of hij goed kan autoracen? Wat denk je? Van der Poel is zo'n type die alles goed kan. Geef hem een racket en hij kan tennissen op topniveau' Boonen is fan van Van der Poel. ‘Mathieu is zo goed, juist omdat hij doet wat hij mooi vindt. Ook wat dat betreft is hij een voorbeeld voor jonge sporters. Plezier is altijd de basis voor succes. Hij straalt dat ook uit. Sporters, en zeker wielrenners, moeten al zoveel. Leven in een keurslijf. Trainen, slapen, gezond eten. Zoals ook Van der Poel doet. Maar soms mag het even, hoor, een bak frieten of een hamburger. Dat hoeft echt niet stiekem en mag prima voor draaiende camera’s na de koers. Mathieu zal het niet met die gedachte hebben gedaan, maar eigenlijk vind ik het zelfs een goed voorbeeld voor de jeugd. In de zin van: natuurlijk, topsport betekent heel zuinig zijn op je lichaam, maar wielrenners zijn geen robots. Je kunt niet alleen maar maniakaal bezig zijn met wielrennen. Juist door jezelf ontspanning te gunnen, rek je de carrière.’ Helden Magazine editie 67 Het verhaal van Mathieu van der Poel komt voort uit Helden Magazine nummer 67, het Sportzomerboek, waar hij de cover siert samen met Sifan Hassan, Quilindschy Hartman, Lieke Martens & Jackie Groenen. De 67ste editie van Helden is een dubbeldik Sportzomerboek, waarin er volop aandacht is voor de Tour de France voor mannen en vrouwen, het WK voetbal, en het landskampioenschap van Feyenoord. Verder in Helden 67 uitgebreide interviews met: alleskunner Sifan Hassan in aanloop naar de WK atletiek, baanwielrenner Roy van den Berg, hockeysters Sanne Koolen en Pien Sanders, zwemster Marrit Steenbergen is sterker dan ooit, wielrenster Demi Vollering, Kiran Badloe over de metamorfose van windsurfer naar foiler, Botic van de Zandschulp op weg naar de absolute tennistop, coureur en analist Giedo van der Garde over Nyck de Vries en Jos en Max Verstappen, en nog veel meer inspirerende verhalen. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine editie 67! Wil je geen inspirerende sportverhalen missen van onze Nederlandse sporthelden? Abonneer je nu snel en ontvang de Helden Magazine op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Blijf daarnaast op de hoogte van het recentste sportnieuws en leuke winacties door je aan te melden op onze nieuwsbrief en volg ons op onze social mediakanalen.

Wielrennen

Mike Teunissen: ‘Nieuwe ronde, nieuwe kansen’

Mike Teunissen (30) veroverde vier jaar geleden de gele [...]
Mike Teunissen (30) veroverde vier jaar geleden de gele trui voor Jumbo-Visma in de openingsrit van de Tour de France. Dit jaar rijdt hij de Tour voor zijn nieuwe ploeg Intermarché- Circus-Wanty. Tijd voor een update. Zo’n eerste dag bij een nieuwe ploeg, is dat een beetje vergelijkbaar met een eerste schooldag? “Eigenlijk wel. Het is grappig hoe dat werkt: je krijg op een gegeven moment een lijst met alle namen van mensen die bij de ploeg werken en die ga je stuk voor stuk af. De renners ken je over het algemeen minimaal van gezicht, maar van de mecaniciens en de verzorgers kende ik niemand. Dus op dat eerste trainingskamp met Intermarché-Circus Wanty voelde het inderdaad als een eerste schooldag. Maar het is bizar hoe snel dat went, gesprekken op gang komen en je iedereen goed leert kennen. En dan merk je vooral hoe superleuk het is om zo’n nieuwe start te maken. Dat het eigenlijk een verrijking is om in een nieuwe omgeving terecht te komen en nieuwe mensen te leren kennen, in plaats van voor het vijfde jaar met dezelfde jongens aan tafel te zitten. Hoe gezellig ik het ook altijd vond bij Jumbo-Visma, en hoe graag ik die jongens ook mag.” Waarom wilde je weg bij Team Jumbo-Visma? “Het was een combinatie van factoren, maar de conclusie was dat de ploeg harder aan het groeien was dan dat ik aan het groeien was. En dat er daardoor toch een aantal ‘gevaren’ op de loer lag voor mij. Qua koersprogramma en rol in de ploeg. Ik ben ambitieus, maar ik moest ook realistisch zijn; er zitten te veel goede jongens bij Jumbo-Visma, dus het was begrijpelijk dat ik er soms niet aan te pas zou komen. Het was voor alle partijen logisch dat het minimaal zinnig was om met andere ploegen te gaan praten en eens te horen of daar een andere rol voor me weggelegd zou zijn. Toen heb ik met Aike Visbeek, de teammanager van Intermarché-Circus-Wanty, een heel lang gesprek gehad en dat voelde goed. Op zich had ik prima nog een jaar bij Jumbo-Visma kunnen blijven hoor, en misschien had ik dan ook wel Parijs- Roubaix gereden. Maar al met al leek een overstap me een mooie uitdaging en vervolgstap.” Het is natuurlijk wel een ploeg met een veel lager budget dan je gewend was, is dat wennen? “Natuurlijk is het anders dan de afgelopen jaren, Jumbo-Visma is een ploeg waar alles tot in de puntjes is geregeld. Hier is het budget veel minder en de mindset daarom soms ook wel.” Noem eens een voorbeeld? “Nou, als je naar ons resultaat kijkt in Parijs-Roubaix: mijn ploeggenoot Laurenz Rex reed top tien en ik werd zeventiende, dat werd die dag gezien als een superresultaat. Bij Jumbo-Visma zou zo’n uitslag niet oké zijn. Dus dat is natuurlijk wel anders.” Als dingen niet helemaal gaan zoals je wil, zeg jij daar dan wat van? “Inmiddels wel. Ik ben iemand die gewoon zegt waar het op staat. Al wil ik in een nieuwe ploeg natuurlijk niet meteen te hoog van de toren blazen. Ook omdat ze dat bij onze zuiderburen misschien wat minder gewend zijn. Dat is iets wat ik wel in mijn achterhoofd houd, hoor. Wij Nederlanders zijn heel direct, en voor andere culturen kan dat heel arrogant of lomp overkomen. Maar inmiddels zet ik het wel gewoon in de groepsapp als ik denk dat iets beter kan. Ik merk dat dat uiteindelijk wel gewaardeerd wordt, want iedereen wil toch dat het niveau omhooggaat.” Ik hoor iedereen altijd over jou zeggen dat je zo prettig in de omgang bent. Lachend: “Die feedback heb ik ook vaak gekregen en dat is natuurlijk fijn om te horen. Ik kan het inderdaad met iedereen altijd prima vinden.” Pech Wordt dit het jaar waarin alles op zijn plek valt voor jou? “Dat zou mooi zijn. Al liep het voorjaar niet helemaal zoals ik wilde.” Wat wilde je? “Een heel goed voorjaar rijden. Ik wilde graag zoveel mogelijk koersen, maar misschien was het een beetje te veel achteraf. Ik groeide goed door, tót een bepaald moment. Ik werd ziek na de Tirreno-Adriatico en daar ben ik slecht van hersteld. Ik weet niet goed wat het was. In Milaan-San Remo was ik nog niet de oude, in Gent-Wevelgem ook nog niet en ik moest vervolgens de Ronde van Vlaanderen overslaan omdat ik ziek was. Tijdens Parijs-Roubaix voelde ik me gek genoeg wel weer goed, maar daar viel ik in het Bos van Wallers over Dylan van Baarle heen. Ik kon meteen door, maar mijn trapper was afgebroken. Ik reed nog heel lang door met één been voordat ik een nieuwe fiets kon krijgen. Uiteindelijk werd ik toch nog zeventiende, dus ik ben blij dat ik me wel heb kunnen laten zien. Maar ik had natuurlijk liever een andere entree gemaakt bij een nieuwe ploeg.” Helden Magazine editie 67 Het eerste gedeelte van het verhaal van Mike Teunissen komt voort uit Helden Magazine nummer 67, het Sportzomerboek, waar Mathieu van der Poel de cover siert samen met Sifan Hassan, Quilindschy Hartman, Lieke Martens & Jackie Groenen. De 67ste editie van Helden is een dubbeldik Sportzomerboek, waarin er volop aandacht is voor de Tour de France voor mannen en vrouwen, het WK voetbal, en het landskampioenschap van Feyenoord. Verder in Helden 67 uitgebreide interviews met: alleskunner Sifan Hassan in aanloop naar de WK atletiek, baanwielrenner Roy van den Berg, hockeysters Sanne Koolen en Pien Sanders, zwemster Marrit Steenbergen is sterker dan ooit, wielrenster Demi Vollering, Kiran Badloe over de metamorfose van windsurfer naar foiler, Botic van de Zandschulp op weg naar de absolute tennistop, coureur en analist Giedo van der Garde over Nyck de Vries en Jos en Max Verstappen, en nog veel meer inspirerende verhalen. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine editie 67! Wil je geen inspirerende sportverhalen missen van onze Nederlandse sporthelden? Abonneer je nu snel en ontvang de Helden Magazine op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Blijf daarnaast op de hoogte van het recentste sportnieuws en leuke winacties door je aan te melden op onze nieuwsbrief en volg ons op onze social mediakanalen.

Wielrennen

Wout van Aert: ‘De man die alles kan’

Wout van Aert (28) won al negen etappes in de Tour en [...]
Wout van Aert (28) won al negen etappes in de Tour en veroverde vorig jaar met overmacht de groene trui. Daarnaast was hij superknecht van Tour-winnaar Jonas Vingegaard. Wat kunnen we dit jaar verwachten van de Belgische alleskunner? We legden hem uitspraken voor van kenners en rivalen. ‘Als Wout de kans kreeg om voor de groene trui te gaan, dan werd hij nog belangrijker in onze strijd om het geel. We hadden de strategie vooraf helemaal uitgewerkt. Wout moest zo snel mogelijk het groen en een grote voorsprong pakken, dan kon hij zich daarna volledig inzetten voor het team.’ Merijn Zeeman, sportief directeur Team Jumbo-Visma, in Helden over de Tour van 2022, waarin Van Aert de groene trui won en Jonas Vingegaard het geel en de bolletjestrui. “De Tour van vorig jaar was ideaal voor mij, ik kon in de eerste week veel punten pakken voor het puntenklassement. Het was de eerste dagen heel lastig voor de pure sprinters. Dit jaar is de eerste week van de Tour ook heel zwaar, misschien wel te zwaar omdat er ook al serieuze bergritten zijn. Zoals Merijn zei, was de Tour van 2022 perfect om in de laatste week niet meer te veel met de groene trui bezig te hoeven zijn, al klinkt dat misschien raar. Ik heb vorig jaar enorm genoten van die jacht op de groene en de gele trui. Die jacht op het geel heeft me soms ook wel beperkt in bepaalde etappes die ik ook had kunnen winnen.” Is de groene trui weer een doel dit jaar? “Het ligt allemaal iets anders dan vorig jaar. Toen was het op voorhand echt een doel van mij om het groen te winnen, daar hadden we een hele strategie voor uitgedacht. Voor mij is de groene trui iets dat ik heb afgevinkt. Dit jaar ga ik me in eerste instantie meer focussen op dagsucces in het eerste deel van de Tour. Het ‘probleem’ van deze Tour is dat er in de laatste week nog drie keer gesprint zou kunnen worden, er zijn dus nog heel veel punten voor de groene trui te verdienen op het einde, in tegenstelling tot vorig jaar. Ik denk dat ik dezelfde vorm heb als vorig jaar en dat ik goede resultaten aan het begin van de Tour neer kan zetten waardoor ik er ook meteen weer goed voor zal staan in het puntenklassement. Als de kans zich aan het einde van de Tour voordoet om opnieuw voor het groen te gaan, zal ik die natuurlijk zeker niet laten liggen, maar het is minder een doel dan vorig jaar.” Vorig jaar kwam je erg vermoeid uit de Tour. Begin augustus, dus vlak na de Tour, is het WK in Glasgow. Is dat ook een reden dat je minder gefocust bent op het groen? “Vorig jaar was ik een beetje over het randje gegaan in de laatste week. Dat had niet zozeer te maken met de groene trui, maar wel met het werk dat ik heb verzet voor de gele trui van Jonas Vingegaard. Dit jaar is het zeker een doel om met goede benen te eindigen in Parijs en die mee te nemen naar het WK, die slechts twee weken na het einde van de Tour is en waar ik zowel de wegwedstrijd als de tijdrit wil rijden.” Over de tijdrit gesproken. In deze Tour zit er maar één en die is ook nog bergop. Wat vind jij daarvan als tijdritspecialist? Zou er volgens jou een minimum aantal tijdritkilometers opgenomen moeten worden in een grote ronde? “Dat is een goed voorstel, ja. Ik vind ook dat de ploegentijdrit te vaak vergeten wordt. Lastig dat er zoveel willekeur is. In de Giro van dit jaar had je drie tijdritten: een korte, lange en eentje bergop. In de Tour is er dit jaar maar één en ook nog met twee heel lastige beklimmingen erin. Een pure tijdrijder heeft dit jaar helemaal niets in de Tour te zoeken. Ik zou er zeker voorstander van zijn als er een meer eenduidige lijn komt.” ‘Vanuit de visie van zijn ploeg is hij in zijn rol van vorig jaar de ideale man. In de Tour-geschidenis is het niet vaak voorgekomen dat iemand zo nadrukkelijk een aandeel in de Tour-zege van een ploegmaat had.’ De eerste etappe in de Tour van dit jaar lijkt op jullie lijf José De Cauwer in Helden. “Ik vind dat een mooi compliment. We hebben vorig jaar een waanzinnige prestatie geleverd als ploeg. Ik denk nog steeds met zoveel plezier terug aan die Tour. Geel, groen, de bolletjestrui en tal van ritten winnen, dat valt niet te evenaren. We hadden bijna elke dag de koers onder controle.” Verwacht jij een sterkere Tadej Pogacar dit jaar? Zijn ploeg heeft zich versterkt, maar hij heeft natuurlijk ook een polsbreuk opgelopen in Luik-Bastenaken-Luik. “Als zijn pols in orde is, wordt het een grote uitdaging voor ons om Pogacar te verslaan. Ik hoop zeker niet dat hij nog beter wordt, want hij maakt het ons nu al verschrikkelijk moeilijk.” Helden Magazine editie 67 Het eerste gedeelte van het verhaal van Wout van Aert komt voort uit Helden Magazine nummer 67, het Sportzomerboek, waar Mathieu van der Poel de cover siert samen met Sifan Hassan, Quilindschy Hartman, Lieke Martens & Jackie Groenen. De 67ste editie van Helden is een dubbeldik Sportzomerboek, waarin er volop aandacht is voor de Tour de France voor mannen en vrouwen, het WK voetbal, en het landskampioenschap van Feyenoord. Verder in Helden 67 uitgebreide interviews met: alleskunner Sifan Hassan in aanloop naar de WK atletiek, baanwielrenner Roy van den Berg, hockeysters Sanne Koolen en Pien Sanders, zwemster Marrit Steenbergen is sterker dan ooit, wielrenster Demi Vollering, Kiran Badloe over de metamorfose van windsurfer naar foiler, Botic van de Zandschulp op weg naar de absolute tennistop, coureur en analist Giedo van der Garde over Nyck de Vries en Jos en Max Verstappen, en nog veel meer inspirerende verhalen. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine editie 67! Wil je geen inspirerende sportverhalen missen van onze Nederlandse sporthelden? Abonneer je nu snel en ontvang de Helden Magazine op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Blijf daarnaast op de hoogte van het recentste sportnieuws en leuke winacties door je aan te melden op onze nieuwsbrief en volg ons op onze social mediakanalen.

Wielrennen

Demi Vollering: ‘Ik ben een killer’

De ogen zijn gericht op Demi Vollering (26). In het [...]
De ogen zijn gericht op Demi Vollering (26). In het voorjaar won ze Strade Bianche en vervolgens de befaamde hattrick Amstel Gold Race/Waalse Pijl/Luik-Bastenaken-Luik. Ook in La Vuelta Femenina liet ze zien de vrouw in vorm te zijn. De renster van SD Worx maakt zich nu op voor de Tour de France Femmes. We legden haar uitspraken voor die ze twee jaar eerder in Helden deed. ‘Het gaat nu allemaal heel goed, maar ik moet wel blijven presteren. Ik wil voorkomen dat ze van mij kunnen zeggen: die Demi was een eendagsvlieg.’ “Dat gevoel heb ik nog steeds een beetje,” zegt Demi Vollering lachend. “Ik wil nu ook niet stil komen vallen. Ik heb zo’n mooi voorjaar achter de rug, wil blijven winnen. Die eeuwige onzekerheid dat ik niet goed genoeg ben, maakt mij juist beter, ik moet van mezelf blijven presteren en doe daar alles voor.” Strade Bianche was Demi’s eerste overwinning in het voorjaar. De koers eindigde in de straten van Siena in een eindsprint tussen Demi en haar Belgische ploeggenote Lotte Kopecky. “Ik weet dat ik een killer ben en het kan afmaken. Toen Lotte mij voorbijkwam, werd ik zo wild, ik dacht: dit geef ik niet meer weg.” Daarna sloeg Demi toe in de Amstel Gold Race. Na tweede plaatsen in 2021 en 2022 won ze dit keer. Ze sprong op twee kilometer van de streep weg uit de kopgroep en kwam solo aan. “Ik wilde de Amstel Gold Race zo graag winnen, had dit plan in mijn hoofd en ging heel zelfverzekerd die wedstrijd in. Bij Strade was ik nog zoekende, nu was ik meer overtuigd van mezelf. Winnen geeft ook zo’n boost.” Vervolgens de Waalse Pijl. Vorig jaar en in 2020 eindigde Demi als derde, dit jaar sloeg ze toe op de Muur van Hoei. “Ik wist niet zeker of die klim mij wel zou liggen, was iedere keer net niet goed genoeg geweest. Door mijn zenuwen werd die wedstrijd lastig. Ik had enorm last van mijn maag, kon niet goed eten. Maar mijn team reed zo goed, bleef vertrouwen in mij houden. Vanaf de voorlaatste klim ging ik mijn eigen tempo rijden en waren de zenuwen weg. Op de laatste klim voelden mijn benen ook goed en ik dacht: ik rij mijn eigen tempo, als anderen over mij heen komen, dan is dat maar zo. Maar dat gebeurde niet.” Een paar dagen later won ze het sluitstuk van het voorjaar: Luik-Bastenaken-Luik, die ze in 2021 ook al won. “Luik had nog meer lading gekregen omdat ik de hattrick kon voltooien. Van die gedachte werd ik onrustig. Ik kon niet slapen, lag op de wekker te wachten omdat die vroeg zou gaan. Er zaten twee stemmetjes in mijn hoofd. De ene maakte zich zorgen en zei: ‘Wat als het niet lukt?’ De ander zei: ‘Rustig blijven liggen en ook al slaap je niet, dan rust je alsnog uit.’ Toch had ik de volgende dag heel veel zin om te koersen. Alle meiden vertrouwden erop dat ik het ging afmaken. Ik had het idee dat iedereen net wat gemotiveerder was dan normaal om die hattrick met de ploeg te voltooien.” Eenmaal bij de laatste klim aangekomen, waren de zenuwen verdwenen. Alleen de Italiaanse Elisa Longo Borghini kon haar bijbenen, maar in de eindsprint maakte Demi het af. “Het was een enorme opluchting en bevestiging dat ik de goede weg in ben geslagen.” Ook in La Vuelta liet Demi haar goede vorm zien. In de rode leiderstrui en met een etappezege op zak ging ze het weekend in, totdat een plaspauze in de voorlaatste rit verkeerd uitpakte. Titelverdedigster Annemiek van Vleuten ging in de aanval en pakte 1 minuut en 11 seconden voorsprong op Demi. Op de laatste dag wist Demi die nog bijna goed te maken. Ze schreef de bergetappe op haar naam, maar miste op negen seconde de eindzege. “Ik heb het idee dat ik nog steeds groei in mijn vorm,” zei ze na afloop. Er kwam veel op Demi af na haar zegereeks. “Het is grappig om te zien dat mensen anders naar je kijken als je wint. Er wordt nu ineens naar mij geluisterd. Iedereen wil weten waarom ik zo goed ben. Voor mij was dat een minder grote verrassing. Ik ben een stuk sterker geworden, maar zit nu ook lekkerder in mijn vel in de ploeg, word nog meer gerespecteerd en de meiden begrijpen mij beter.” In 2021 zette Demi zich op de kaart door Luik-Bastenaken-Luik en La Course te winnen. Vorig jaar werd er al veel van haar verwacht, maar werd ze nog geregeld tweede of derde. “In de voorjaarsklassiekers miste ik dat laatste stukje. Ik kreeg van de ploeg te horen dat ik een stap extra moest zetten in mijn trainingen. Daar schrok ik heel erg van, het kwam best hard binnen, want voor mijn gevoel haalde ik alles eruit wat erin zat. Ik trok het me ook heel erg aan, want ik ben een harde werker en wilde niet dat mensen dachten dat ik achteroverleunde.” Anna van der Breggen, oud-wielrenster en ploegleidster van SD Worx, bood hulp. “Anna is mijn trainingsschema’s gaan maken, dankzij haar ben ik anders gaan trainen. Dat heeft geholpen. Zelf had ik het idee dat ik vooral mentaal sterker en volwassener moest worden. Als je als kind in groep 3 zit en het gaat goed, zeg je niet zomaar: ga maar naar groep 5. Ik had het idee dat dat bij mij gebeurde vorig jaar, dat het te snel ging en ik kwam op met grote sprongen, maar ik sloeg te veel klassen over. Ik wilde te graag en was daar te geforceerd mee bezig.” Via wielerbond KNWU kwam ze bij een mental coach terecht. Demi had er veel baat bij. “Ik wilde nog beter leren wie ik ben en wat ik wil. Onze gesprekken gingen niet alleen over mij als wielrenster, maar ook over wie Demi zonder fiets is. Ik ben gevoelig voor sfeer in een groep en voor meningen van anderen, wil niemand teleurstellen. Soms had ik het gevoel dat ik niet begrepen werd, dat mensen niet helemaal snapten hoe ik in elkaar zit. Ik leerde mezelf ook beter kennen.” In aanloop naar de Tour de France van vorig jaar leerde Demi om te gaan met faalangst, wat haar eerder parten speelde. “Tijdens de trainingen beeldde ik me in hoe de etappes zouden verlopen en voelde ik me heel sterk. Maar als ik ’s avonds in mijn bed lag, dan kwam er een duiveltje, zag ik voor me hoe Annemiek van Vleuten bij mij wegreed. Ik werd gek van die gedachten en probeerde ze weg te wuiven, maar dat lukte niet. Ik wilde het zo graag en was zo bang dat het niet lukte. Mijn mental coach zei: ‘Zodra je dat beeld voor je ziet, denk dan: en als dat gebeurt, wat dan nog? Dan rij je toch gewoon je eigen koers verder?’ Zo werd de lading minder groot en was het ook makkelijker om dat beeld uit mijn hoofd te zetten. Ik dacht niet meer aan Annemiek, maar aan mezelf, en maakte mijn eigen koers.” Ook als persoon is Demi veranderd. “Ik ben rustiger geworden. Ik ben sterker geworden in mijn communicatie, ook in het uitspreken van mijn emoties. Dat vond ik voorheen lastig. Als ik iets wilde zeggen wat een emotionele lading had, kwamen meteen de tranen. Dan dacht ik: laat ik maar mijn mond houden, anders moet ik huilen en wordt het nog heftiger. Nu denk ik: misschien moet ik huilen, maar wat dan nog?” Tegenwoordig wint ze wedstrijden dus niet alleen met haar benen. “Er valt op mentaal vlak zoveel te halen. Waarom zou je alleen je lichaam trainen als je hoofd zoveel sterker is dan we denken?” Voorheen was ze nog weleens bang om te verliezen, zei ze al eerder in interviews, nu durft ze all in te gaan. “Ik vond het ook altijd lastig om te kiezen, omdat ik heel allround ben. Ik ben best een goede sprinter, maar kan ook goed klimmen, en ben er ook achter gekomen dat ik goed solo kan rijden. Eerder durfde ik nooit zo goed vol te gaan voor een ontsnapping, omdat ik dacht: stel dat het niet lukt, dan heb ik nog wat over voor mijn sprint of voor de laatste klim. Nu ga ik gewoon.” ‘Wat Anna allemaal heeft gewonnen, olympisch goud, wereldtitels, de Giro Rosa meerdere keren. Daar kan ik alleen maar van dromen.’ Lachend zegt Demi: “Ja, dat wordt voor mij nu allemaal ook steeds reëler.” Anna van der Breggen was voor Demi de enige renster die er ook in slaagde de wielerhattrick Amstel Gold Race/Waalse Pijl/Luik-Bastenaken-Luik te voltooien. “Anna was er niet bij in Luik, maar appte me ’s avonds. Ze stuurde een felicitatiegifje, en meteen daarna dat ik mijn laatste gelletje te laat had genomen en dat ik veel risico had genomen. Ik had het laatste groepje voor de klim te ver weg laten rijden. Ik kan genieten van het commentaar van Anna, zit bij de ploeg om beter te worden, en die ruimte voor verbetering is er nog.” Als wielrenster won Van der Breggen alles wat er te winnen viel, nadat ze eind 2021 stopte, werd ze Demi’s ploegleidster bij SD Worx en maakt ze dus haar trainingsschema’s. “Anna betekent veel voor mij, is heel belangrijk in de weg die ik in ben geslagen. Ik leer veel van haar, vooral op het gebied van trainen, maar zij laat mij ook groeien als renster en als persoon. In trainingen kon ik soms nog onzeker zijn, ik was gauw bang dat ik te weinig deed of juist te veel. Ik vond het altijd spannend om dat zelf aan te voelen, had het idee dat ik daar te weinig verstand van had. Anna pusht mij en zegt altijd: ‘Er is geen trainer zo goed als jezelf, alleen jij kent jezelf het allerbest.’ Nu voel ik veel beter aan wat ik moet doen: een rondje minder omdat ik vermoeid ben of juist dat rondje extra.” Voorheen maakte Stefan van Klink haar trainingsschema’s, de eerste trainer met wie ze ooit begon te werken bij haar voormalige ploeg SwaboLadies. “Ik wilde niet meteen volledig overstappen naar een andere trainingsleer, geregeld zie je bij sporters dat ze dan even stil komen te vallen omdat hun lichamen eraan moeten wennen. Anna heeft het langzaam overgenomen, voor de Tour de France van vorig jaar. Met Stefan deed ik meer all outtrainingen, met lange rust ertussen. Nu doe ik wat kortere, intensievere blokjes met een kortere rustperiode ertussen.” Aangespoord door de ploegleiding maakte Demi deze winter ook meer uren op de racefiets. “Voorheen was ik bang dat ik in januari al mijn motivatie zou verliezen als ik in november al op de racefiets zou stappen. Eerder ging ik in die periode ook mountainbiken. Ik was bang dat het saai zou worden als ik alleen maar op de racefiets zat, maar dat was niet het geval. Toen het februari was, was ik zo gemotiveerd. Ik heb het er zelfs nog met mijn mental coach over gehad dat ik bang was dat ik te vroeg zou pieken, dat ik stil zou komen te vallen. Anna moest lachen toen ik het haar voorlegde, ze zei: ‘Dat kan helemaal niet, het zware trainingsblok moet nog komen.’” Ook de nuchtere blik van Anna is fijn, vertelt Demi. “Voor de Waalse Pijl was ik onzeker over die Muur van Hoei. Ik vroeg Anna: kan ik vanmiddag nog even met jou zitten om de klim door te spreken, hoe ik die bochten moet aansnijden? Ze zei: ‘Dat weet je heus wel.’ Ik moet dan even gniffelen, want dat is ook zo. Toch kan Anna dat laatste stukje onzekerheid bij mij wegnemen.” Haar succes heeft Demi ook te danken aan haar ploeggenoten bij SD Worx. Met Lotte Kopecky, de Belgische die dit jaar de Ronde van Vlaanderen won, en sprintster Lorena Wiebes zijn er meerdere kopvrouwen. “Aan het begin van het jaar moesten we van sportief manager Danny Stam een lijstje maken van de wedstrijden die we wilden winnen. De Amstel Gold Race stond op mijn lijstje. Strade Bianche en Ronde van Vlaanderen wilde ik graag als team winnen. In sommige wedstrijden is het duidelijk wie onze kopvrouw is, zoals bij de Waalse Pijl en Luik-Bastenaken- Luik. Voor Strade Bianche lagen meerdere plannen klaar, voor Lotte en mij, net als bij de Amstel Gold Race. Die samenwerking gaat goed. Lotte is ook rustig, zal nooit in een groep roepen: ‘Vandaag gaan we voor mij rijden.’ Maar eerder: ‘Ik wil Demi’s kansen niet wegnemen.’ We staan er hetzelfde in en genieten van elkaars successen. Ik raak ook geïnspireerd van Lorena en Lotte. Lorena is een heel lieve en sociale meid, maar zodra een wedstrijd begint, kan zij iedereen zo goed aansturen, dan is ze niet bang om te schreeuwen. Ik kan veel van haar leren wat dat betreft. Lotte heeft weer heel veel koersinzicht. Zij is heel rustig in de wedstrijd. Maar als het dan dreigt ‘op de kant’ te gaan, dan gaat ze. Zij is ook een heel technische renster. Als ik bij haar in het wiel zit en naar voren schuif, leer ik veel van haar.” 'Als ik iets wilde zeggen wat een emotionele lading had, kwamen meteen de tranen. Dan dacht ik: laat ik maar mijn mond houden' ‘De weg die ik heb afgelegd om te komen waar ik nu ben, emotioneert me. Na een overwinning denk ik snel aan mijn ouders, broer en zusjes, opa’s en oma’s en natuurlijk Jan.’ “Na iedere overwinning ben ik enorm trots en besef ik wat ik ervoor heb gedaan al die jaren. Dat zou me nooit gelukt zijn zonder mijn familie en mijn verloofde Jan. Maar ik heb het ook aan mezelf te danken, hoor, ik wilde het altijd heel graag en ben gedisciplineerd. Ik ben opgegroeid met hard werken, het voelde nooit als een opgave.” Demi is de oudste dochter uit een gezin met vier kinderen. Ze heeft een jongere broer, Jake, en twee zusjes, Nena en Bodine. Thuis in Berkel en Rodenrijs stond, en staat nog altijd, veel in het teken van de bloemkwekerij van haar vader en oom, waarin het draait om snijhortensia’s. Het harde werken is Demi met de paplepel ingegoten. “Als mijn zusjes, broertje of ik even niks aan het doen waren, zei mijn moeder: ‘Ga maar even onkruid wieden of vragen of je vader nog wat te doen heeft.’” Stilzitten gebeurde bij de familie Vollering thuis niet. Als Demi niet aan het werk was in de bloemkwekerij of later in bloemenwinkels, was ze aan het schaatsen of aan het wielrennen. Voor de Spelen in Rio in 2016, amper zeven jaar geleden, had ze nog de droom om als schaatsster naar de Spelen te gaan. Pas op haar zestiende reed Demi haar eerste wedstrijden op de racefiets. In die tijd fietste ze twee keer in de week, meer niet. Haar schaatstrainer was de eerste die haar ook fietstraining gaf. Op haar twintigste koos Demi definitief voor de fiets, mede dankzij haar verloofde Jan de Voogd die ze in die periode leerde kennen en amateurwielrenner was. Hij merkte dat Demi snel herstelde na inspanningen en adviseerde haar vol voor het wielrennen te gaan. “Ik besloot om minder te werken en meer op mijn sport te focussen, maar dat was ook weleens lastig. Dan ging ik tussen een training door uitrusten op de bank of even op bed liggen, maar de rest werkte gewoon hard door in de kas en snapte niet waarom ik niet meehielp. Toch hebben mijn ouders mij altijd vrijgelaten en gesteund in mijn keuze. Ze hadden ook kunnen zeggen: ga eens werken of studeren.” Haar familie volgt Demi op de voet. “Ze waren met zijn allen bij de Amstel Gold Race en in Luik waren mijn ouders en Jan erbij. Na de finish vloog ik mijn vader in zijn armen. Hij zei iets van: ‘Ongelofelijk Demi.’ En dat hij supertrots op me was. Dat maakte mij nog trotser. ’s Avonds hebben we met de hele familie de wedstrijd teruggekeken.” Demi’s twintigjarige zusje Bodine is ook hard aan de weg aan het timmeren als wielrenster en zou graag in de voetsporen treden van Demi. “Ze heeft veel talent, maar heeft dit jaar nog niet veel geluk gehad. Vorig jaar kwam ze in een training heel hard ten val, ze liep een scheurtje op in haar milt en mocht vijf dagen lang niet bewegen in het ziekenhuis. Ze heeft er lang van moeten herstellen, maar is nu weer op de goede weg. Het is ook lastig voor Bodine: mensen verwachten meteen dat ze ook goed zal worden. Gelukkig is mijn zusje een heel koele kikker en geeft daar niet zoveel om. Ze heeft de hele winter doorgetraind en is van club gewisseld en ze wilde naar Schijndel, maar eigenlijk was er geen plek voor haar in de wedstrijdselectie. Ze vroeg mijn mening. Ik zei: ik denk dat je wedstrijden moet gaan rijden en voor een andere club moet kiezen. Een dag later kreeg ik een appje dat ze toch voor Schijndel koos. Bodine had te horen gekregen dat als ze goed haar best zou doen, ze zich in de wedstrijdselectie kon fietsen. Dat is haar gelukt. Ze is op trainingskamp geweest op Mallorca en dat ging heel goed. Ze vindt het leuk, wil graag een profcontract verdienen en ze wil graag naar de ploeg Parkhotel Valkenburg, daar ben ik ook begonnen als profrenster. Ik hoop dat het haar lukt.” ‘Jan helpt me zo goed, kan heel goed praten en is ook mijn manager. Hij is ook iemand die me motiveert, ik heb soms die schop onder mijn kont nodig. Dankzij Jan heb ik dus de stap gemaakt om echt voor het wielrennen te gaan.’ “Ik heb nog steeds weleens dagen dat ik die schop onder mijn kont nodig heb. Toen er zoveel op me afkwam in die week na Luik, had ik niet veel zin om op te fiets te stappen. Jan maakt dan mijn fiets klaar. Dan zie ik hem mijn banden oppompen en denk ik: oké, ik ga toch maar even.” Jan is niet alleen haar partner, ook haar manager. “Als ik geen zin heb in sommige interviews, dan kan hij zeggen: Demi, dit is echt goed om te doen, ga gewoon.” Demi schoof zelfs aan bij Vandaag Inside. “Ik ken Roxane Knetemann goed, die er ook geregeld zit. Na Strade Bianche appten we, ik stuurde haar dat ik vond dat ze het zo leuk deed. Johan Derksen was altijd heel erg fan van Annemiek van Vleuten en had tegen Rox gezegd dat hij een opvolgster had gevonden, dat ik dat was. Ik zei zoiets van: ik hoop dat ik Johan al sneller fan van mij kan maken. Rox vroeg of ik een keer wilde komen. Jan regelde het toen verder en na Luik zat ik er aan de bar. Het was hartstikke leuk.” 'Jan ging niet op een knie, want hij zat al op het picknickkleed. Toen haalde hij ineens een ring tevoorschijn' Werk en privé lopen bij Jan en Demi dus door elkaar. “Soms is dat wel gek, maar hij doet het heel goed en ik vertrouw hem volledig. Jan wil het beste voor mij.” In mei vorig jaar vroeg Jan haar ten huwelijk, toen ze in de Vogezen met hun campertje de verkenning aan het doen waren voor de Tour de France. “We hadden het weleens over trouwen gehad, toch zag ik het totaal niet aankomen. We stonden op de camping en het was een heel mooie avond. Onze hond Flo liep door het grasveld te huppelen. Jan ging niet op een knie, want hij zat al op het picknickkleed. Ik had net het eten voorbereid en kwam bij hem zitten. Toen haalde hij ineens een ring tevoorschijn.” Lachend: “En Flo had door dat het iets heel speciaals was, die kroop meteen tussen ons in.” De bruiloft is nog niet gepland. “Misschien dat we wel in het buitenland willen trouwen, in Italië, in oktober, na het seizoen. We hebben geen haast. We willen het in onze stijl doen, een beetje festivalachtig, met tentjes buiten.” Naast de manager van Demi is Jan ook afdelingshoofd van de OK in het ziekenhuis in Basel, Zwitserland. Daar wonen de twee inmiddels samen. Ze delen hun passie voor de natuur. “We hadden altijd de droom om een campertje om te bouwen, dat hebben we nu gedaan. We genieten ervan om daarmee de bergen in te rijden, te toerskiën of lekker te fietsen samen. Jan is een heel druk bijtje, ik pas wat dat betreft heel goed bij hem. Zijn moeder zei altijd: ‘Jij gaat nooit een vriendin vinden die net zo hard als jij kan lopen.’” Lachend: “Dat is hem toch gelukt.” Als ik in een positie zit waarin het lastig is om nog te winnen, zeg ik tegen mezelf: het kan altijd nog, dat heeft Mathieu bewezen.’ “Mathieu van der Poel liet dat in 2019 al in de Amstel Gold Race zien. Annemiek van Vleuten is daar ook een voorbeeld van. Zij won het WK vorig jaar met een heel late uitval en een gebroken elleboog,” zegt Demi, “ik weet inmiddels ook dat de koers pas voorbij is op de finishlijn.” De inmiddels veertigjarige Van Vleuten was vorig jaar de te kloppen vrouw. Ze won Luik-Bastenaken-Luik, vervolgens de Tour de France, de Giro én La Vuelta, en ze werd wereldkampioen. Demi won weliswaar de bergtrui in de Tour, maar werd tweede achter Van Vleuten. “Annemiek en ik zijn geen vriendinnen, we zijn niet dezelfde types, maar ik heb wel veel respect voor haar en ik denk dat ze dat voor mij ook heeft. Natuurlijk wilde ik haar dit jaar graag een keer verslaan. Hoe ze vorig jaar in de rondte reed, was ongelooflijk, ze was verreweg de beste en van de beste wil je winnen. Dit voorjaar was ik extra gemotiveerd om van haar te winnen, ook omdat ze na dit jaar stopt. Anders zullen mensen altijd zeggen: ‘Leuk wat Demi heeft gewonnen, maar dat is makkelijk, want ze heeft niet meer tegen Annemiek gekoerst.’ Dat wilde ik voorkomen.” Ze wordt ook geïnspireerd door Tadej Pogacar. “Ik kan enorm genieten van hem, hij rijdt zo relaxed rond. Het plezier straalt ervan af. De manier waarop Pogacar koerst en hoe hij is als persoon – zo relaxed en nuchter – dat vind ik inspirerend.” Ik zou in de toekomst heel graag samen in Zwitserland willen gaan wonen. Het leven daar trekt mij net wat meer dan hier. De bergen, de schoonheid. De rust.’ “In januari vorig jaar ben ik officieel naar Zwitserland verhuisd. Jan en ik houden enorm van de bergen. We wonen net buiten Basel, maar komende winter verhuizen we terug naar Luzern. Jan heeft daar al eerder gewoond en gewerkt in het ziekenhuis, nu krijgt hij in datzelfde ziekenhuis een managementfunctie. Hij begint na het WK. We moeten op zoek naar een mooi huisje.” Maar eerst volgen er nog een paar mooie wedstrijden, waaronder de Tour de France Femmes. “Vorig jaar hoopte ik al dat ik goed genoeg was om de Tour te winnen. Uiteindelijk was ik heel blij met mijn tweede plek en de bergtrui, maar ik hoop hem dit jaar te winnen. Ik ben nooit bang geweest om groot te durven dromen, wil ook graag een keer wereldkampioen worden en olympisch kampioen. En ik hoop dat ik in de tijdrit nog beter kan worden.” Eén ding is zeker: haar overwinningen smaken naar meer. “Ik ben 26. In de trainingen maak ik nog steeds heel grote stappen, dat is een fijn gevoel.” Met het leven na haar wielercarrière is Demi nog niet bezig. Ooit wil ze graag kinderen. “Maar ik ben volgens mij niet het type dat tijdens haar carrière moeder wil worden, het lijkt me heel lastig om dan nog terug te keren als wielrenster. Dan zou ik eerder kiezen voor gravelbiken, hardlopen of trailrunnen in Zwitserland, want ik geniet ook heel erg van andere sporten. En toerskiën wordt volgens mij een olympische sport.” Lachend: “Dus wie weet.” Helden Magazine editie 67 Het verhaal van Demi Vollering komt voort uit Helden Magazine nummer 67, het Sportzomerboek, waar Mathieu van der Poel de cover siert samen met Sifan Hassan, Quilindschy Hartman, Lieke Martens & Jackie Groenen. De 67ste editie van Helden is een dubbeldik Sportzomerboek, waarin er volop aandacht is voor de Tour de France voor mannen en vrouwen, het WK voetbal, en het landskampioenschap van Feyenoord. Verder in Helden 67 uitgebreide interviews met: alleskunner Sifan Hassan in aanloop naar de WK atletiek, baanwielrenner Roy van den Berg, hockeysters Sanne Koolen en Pien Sanders, zwemster Marrit Steenbergen is sterker dan ooit, Kiran Badloe over de metamorfose van windsurfer naar foiler, Botic van de Zandschulp op weg naar de absolute tennistop, coureur en analist Giedo van der Garde over Nyck de Vries en Jos en Max Verstappen, en nog veel meer inspirerende verhalen. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine editie 67! Wil je geen inspirerende sportverhalen missen van onze Nederlandse sporthelden? Abonneer je nu snel en ontvang de Helden Magazine op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Blijf daarnaast op de hoogte van het recentste sportnieuws en leuke winacties door je aan te melden op onze nieuwsbrief en volg ons op onze social mediakanalen.

Wielrennen

Roze trui dragers

Liefde voor de laars De Giro d’Italia start op 6 [...]
Liefde voor de laars De Giro d’Italia start op 6 mei met een openingsweekend in Gelderland. Helden haalt met Hollandse uitblinkers Erik Breukink, Jean-Paul van Poppel, Johan van der Velde en Pieter Weening, allemaal in dienst van Team Roompot Oranje Peloton, herinneringen op aan hun successen in de voor velen mooiste drieweekse ronde op de wielerkalender. Jean-Paul van Poppel (4 ritzeges en 2 dagen in de roze trui) “Catania is een bijzondere plek voor me. Beide keren dat ik de roze trui wist te veroveren, was de aankomst in deze Siciliaanse stad. De Giro van 1986 was mijn eerste drieweekse ronde. Ik was gretig. Een jaar eerder had ik tijdens mijn debuutseizoen als prof al bewezen dat ik de grote sprinters kon kloppen. De grote vraag vooraf was: kan ik het ook in de Giro? In de tweede etappe was het al raak. Maar met de roze trui was ik niet bezig. Er was een tijdrit van een kilometer geweest en een ontregelde massasprint een dag eerder. Daardoor dacht ik niet aan het klassement. Het was geweldig toen ik hoorde dat ik het roze mocht aantrekken. Veel publiciteit in Nederland leverde het niet op. Er was slechts één Hollandse journalist in Italië. Ik was na mijn eerste deelname graag naar de Giro teruggekeerd, maar ik kwam bij Superconfex terecht en die ploeg deed niet mee aan de ronde. Ik was jong en vond goed presteren in de Tour op dat moment erg belangrijk. Dat lukte twee jaar achter elkaar. Vervolgens verkaste ik naar Panasonic en ik wilde voorafgaand aan de Tour dolgraag weer de Giro rijden. Dat liet ik zelfs in mijn contract vastleggen. Ik was in love met die ronde. Het paste bij mijn karakter; het was chaotisch en daar wilde ik iets goeds van proberen te maken. Vergeleken met de strak georganiseerde Tour werd er in de Italiaanse sprints veel meer van me gevraagd met al die haakse bochten en poortjes in de finales. Ik moest dieper gaan, vechten voor mijn plekje en ik kwam andere sprinters tegen. Jongens als Paolo Rosola en Alessio Di Basco waren beesten en voor de duvel niet bang. Ze reden alsof ze geen remmen op hun fiets hadden en konden het je heel lastig maken. Voor mij maakte het de uitdaging om te winnen des te groter. Bij mijn tweede Giro in 1989 was mijn doel zoveel mogelijk etappes op mijn naam te schrijven. Twee bochten voor de finish van de eerste rit schoot ik echter uit het riempje van mijn pedaal. Ik verloor een stuk of vijftien plekken. Onze tweede ploegleider Ferdi Van Den Haute was in de laatste bocht gaan staan. Hij zag me als twintigste voorbijkomen en dacht dat het over was. Ik had het geluk dat het even stilviel en toen besloot ik op 300 meter van de streep er van achteruit volle bak overheen te kletsen. Ik verraste iedereen met die lange sprint en ik had zo’n vaart dat ze me niet meer konden inhalen. Door die zege pakte ik de eerste roze trui van de ronde. Een mooi moment. Alleen bijna niemand weet dat meer. Zelfs Erik Breukink, nu collega-ploegleider bij Roompot, wist het niet. ‘Heb jij de roze trui gedragen?’ vroeg hij me laatst. ‘Je was er zelf bij!’ antwoordde ik. We reden dat jaar nota bene voor dezelfde ploeg. Ha, dat zegt genoeg." Erik Breukink (2 ritzeges, 8 dagen in de roze trui en 2 keer het podium) “De Giro van 1986 was het vertrekpunt voor mijn carrière als ronderenner. Ik wist vooraf wel dat ik kon klimmen en tijdrijden, maar nog niet hoe ik een drieweekse race zou verteren. Het Italiaanse sfeertje en de hele entourage bevielen me goed. Dan word je snel verliefd op een koers. In het begin was ik wat ziekjes, maar uiteindelijk kwam ik sterker uit de ronde. Een jaar later deed ik verrassend mee voor het klassement. Ik won op de tweede dag de tijdrit en pakte de roze trui. Al die aandacht was prachtig, zeker voor een jonge renner van 23 jaar. Die trui bracht geen privileges met zich mee, maar de hele atmosfeer in Italië maakte het leuk om in the picture te staan. Ik genoot ervan en ondanks het feit dat ik de trui na een paar dagen verloor, hield ik goed stand in het klassement en werd derde. In 1988 boekte ik de overwinning die het mooiste verhaal heeft opgeleverd en die nu nog steeds wordt opgerakeld. Het was de beroemde etappe naar Bormio over de Gavia. We werden onderweg overvallen door een sneeuwstorm. Het was koud en op een gegeven moment kon ik mijn handen niet meer bewegen. Ik had me wel enigszins voorbereid op het slechte weer door overschoentjes en dikke armstukken aan te trekken. Iedereen dacht aan de kou, maar ik was volledig geconcentreerd met mijn klassement bezig en kon blijven trappen. Die mindset hielp. Net na de top van de Gavia zag ik in een flits Johan van der Velde langs de kant staan. Ik wist toen dat alleen Andy Hampsten, die bergop een seconde of twintig voorsprong op me had gepakt, nog voor me reed. Aan het begin van defdaling zag ik niets, het was net alsof ik alleen op die berg reed, maar even later kreeg ik hem in het vizier. Dat gaf moraal. Het lukte me om Hampsten te achterhalen en ik weet nog dat ik dacht dat ik in hetzelfde tempo moest doorrijden en er meteen overheen moest kletsen. Hampsten mocht niet in mijn wiel kunnen komen, want ik was niet bepaald een sterke sprinter. Het lukte me om een beslissend gat te slaan en hem voor te blijven tot aan de finish. Dat jaar eindigde ik als tweede. In 1989 won Laurent Fignon, maar had ik de grootste kans om de Giro te winnen. De voorgaande jaren waren anderen beter geweest. Toen niet, Fignon en ik waren aan elkaar gewaagd. Het was die ronde al een paar dagen koud weer en ik reed in het roze. Daardoor had ik misschien net wat meer energie verspeeld dan de rest, er kwam ook wat druk bij kijken, en in de veertiende rit kreeg ik een inzinking door een hongerklop. Ik verloor veel tijd en dat mag nu eenmaal niet gebeuren. Het geheim van een grote ronde is dat je er iedere dag moet staan. Drie weken na afloop van de Giro veroverde ik de gele trui in de Tour, dat hielp om de teleurstelling weg te spoelen. In de jaren erna kwam mijn focus op een goed klassement in Frankrijk te liggen. Ook omdat ik niet sterk genoeg bleek om in beide grote wedstrijden, die kort achter elkaar werden verreden, top te presteren. De Ronde van Italië staat symbool voor de start van mijn carrière en ik heb er mijn mooiste prestaties neergezet. Maar in mijn achterhoofd zit ook: als ik ooit een grote ronde had kunnen winnen, dan was het de Giro van 1989 geweest. En dat geeft toch een dubbel gevoel.” Pieter Weening (2 ritzeges en 2 dagen in de roze trui) “Mijn etappeoverwinning in de Tour van 2005 was de belangrijkste, maar mijn eerste succes in de Giro, zes jaar later, vind ik het mooist. Het was een heuvelrit naar Orvieto over de strade bianche, de onverharde witte grindpaden. Ik was die dag een van de beste in koers en kwam solo over de streep. Ik wist dat de zege binnen was en kwam daardoor ruim voor de finish al rechtop om het te vieren. Achteraf bleek dat ik met een verschil van slechts twee seconden het roze had gepakt. Ik had helemaal niet aan het klassement gedacht, ik was allang blij dat ik een mooie rit had gewonnen. Die roze trui was echt een bonus. Er waren die ronde veel lange verplaatsingen na afloop van de etappes en zeker als klassementsleider was dat best vermoeiend. Mijn ploeggenoten konden na de koers een douche pakken en door naar het volgende hotel. Ik moest als rozetruidrager meteen naar het podium en de dopingcontrole. Door alle plichtplegingen kwam ik steeds als laatste bij die controle en moest daar gewoon op mijn beurt wachten. Als dat allemaal achter de rug was, moest ik nog 200 kilometer in de auto zitten. Tegen de tijd dat ik in het hotel aankwam, zaten mijn ploeggenoten al te eten. Ik moest dan nog gemasseerd worden. Al die randzaken vraten energie. Maar dat was ook de enige ergernis. Verder was het hartstikke gaaf. Ik besefte toen: jongens als Alberto Contador moeten dit dus iedere dag ondergaan. Ik kreeg daardoor nog meer respect voor die mannen. Voorafgaand aan die Giro had ik een goede Ronde van Romandië gereden. Een kameraad van me had gezegd: ‘Als jij de trui pakt, laat ik mijn auto roze verven.’ Hij kon het natuurlijk niet geloven, maar hij heeft toen wel zijn kleine witte Suzuki roze laten maken. Het logo van de Giro erop. Ha, dat wagentje zag er in die staat veel mooier uit dan daarvoor. Een paar dagen later zijn wat vrienden met die auto naar Oostenrijk getuft en de Grossglockner opgereden om mij aan te moedigen. Dat was mooi! Vanaf dat jaar wist ik dat de Giro het beste bij mij past. De weersomstandigheden, het parcours; het is allemaal minder voorspel- baar dan in Frankrijk. In de Giro heb je in de eerste week al één of twee etappes waarin het klassement wordt gemaakt. Daardoor ontstaat er rust in het peloton en komt er meer ruimte voor aanvallers als ik. Zo wist ik in 2014 vanuit een lange ontsnapping mijn tweede ritwinst te boeken. Ik baalde wel even toen we met Team Roompot eerder dit jaar geen wildcard kregen voor de aankomende Giro, al hadden we wel een slag om de arm gehouden. Ik weet niet of het nog gaat lukken, maar ik hoop de ronde nog een keer te rijden en voor een derde ritzege te gaan.” Johan van der Velde (3 ritzeges en 3 paarse truien) “In 1984 koos ik bewust voor het avontuur en ging in Italiaanse loondienst rijden. Ik verbleef bij ploeggenoten thuis, nam de Italiaanse gewoontes over en leerde snel de taal. Ik werd meteen geaccepteerd en voelde me op mijn gemak. De Giro was net zo mooi en zwaar als de Tour de France. Ik had een vrije rol en werd tweede in het puntenklassement. Na afloop wist ik: volgend jaar gaat dit mijn trui worden. In ’85 stond ik haast iedere dag op het podium in de paarse puntenrui. De sponsors werden gek. We waren een bescheiden ploeg en die trui gaf aanzien en publiciteit. Ik was van waarde, maar toch ging ik in 1986 terug naar Nederland. Maar mijn periode bij Panasonic werd geen succes en ik besloot in te gaan op een aanbieding van Gis. Er is toen een Italiaanse afvaardiging naar een hotel in Breda gekomen om 60.000 gulden zwart te overhandigen aan teambaas Peter Post om mijn doorlopende contract af te kopen. Terug in Italië was ik weer op mijn gemak. In 1987 won ik twee zware bergritten in de Dolomieten en wederom het puntenklassement. Een jaar later vond de historische rit over de Gavia plaats. Ik was op weg naar een heel mooie zege, maar ik maakte de fout door voor de beklimming mijn warme kleren af te geven. Het weer werd steeds slechter, door de sneeuw zag ik geen hand voor ogen. Het waren de meest extreme omstandigheden die ik ooit heb meegemaakt "In de afdaling was het zo koud dat ik onderkoeld raakte. Ik kon niet eens meer in mijn remmen knijpen en stapte in een busje dat me naar beneden bracht. Toch blijven het spectaculaire beelden. Als ik niet meer leef, zullen ze nog steeds voorbijkomen. Mijn inzinking is een stukje Giro-geschiedenis geworden." Mijn laatste Giro in 1989 verliet ik door de achterdeur. Op dat moment zag ik geen andere uitweg. Ik had die winter te weinig getraind, maar ik was door TVM aangetrokken om te presteren in de Giro. De directie en sponsors zouden naar Italië komen. Ik wist dat ik het niet ging maken in de bergen en wilde niet afgaan. De tiende etappe was een tijdrit en een mooie gelegenheid om te vertrekken. Ik had mijn kamergenoot ingelicht over mijn plannen en pakte vanaf het hotel een taxi die me naar de snelweg bracht. Daar ging ik liften. Een kledingfabrikant stopte en herkende me meteen. ‘Wat doe jij nou hier?’ Ik zei: ‘Ik ben een beetje ziek. Ik heb opgegeven en ga naar huis.’ Die man heeft me toen naar Bologna gebracht en een treinkaartje naar Milaan voor me gekocht. De volgende dag vloog ik terug naar Nederland. Later ben ik gaan zoeken naar de oorzaken van die actie. Nu zou ik zoiets nooit doen, maar op dat moment kon ik niet helder nadenken. Het was begonnen met de geboorte van mijn oudste zoon in ’87. Ik zag hem pas toen hij al een maand oud was, omdat ik eerst nog Tirreno-Adriatico en Milaan-San Remo moest rijden voordat ik naar Nederland mocht. En dat terwijl mijn vrouw ook nog eens in het ziekenhuis lag vanwege een longembolie. Ik dacht: wat is dit voor een gekke wereld? Toen is er bij mij iets geknakt. Ik vond het daarna steeds moeilijker om van huis te zijn. Het amfetamineverhaal zal destijds ook mee hebben gespeeld bij het verlaten van de Giro. Ik koerste niet met stimulerende middelen, maar ik nam het wel buiten de wedstrijden om me wat beter te voelen en de pijn van het gemis van mijn gezin te verzachten. Dat leverde me niets op, ik kwam juist in een neerwaartse spiraal terecht. In de eerste jaren na mijn wielercarrière, toen het slecht met me ging, gaf ik al mijn puntentruien weg. Maar de laatste trui heb ik teruggevraagd en ook gehouden. Ik ben blij dat ik dat heb gedaan. Het is mijn trui en ik ben er trots op.” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Tristan Bangma: ‘Ik ben ervoor gemaakt om het tegendeel te bewijzen’

Tristan Bangma is meervoudig wereld- en [...]
Tristan Bangma is meervoudig wereld- en paralympisch kampioen wielrennen. Met piloot Patrick Bos vormt hij een gouden duo op de tandem. De weg naar de top is voor Tristan, die maar één procent zicht heeft, niet eenvoudig geweest. Victoria Koblenko sprak met hem af op de wielerbaan in Apeldoorn. Nog voordat we elkaar ontmoeten, schieten er tal van vragen door mijn hoofd. De belangrijkste is: hoe geef ik de lezer inzicht in de wereld door Tristan Bangma’s ogen die slechts één procent zien? Maar daarna struikelen de praktische en schaamteloos nieuwsgierige vragen over elkaar. Hoe komt Tristan naar de locatie voor het interview? Hoe selecteert hij zijn outfits voor de shoot? Maakt hij zich weleens een voorstelling van hoe z’n leven eruit zou hebben gezien als hij goedziend was geweest? “Zeker doe ik dat,” zegt de 25-jarige Tristan, die er op zijn achtste achter kwam dat hij slechtziend was en bij wie destijds opticusatrofie werd geconstateerd. Hij maakte in die tijd ook de overstap van korfballen naar tandemwielrennen, wat hij in het begin vooral met zijn vader deed. “Als ik gewoon goed zicht had gehad, was ik waarschijnlijk niet in het wielrennen terechtgekomen. Misschien was ik wel gaan fietsen, maar niet op hoog niveau.” Denk je er weleens aan dat er in de toekomst iets wordt ontdekt of ontwikkeld dat jouw zicht toch kan verbeteren? “Soms denk ik daarover na. Dat moet dan wel iets zijn wat de zenuwen in mijn hoofd kan beïnvloeden.” Maar als je kijkt naar de wattage die je nu trapt, zou je je dan met goed zicht staande kunnen houden in het profpeloton? “Weet ik niet, er komt meer bij kijken dan alleen wattages. Maar als ik morgen zou kunnen zien, dan zou ik dat meteen gaan onderzoeken. Ik zou dan in mijn eentje buiten kunnen trainen. Dan kan ik een betere renner worden en wél in een grotere ploeg komen waar de randzaken geregeld worden, zodat ik me uitsluitend kan concentreren op het fietsen. Of ik zou accountant worden.” Hè? “Ik studeer bedrijfseconomie en daar kan ik veel mee worden. Ook accountant.” Psycholoog In jouw vorige interview in Helden vertelde je openhartig over het pesten op school, waarmee je te maken had vanwege je visuele beperking. Kun je intussen met tweemaal paralympisch goud op zak zeggen dat die ervaring het vuur in je heeft ontbrand? “De acceptatie van mijn visuele beperking, het pesten op school én de nuchtere opvoeding van mijn ouders hebben me gemaakt tot wie ik nu ben. Die zaken hebben de wil om het uiterste uit mezelf te halen aangewakkerd. Ik ben er gewoon voor gemaakt om het tegendeel te bewijzen.” Welke rol speelde sport bij jullie in het gezin vroeger? “Mijn vader is altijd een fietser geweest, reed puur voor het plezier vaak lange afstanden, maar nooit wedstrijden. Hij fietste bij een toervereniging, maar dat was nog voordat ik was geboren. Toen mijn zusje en ik een sport mochten kiezen, kozen we allebei voor korfbal.” Wanneer ontstond ook bij jou de liefde voor de fiets? “Ik was een jaar of acht toen ik een mountainbike kreeg. Met mijn vader reed ik rondjes door het bos, we aten een ijsje en gingen daarna terug. Tijdens een vakantie in Denemarken fietsten we het hele eiland rond waar we verbleven. We reden meer dan honderd kilometer per dag. Destijds was ik een jaar of twaalf en zag ik nog een stuk meer dan nu; zo’n 25 procent. Ik fietste veel achter mijn vader, maar kan me er niet zo heel veel meer van herinneren.” Wat zijn jouw herinneringen aan je schoolperiode? “Ik zat op een reguliere school. De optie om naar een school te gaan voor slechtzienden heb ik nooit overwogen. Ik heb een aversie tegen speciaal onderwijs, want dan had ik het idee dat ik iets mankeerde.” Hoe heeft jouw visuele beperking vriendschappen beïnvloed? “Op de basisschool had ik een goede vriend, Mark. We hadden een huttenclub. En er waren nog twee meiden waar ik heel goed mee op kon schieten. Mijn beperking was destijds geen issue. Je kon ook niet aan mij zien dat ik een visuele beperking had, maar aan de andere kant vond ik het moeilijk om vrienden te maken. Pas op de middelbare school was ik echt anders dan anderen. Ik moest in die tijd opnieuw mensen leren kennen. [caption id="attachment_18989" align="alignnone" width="1707"] Dit is ongeveer wat Tristan Bangma ziet[/caption] Op school wil je onderdeel zijn van een groep, ik probeerde erbij te horen. Dat was voor mij niet zo makkelijk. Daarnaast werden mijn ogen toen slechter. Ik werd steeds eenzamer, maar heb goed alleen leren zijn. Sommige mensen zeggen dat ik misschien net iets te goed alleen kan zijn. In die tijd heb ik mezelf getriggerd, ik wilde mezelf bewijzen. Die bewijsdrang heb ik in de sport gevonden. Zo ontdekte ik dat ik ergens talent voor had: fietsen.” Is dat jouw redding geweest? “De sport heeft me houvast gegeven. Ik ben anders naar de wereld gaan kijken door de sport. Ik kwam in een soort tunnel terecht, alles draaide bij mij om fietsen.” Vlak daarvoor trok je begeleider op school aan de bel, want het ging niet goed met je. “Toen was ik veertien, vijftien. Ik was boos en brutaal, reageerde geprikkeld en fel. Ik ging in die periode naar een psycholoog, die inzag dat ik me zo gedroeg door alles wat ik meemaakte op school, dat ik in werkelijkheid niet zo was. Er werd me verteld dat ik er ook gewoon mocht zijn. Dat kwam op een heel erg welkom moment.” Het is zo belangrijk om dit soort zaken bespreekbaar te maken voor jongeren, omdat er zoveel talent verloren gaat door gedragsproblemen. Daarnaast leven we in een tijd waarin mentale gezondheid steeds normaler is om te bespreken en te behandelen. Hoe was dat toen? “Ik vertelde niet dat ik naar een psycholoog ging, dat hing je niet aan de grote klok. Dan werd er gezegd: ‘Ga je naar een psycholoog? Wat is er mis met je?’” In sport is praten met een psycholoog ook steeds meer gemeengoed geworden, het wordt tegenwoordig gezien als professioneel bezig zijn met je ontwikkeling. “Klopt. Ik heb nu nog vier keer per jaar een telefonische afspraak met de psycholoog. Als er eerder iets speelt, kan ik altijd bij haar terecht. Maar ik ben in balans. En als ik uit balans ben, kan ik er intussen zelf voor zorgen dat ik het evenwicht weer vind. In het verleden had ik daar meer problemen mee. Dat was onervarenheid. Ik was bijvoorbeeld ook geobsedeerd bezig met mijn sport, was heel erg bezig met calorieën tellen. Door alles wat ik innam, was ik bang dat ik een slechtere wielrenner zou worden. Dat voedingsprobleem is gelukkig ook opgelost met behulp van de psycholoog en een voedingsdeskundige.”   De strijd om de medailles ging in die periode aan tafel door? “Het was een strijd met mezelf en de mensen om me heen. Ik dacht dat ik lichter moest worden om een betere wielrenner te worden. Werd heel mager, had niet eens meer energie voor een goed gesprek. Ik was snel afwezig. Op een gegeven moment kon ik mijn benen niet meer rondkrijgen op de fiets. In die periode bleven mijn ouders, nadat mijn moeder het eten had opgeschept, net zolang bij mij aan tafel zitten totdat ik mijn bord leeg had. Ik was geen leuk persoon in die tijd. Met hulp van een voedingsdeskundige kwam ik er bovenop. Nu heb ik geen voedingsschema, weet nu ook dat lichter niet altijd beter is.” Je hebt afgelopen tijd ontzettend veel wedstrijden gewonnen. Hoe blijf je in balans? “Door dingen op te schrijven, te relativeren. Ik probeer in een soort dagboekje in kaart te brengen waar ik me druk om maak en probeer dan de impact daarvan niet te groot te maken. Het gaat erom dat ik iets bewust uit mijn hoofd zet en ergens afscheid van neem. Vroeger liet ik dingen achter bij de psycholoog, nu gebruik ik mijn boekje daarvoor.” ‘De acceptatie van mijn visuele beperking, het pesten op school én de nuchtere opvoeding van mijn ouders hebben me gemaakt tot wie ik nu ben’ Speciale software Paralympische sporters maken zich al jaren hard voor erkenning van de sport. Jij ook. Waarom blijft dat een issue? “Tussen de Paralympische Spelen van Rio en Tokio is de ontwikkeling van de paralympische sport gestagneerd. Ik maak me daar best wel druk om. Hoe gaan wij nog meer erkenning krijgen, zodat onze tak als volwaardige sport wordt gezien? Ik zie het als mijn taak om toekomstige paralympische sporters te laten zien hoe gaaf dit is.” Waar loop je tegenaan? “Mijn piloot Patrick Bos en ik zijn onze eigen commerciële ploeg op de tandem. We zijn onze eigen teammanager én verzorger. We boeken onze eigen tickets en repareren zelf de fiets. Dat soort dingen worden vaak geregeld voor valide topsporters. We hebben nu alles voor elkaar om op het hoogste niveau te kunnen presteren. Wielrennen is een materiaalsport. Op dat vlak is altijd veel te winnen, als je sneller wil, ben je ook voortdurend bezig met innovaties. De meeste energie gaat toch in het materiaal zitten, het zou heel fijn zijn als we die energie in onze trainingen konden steken. Ik ben wielrenner geworden omdat ik de sport mooi vind, en niet omdat ik wil sleutelen aan de fiets.” Maar hoe kan iemand die één procent ziet een wiel of ketting vervangen? “Op de tast. Het kost me natuurlijk wel meer tijd dan Patrick.” Als we het hebben over de financiële kant: staan bedrijven te springen om een paralympische sporter te sponsoren? “In het begin was het vooral via via binnenkomen bij bedrijven. Ik moest het vooral hebben van een gunfactor. Ik schreef brieven aan bedrijven om mijn verhaal te doen. Het waren vaak zeer maatschappelijk betrokken bedrijven die geïnteresseerd waren.” Sorry voor het doorvragen, maar schreef je zo’n brief zelf? “Met speciale software kan ik de tekst vergroten en typen op mijn computer.” Hoelang was je bezig met zo’n brief? “Net als mijn studie kost me dat veel energie. Het is erg veel scrollen. Ik heb letterlijk een paar letters op het beeldscherm. Het overzicht is dan ver te zoeken.” Terug naar de sponsors. Ben je nu minder afhankelijk van de gunfactor? “Nu heb ik wereldtitels en paralympische titels op mijn naam staan, ik heb iets bereikt. Sponsoring gaat nu om serieuze contracten. We investeren alles in de sport.” Je tijd investeer je ook nog in een opleiding. Hoe leer je? Heeft de opleiding bedrijfseconomie veel lesmateriaal op audioformaat? “Er zijn geen bijzondere leermiddelen, ik moet dus aanpassen. De boeken laat ik vergroten door de drukkerij tot A3-formaat. Het kost me veel energie allemaal, maar ik vind het belangrijk om me naast de sport te blijven ontwikkelen, ik kan niet tot mijn zeventigste topsport doen. Ik krijg er tegelijkertijd ook veel energie van om iets anders te doen dan wielrennen, daar ga ik daarna nog harder van fietsen.” ‘Op school wil je onderdeel zijn van een groep, ik probeerde erbij te horen. Dat was voor mij niet zo makkelijk. Daarnaast werden mijn ogen toen slechter. Ik werd steeds eenzamer’ Liefdesleven Je bent zowel op de baan als de weg wereldkampioen geworden, werd in 2016 met Teun Mulder als piloot paralympisch kampioen op de kilometer tijdrit op de baan en in 2021 met Patrick Bos paralympisch kampioen op de vier kilometer achtervolging. Wat staat er voor de komende periode op het menu? “Vorig jaar reden Patrick en ik onze eerste gravelwedstrijd. In Amerika is dat superpopulair. Dit jaar gaan we weer in Amerika rijden. Gravelfietsen is onze nieuwe uitdaging, naast de paralympische sport. In mei zitten we drie weken in Amerika.” Waarom deze nieuwe uitdaging? “Gravelen is in opkomst. Je rijdt lange afstanden, tot wel 320 kilometer. Je bent grensverleggend bezig, het is avontuurlijk. Vaak gebeurt er iets met het materiaal, wat je zelf op moet lossen. Je moet jezelf goed verzorgen. Je ontdekt ook voortdurend nieuwe wegen. Maar eh, het hoofddoel van dit jaar is het super- WK in Glasgow in augustus. Alle wielerdisciplines – baan, weg en het paralympische wielrennen – hebben daar gelijktijdig een WK. We kunnen daar veel punten verdienen met het oog op de Paralympische Spelen in Parijs. Als we wereldkampioen worden, zetten we een belangrijke stap richting kwalificatie voor de Paralympics.” De voorbereiding op de Paralympische Spelen is dus alweer in volle gang. “Dat proces van elke dag beter worden houdt nooit op, maar de echte voorbereiding begint in 2024.” Dat klinkt als een bekend recept voor een afwezig liefdesleven... “Klopt, ik ben daar helemaal niet mee bezig. Als er iets op mijn pad komt, dan sta ik er open voor, hoor, maar nu heb ik niet per se de behoefte om tijd vrij te maken voor de liefde. En als er iemand komt, moet het wel iemand zijn die de sport begrijpt, die snapt dat ik moet excelleren op het juiste moment. Ach, ik ben ervan overtuigd dat het vanzelf komt.” Wat is voor jou liefde? “Vertrouwen, eerlijkheid, oprechtheid. Liefde voor mijn familie, voor mijn twee oma’s. Zie je dit kettinkje? Van oma gekregen. Ik was gisteren nog op bezoek om te eten. Soms begrijpen ze niet alles van de sport. Om die twee samen op FaceTime te zien als ik op trainingskamp ben, is alles voor me.” Helden Magazine 66 Het verhaal van Tristan Bangma komt voort uit Helden Magazine 66. De 66ste editie staat in het teken van ‘nieuwe Helden’. Op zijn 28ste heeft Nyck de Vries een stoeltje in de Formule 1 bemachtigd. Helden ging bij hem langs in Monaco en sprak hem over het bizarre leven dat hij leidt. In deze editie lees je ook een uitgebreid interview met duizendpoot Rico Verhoeven. Hij is al tien jaar wereldkampioen kickboksen, succesvol ondernemer, vader én acteur. Ook een gesprek met Daphne van Domselaar. Bij het EK van 2022 werd de doelvrouw van FC Twente gebombardeerd tot nieuwe held en is nu de eerste keeper van Nederland. Daarnaast spraken we met Xavi Simons, wie al sinds jongs af aan in the picture staat én breekt marathonloopster Nienke Brinkman record na record. Verder in Helden 66 interviews met de trainer van Feyenoord: Arne Slot, de winnaar van het tennistoernooi van Rosmalen: Tim van Rijthoven, goede vrienden en wielrenners: Fabio Jakobsen en Julius van den Berg, één van de kroonjuwelen van Ajax: Kenneth Taylor én paralympisch zwemkampioene: Chantalle Zijderveld. José de Cauwer is oud-renner en wieleranalist van de VRT. Een gesprek over onder meer Mathieu van der Poel, Remco Evenepoel en Jonas Vingegaard. Klaas-Jan Huntelaar blikt terug op de koninklijke avond in Madrid. Als laatste verteld Nouchka Fontijn in ‘De dag dat alles misging’ dat ze dacht dat ze wereldkampioen was én Fenna Kalma is de aanstormende spits van de Oranjevrouwen. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine 66 via onze webshop. Geen inspirerende sportverhalen missen van jouw Nederlandse sporthelden? Kies het abonnement dat bij jou past en word abonnee.

Wielrennen

Fabio Jakobsen en Julius van den Berg: ‘Dikke maten’

Fabio Jakobsen (26) en Julius van den [...]
Fabio Jakobsen (26) en Julius van den Berg (26) zijn wielrenners én ‘dikke maten’. Schrijver Menno Haanstra besloot hen vanaf hun achttiende te volgen. Door het bijna dodelijke ongeluk van Fabio in 2020 werd het boek halverwege ineens een thriller. Helden besprak met de hoofdpersonages passages uit het boek Fabio & Julius – Het jongensboek van Fabio Jakobsen en Julius van den Berg. Vriendschap ‘Na afloop van het seizoen, in november 2015, trekken de twee op Fabio’s initiatief voor vijf weken naar Girona om te trainen. Inmiddels zijn ze, zoals Fabio het uitdrukt, ‘dikke maten’. Aanvankelijk trokken ze als vanzelf samen op omdat ze de enige Nederlandse eerstejaars van de ploeg waren, maar al bij het introductieweekend in Sittard bleek dat ze het sowieso uitstekend met elkaar kunnen vinden. De ploegleiding stelt ze bij veel wedstrijden samen op. Al snel hebben ze in de koers aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen.’ Fabio & Julius – Het jongensboek van Fabio Jakobsen en Julius van den Berg. Wat zorgde voor die goede klik tussen jullie? Julius: “Eigenlijk lag de basis van onze vriendschap in hetzelfde levensdoel hebben, namelijk prof worden.” Hetzelfde levensdoel was genoeg basis om te gaan samenwonen in Girona? Fabio: “Nou, eigenlijk wel. En als je dan samen gaat wonen wordt die vriendschap vanzelf hechter. We verschillen qua karakter misschien wel, maar we zijn allebei wel van het ‘niet zeiken, gewoon trainen’. Dat is prettig. Toen we in Girona zaten, hadden we allebei geen vriendin en dat was ook handig. Niet dat we daarom op stap gingen of zo, maar juist omdat we daar waren om onze toekomst op te bouwen. In de kern waren we toen al wedstrijdrenners, coureurs.” Julius: “Verder hebben we dezelfde humor. Dat is ook een goede basis voor een vriendschap.” Fabio: “En de een is ook niet te beroerd om wat te doen voor de ander.” Julius: “We zijn allebei types die gewoon alles zeggen. En we zijn ook niet snel op ons pikkie getrapt. Dat heb je met sommige vrienden, dat een negatieve opmerking meteen in het verkeerde keelgat schiet. Dat hebben wij niet.” Fabio: “We kunnen slap ouwehoeren en we kunnen het over dingen hebben die wel ergens op slaan. Meestal doen we eerst het serieuze en daarna gaan we slap ouwehoeren.” Het ongeluk ‘Donderdag 6 augustus 2020, 18.15 uur, St. Barbara ziekenhuis Sosnowiec, Polen. In het midden van een onwezenlijk groot aandoende steriel witte kamer, zonder ramen en zijdeuren, zien Sandra (moeder Fabio) en Delore (vriendin Fabio) Fabio van afstand liggen. Als ze dichterbij komen, is het eerste wat opvalt hoe groot en opgezet zijn hoofd is en hoe bleek zijn huid – zijn teint is nauwelijks donkerder dan het laken waaronder hij ligt. Zijn gezicht zit vol hechtingen, zijn hoofd is kaalgeschoren en overal op zijn lijf zijn plakkers aangebracht. Fabio’s neus lijkt te ontbreken en op zijn schedel zit een enorme bloeduitstorting. Met behulp van een canule in de hals is een beademingspijp in zijn luchtpijp gebracht. Onafgebroken klinkt de regelmatige piep van de hartmonitor samen met het pompen van het beademingsapparaat, Fabio’s borst beweegt mee met het geluid. Bij het hoofdeinde staan monitoren, infuuspalen en een drain voor het afvoeren van hersenvocht. Stoelen zijn er niet, Sandra en Delore staan aan weerzijden van het bed, ieder met een hand voor hun mond van ontzetting, hun gezicht wazig van de tranen. Als Delore haar vriend wil aanraken komt de directeur aangestapt; ‘No, no, no!’’ Het boek neemt een bizarre wending door het ongeluk van Fabio in de Ronde van Polen. Julius, jij reed dezelfde koers. Was dat moeilijk voor jullie om terug te lezen? Julius: “Ik vond het heftig om op die manier Fabio’s ongeluk te herbeleven, ja. Maar ook heel mooi door die verschillende verhaalperspectieven. Want je kent je eigen verhaal wel, maar je weet niet wat de familieleden van Fabio hebben doorgemaakt, bijvoorbeeld. Heel veel dingen wist ik niet. Ik bedoel, ik ga niet aan zijn vriendin Delore vragen: hoe heb jij alles toen precies beleefd eigenlijk? Of aan zijn ouders Sandra en Thijs. Maar ik wilde het wel heel graag weten, merkte ik.” Hoe was dat voor jou, Fabio? Fabio: “Dat geldt voor mij ook. Het was voor mij heel bijzonder om te lezen hoe bijvoorbeeld Julius of zijn vriendin Froukje alles hebben ervaren. Schrijver Menno Haanstra stuurde tussendoor steeds hoofdstukken op, en ik controleerde dan natuurlijk mijn eigen verhaal. Maar als hij dan die andere perspectieven stuurde, verslond ik die alsof ik een film keek. Het was natuurlijk best een soort luxe dat ik het gewoon allemaal op m’n gemak kon lezen.” Dus veel van de verhalen waren voor jou ook nieuw? Fabio: “Zeker, hoewel ik er – toen ik uit het ziekenhuis kwam – veel mensen naar heb gevraagd. Hoe was dat voor jullie? Wat waren jullie aan het doen toen je het hoorde? Ook omdat ik voelde dat mensen ermee zaten. Maar door het boek merkte ik toch dat ze zich in hebben gehouden voor mij. Dat ze het me wilden besparen. Zelfs mijn ouders hebben het nooit zo tegen mij verteld zoals het in het boek staat. Ik weet nu alle details. Waar ze stonden, wat ze zeiden en wat ze dachten. Echt heel bijzonder. Want ik lag in coma, had geen besef. Nu heb ik het idee dat ik er toch bij was.” Fabio: 'Wat me het meest raakte, was het verhaal van Julius die kort na mijn ongeluk mijn vader en zusje trof in de lobby van het hotel in Polen. Echt vreselijk' Stond er ook iets in het boek dat je misschien liever niet had geweten? Fabio: “Nee. Ik vond alles wel mooi om te lezen eigenlijk, hoe pijnlijk ook. Omdat het de waarheid is. De minder leuke momenten zijn ook de momenten van binding. Wat me het meest raakte, was het verhaal van Julius die kort na mijn ongeluk mijn vader en zusje trof in de lobby van het hotel in Polen. Ik zag hem die dag daarvoor nog in datzelfde hotel. Ik kan me niet inbeelden hoe iedereen zich daar gevoeld moet hebben. Echt vreselijk.” Paniekaanvallen ‘Julius keerde in paniek terug uit Polen, bang voor zijn eigen leven en dat van zijn vriend Fabio. De angst voor dat laatste nam af toen hij de volgende dag hoorde dat Fabio wakker was en buiten levensgevaar, en helemaal na zijn bezoek in Heukelum, twee weken later. De zorgen over zijn hart houden langer aan. Alle onderzoeken en groene lichten van een halfjaar geleden ten spijt, lukt het Julius maar niet om de angst voor een levensgevaarlijke hartafwijking van zich af te zetten.’ Parallel aan het verhaal van Fabio’s ongeluk loopt dat van jou, Julius. Jij worstelt soms met paniekaanvallen. Vond je dat lastig om naar buiten te brengen? Julius: “Een beetje. Dat ineens iedereen m’n verhaal kan lezen en daar een mening over kan vormen, voelt gek. Maar ik heb tot nu toe geen enkele negatieve reactie gehad.” Fabio: “Ik weet nog dat je een keer aan mij vroeg wat ik ervan vond dat de hele wereld straks kon lezen wat we hadden meegemaakt. Ik kon merken dat je daar een beetje tegenop zag. Dat snapte ik, maar ik zei toen wel tegen je: ik denk dat het wel goed ontvangen wordt. Omdat er veel aspecten van het leven als beroepsrenner worden belicht waar niemand vanaf weet. Ik denk dat het juist goed is om te delen dat het niet altijd leuk en geweldig is. Ik vind het ook fijn dat je in een boek zoveel meer kunt vertellen dan in een krantenartikel. Je kunt laten zien waar iets vandaan komt, hoe iets gegroeid is. Met veel context.” Julius beschrijft dat hij worstelde met angst en dacht iets aan zijn hart te hebben. Hoeveel mensen wisten dat? Julius: “Heel weinig mensen. Mijn ploeg wist het wel, want ik was zo bang voor hartfalen dat ik in samenwerking met hen ook allerlei tests heb gedaan. Maar de buitenwereld wist dat niet, nee.” Hoe is het nu met die paniekaanvallen? Julius: “Veel beter. Af en toe heb ik ze nog steeds, het is niet zo dat het helemaal weg is. Maar ik heb een manier gevonden die me helpt. Meditatie en ademhalingsoefeningen voor het slapen gaan. Dat werkt ontzettend goed om tot rust te komen. Want ik had ze vaak ’s avonds. En praten met een psycholoog. Door al die dingen is het nu veel minder geworden. En verder heeft het ook een beetje te maken met in wat voor situatie je zit. In mijn geval was die periode heel stressvol. Ik kreeg een kind, Fabio kreeg dat ongeluk en mijn contract werd onzeker. Terwijl je op zo’n moment in je leven juist zekerheid wil hebben. Uit die stress ontstonden de problemen.” Wist jij dat Julius hiermee worstelde, Fabio? Fabio: “Pas heel laat. Ik heb het idee dat mensen in die periode echt heel veel shit van mij weghielden. Omdat ze waarschijnlijk dachten: Fabio heeft al genoeg aan zijn eigen sores. Niet alleen Julius hoor, echt veel mensen deden dat. Dat ze het tegen elkaar gingen wegstrepen, zo van: dat van mij is wel erg, maar Fabio moet nog revalideren, nog twee operaties ondergaan en kan misschien nooit meer fietsen, dus laat maar.” Klopt dat Julius? Julius: “Deels klopt dat wel, maar sowieso vertel ik dit soort dingen niet zo snel. Daarom is het bijzonder dat het in het boek staat. En als ik eerlijk ben, zou ik dat denk ik ook niet uit mezelf verteld hebben. Froukje is hier waarschijnlijk over begonnen, aangezien onze partners ook werden geïnterviewd.” Fabio: “Ja, zo kwam het ook bij mij. Delore hoorde van Froukje dat Julius onderzoeken aan zijn hart had. Vervolgens vroeg ik hem ernaar en vertelde hij dat het eigenlijk al achter de rug was. Dat het gecheckt was en geen hartritmestoornis bleek, maar meer een soort paniekaanval. Dat hij daar hulp voor had en dat het al beter ging. En toen dacht ik: dat is dan oké zo.” Julius. “Achteraf heb ik het wel een beetje gedownplayd, dat moet ik eerlijk zeggen. Voordat ik Froukje ontmoette, dacht ik altijd dat ik een open boek was. Totdat ze zei: ‘Maar vertel nou eens écht hoe je je voelt?’ En toen dacht ik: huh, ik vertel toch alles?” Fabio: “En vervolgens kwam je erachter dat je alleen vertelde wat je zelf wilde vertellen...” Julius, lachend: “Ja, precies.” Fabio: ‘Wat me het meest raakte, was het verhaal van Julius die kort na mijn ongeluk mijn vader en zusje trof in de lobby van het hotel in Polen. Echt vreselijk’ De liefde Jullie vrouwen spelen een belangrijke rol in het boek. Froukje en Delore lijken soms wat verstandiger in ‘de wedstrijd’ te zitten dan jullie. Fabio: “Dat is sowieso waar.” Ze zijn een beetje jullie gatekeepers. Fabio: “Ook helemaal waar. Delore is mijn alles. En ook mijn agenda, zonder haar loopt alles in de soep.” Julius: “Dat geldt ook voor mij en Froukje. Zonder hen zouden Fabio en ik elkaar ook veel minder zien.” Fabio: “Ja, onze vrouwen zijn veel beter in dingen organiseren. Wij zitten negen van de tien keer met oogkleppen op aan onszelf te denken. Zij houden het overzicht voor ons.” Julius: “Als we elkaar zien, is dat vaak met zijn vieren en dat is supergezellig.” Wat handig dat zij ook vriendinnen van elkaar zijn. Fabio: “Klopt, wij zijn alle vier maten van elkaar. Maar dat kan toch bijna niet anders? Mijn theorie is dat als ik goed met iemand kan opschieten, mijn vrouw dat waarschijnlijk ook kan met zijn vrouw.” Ik ken wel een paar voorbeelden waarbij dat niet zo is... Julius: “Maar het is volgens mij wel zo dat als een goeie maat van jou echt een heel rare vriendin heeft, je meestal wel weet dat dat geen blijvertje is.” Fabio, jij bent afgelopen jaar getrouwd, hoe was dat? Fabio: “Het was geweldig. Alles klopte: de plek, het weer, de sfeer. Het was een vrij grote bruiloft, ik had bijvoorbeeld ook de hele ploeg uitgenodigd, omdat dat de afgelopen vijf jaar ook mijn familie is geworden. Dat zoveel mensen vanuit heel Europa naar onze dag kwamen reizen om de liefde te vieren, was echt ontzettend speciaal.” Hoe was die dag voor jou, Julius? Julius: “Nou, ik was er echt een beetje door overdonderd. Het raakte me enorm, het was zó mooi. Ik had al eens eerder een bruiloft meegemaakt, maar die voelde niet zo. Het was een topdag, mooi weer en alleen maar leuke mensen, maar er was vooral zoveel liefde voelbaar. En ik gunde Fabio natuurlijk ook de wereld. Ik had serieus geen idee dat ik daar zo van zou kunnen genieten.” Fabio: “Ik kon het aan Julius zien. Ik zag hem gewoon de hele dag glunderen. We hadden daar een boek liggen om in te schrijven en daar had hij rond één uur ’s nachts een heel verhaal in gezet. Jij was licht beschonken, zag ik aan je handschrift, maar ik kon het nog lezen. Hoe erg hij onder de indruk was van de dag, van alle liefde en dat hij ons de wereld gunde. Ik dacht dat jij er de volgende dag niks meer van zou weten, maar de volgende dag stuurde je een appje met precies dezelfde inhoud. Toen wist ik dat het wel waar moest zijn.” Het zal misschien ook extra emotioneel zijn geweest omdat al die mensen op jullie bruiloft op hetzelfde moment bang zijn geweest om jou te verliezen? Fabio: “Ja, dat is waar, dat schept natuurlijk ook een soort band. Iedereen leek op die dag te beseffen wat er belangrijk was in het leven en wat niet, heel bijzonder voelde dat.” Fabio, ik heb je horen zeggen dat je Julius het liefst in jouw ploeg zou hebben. Maar moet je wel in één ploeg met je beste vriend willen zitten? Fabio: “Ik denk dat het in ons geval heel goed zou gaan. Als er iets speelt, gaan we in gesprek. En juist dat soort gesprekken liggen aan de basis van betere prestaties. Bij ons in de ploeg zijn alle ploegmaten sowieso gewend elkaar de waarheid te vertellen, dus Julius zou daar goed passen. En het zou gewoon heel gezellig zijn. Ik bedoel: je hebt genoeg ploeggenoten waar je niks mee hebt. Dan zit je met elkaar op een kamer en dan zeg je geen reet. Hoe bijzonder zou het zijn om met je beste vriend te koersen, de wereld rond te reizen en alles te kunnen delen? Daarnaast is Julius een heel goede renner. Ik geloof er heilig in dat hij een grote klassieker kan winnen. Je hebt renners die heel jong op hun best zijn, maar Julius is een renner die rijpt door jarenlang uren te maken. Hoe meer grote rondes hij rijdt, des te sterker hij zal worden. Er zit echt een grote motor en een groot herstelvermogen in die jongen. Als hij elk jaar een procentje verbetert, zit hij over vijf jaar tegen de wereldtop aan. Ik geloof daar echt in, omdat ik weet waar we vandaan komen en waar we zijn gekomen. We zijn allebei 26, we groeien sowieso door tot ons dertigste.” En andersom Julius, wat voor toekomst zie jij voor Fabio? Julius: “Fabio is in wat hij nu doet al een van de besten, zo niet dé beste ter wereld. Voor hem is het zaak om daar te blijven. Hij wil zichzelf altijd verbeteren, maar als hij aan de top kan blijven is dat een megaprestatie. Het is voor hem zaak om ook de juiste mensen in je sprinttrein te hebben en dan in plaats van één rit in de Tour de France er drie te winnen.” Fabio: “Dat is inderdaad mijn streven. Kijk, er is nu al een sprinter geboren die ooit sneller gaat zijn dan ik. Maar die moet ik zo lang mogelijk achter me zien te houden.” Zou het verhaal rond zijn als Julius ooit een sprint aantrekt die jij afmaakt? Fabio, lachend: “Dan zou het verhaal zeker rond zijn. Kleine kans, maar zeg nooit nooit.” Dan moet er wel een extra hoofdstuk in het boek. Fabio: “Klopt, schrijf dat maar op, dan weet Menno dat alvast.” Helden Magazine 66 Het  verhaal van Fabio Jakobsen en Julius van den Berg komt voort uit Helden Magazine 66. De 66ste editie staat in het teken van ‘nieuwe Helden’. Op zijn 28ste heeft Nyck de Vries een stoeltje in de Formule 1 bemachtigd. Helden ging bij hem langs in Monaco en sprak hem over het bizarre leven dat hij leidt. In deze editie lees je ook een uitgebreid interview met duizendpoot Rico Verhoeven. Hij is al tien jaar wereldkampioen kickboksen, succesvol ondernemer, vader én acteur. Ook een gesprek met Daphne van Domselaar. Bij het EK van 2022 werd de doelvrouw van FC Twente gebombardeerd tot nieuwe held en is nu de eerste keeper van Nederland. Daarnaast spraken we met Xavi Simons, wie al sinds jongs af aan in the picture staat én breekt marathonloopster Nienke Brinkman record na record. Verder in Helden 66 interviews met de trainer van Feyenoord: Arne Slot, de winnaar van het tennistoernooi van Rosmalen: Tim van Rijthoven, één van de kroonjuwelen van Ajax: Kenneth Taylor én paralympisch zwemkampioene: Chantalle Zijderveld. José de Cauwer is oud-renner en wieleranalist van de VRT. Een gesprek over onder meer Mathieu van der Poel, Remco Evenepoel en Jonas Vingegaard. Klaas-Jan Huntelaar blikt terug op de koninklijke avond in Madrid. Victoria Koblenko spreekt paralympisch wielerkampioen Tristan Bangma. Als laatste verteld Nouchka Fontijn in ‘De dag dat alles misging’ dat ze dacht dat ze wereldkampioen was én Fenna Kalma is de aanstormende spits van de Oranjevrouwen. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine 66 via onze webshop. Geen inspirerende sportverhalen missen van jouw Nederlandse sporthelden? Kies het abonnement dat bij jou past en word abonnee.

Wielrennen

José de Cauwer: Vader van de koers

Als wielrennen een wetenschap zou zijn, dan was José De Cauwer [...]
Als wielrennen een wetenschap zou zijn, dan was José De Cauwer (73) dé professor van de koers. Als co-commentator van de VRT geniet hij een ongekende populariteit. De oud-renner, ploegleider en bondscoach eet, drinkt en ademt wielrennen. Hij woont al zijn hele leven in een zijstraat van de De Cauwer-straat, tussen Sint-Niklaas en Temse. “Nee, die is niet naar mij vernoemd. Ik ben nog niet dood, hè?” zegt José De Cauwer met een glimlach. “Enkele generaties geleden woonden daar drie of vier families De Cauwer en zo is het in de volksmond de De Cauwer-straat geworden.” 'Ik verwacht een heel goede Mathieu van der Poel in 2023. De concurrentie gaat de handen vol hebben aan hem. Ik denk dat Mathieu zich nu realiseert dat de speeltijd voorbij is' Evenveel als de Oost-Vlaamse regio waar hij geboren en getogen is, is daar waar de koers neerstrijkt zijn ‘thuis’ geworden. Wielrennen is meer dan de rode draad in zijn leven. “De passie voor de koers beheerst nog altijd mijn leven. Ik kijk graag naar de koers en wil die graag begrijpen, mijn radar staat continu aan.” Dat José als analist vaak beter dan wie ook begrijpt wat er in een wedstrijd gaat gebeuren, dankt hij aan zijn verleden. “Ik denk dat het een voordeel is dat ik als renner niet bij de beteren behoorde. Ik moest altijd denken hoe ik het in een wedstrijd moest aanpakken. Vrij snel koos ik voor een rol als knecht. Ik was de man aan de zijde van Hennie Kuiper. Al heb ik me nooit echt een knecht van hem gevoeld. Meer coach, begeleider en stuurman. In de koers was ik altijd op zoek naar wat we konden ondernemen. Ik verdiepte me hoe de tegenstanders ervoor stonden. Ik had altijd mijn ogen open om te kijken of er kansen voor Hennie lagen.” Al vrij snel na zijn actieve loopbaan kreeg hij een aanbieding als ploegleider. Naar eigen zeggen had hij het enthousiasme en de passie om het vak een extra dimensie te geven in de toen nog vrij hiërarchisch ingerichte wielersport. “Ik wilde mijn jongens geven wat ik als renner had gemist, dat is een arm om je schouder, iemand die je goedbedoeld advies geeft en vraagt wie je wil zijn in het wielrennen. Veel renners hebben nu nog steeds moeite met het vinden van een plek in het peloton waar ze tevreden mee zijn. Toen mijn vrouw op haar 31ste stierf, ben ik er zo’n vijf jaar mee gestopt. In die periode besefte ik dat het wielrennen mijn wereldje was.” Dumoulin José De Cauwer kreeg in 1988 de kans om met ADR terug te keren als ploegleider. Met Greg LeMond, met wie hij in 1989 de Tour de France won, Eddy Planckaert – winnaar van de Ronde van Vlaanderen in 1988 – en klassieker- koning Johan Museeuw kende hij schitterende jaren, totdat de sponsoring van het team een luchtbel bleek te zijn. Als bondscoach behaalde hij opnieuw successen, zo won Tom Boonen in 2005 de wereldtitel. Daarna begon José met het televisiewerk. “Ik was altijd ploegleider/coach, zeker geen manager zoals Patrick Lefevere dat is. Verre van zelfs. Ik was een ploegleider die dicht bij zijn renners stond, denk dat in de toekomst het coachen van de wielrenner het belangrijkste gaat zijn. Nog steeds is er voor mentale begeleiding in de wielersport nauwelijks aandacht. In mijn tijd was er helemaal geen oog voor coaching. Ik vond dat een groot gemis en ontwikkelde mezelf als renner eigenlijk al als dé coach van Hennie Kuiper. Ik merkte dat hij dat nodig had. Later als ploegleider heb ik daar verder op geborduurd.” Is er een verschil tussen koersslim en intelligent zijn? “Om koersslim te zijn, moet je zeker bij de rappe denkers horen. Je moet veel verbanden kunnen leggen. Je kunt dat niet op papier zetten, maar moet dat intuïtief aanvoelen. Elke koers is anders. Elk moment in de koers zijn er andere renners die beslissingen nemen. Ik bekijk alle renners door een bril alsof het mijn zoons zijn. Dat kan Tim Declercq, Brent Van Moer, Mathieu van der Poel of Tadej Pogacar zijn. Hoe positioneert hij zich in het peloton? Hoe speelt hij in op de ontwikkeling in de wedstrijd? Continu ben ik ze aan het analyseren.” Ze zeggen weleens: om de wielerwereld goed te kunnen doorgronden, moet je een beetje een boefje zijn. “Boefje, boefje... je moet vooral twee stappen vooruit proberen te denken. Je moet bedenken wat er allemaal kan gebeuren. Vaak is het een ingeving, een onderbuikgevoel. Je hebt renners die zien hoe een koers zich ontwikkelt, maar ook renners die het totaal niet zien. Ik denk: hoe sterker je bent als renner, des te minder je leert om de wedstrijd te lezen. Als je sterk bent, kun je je immers fouten veroorloven. Ik kon dat niet als renner, probeerde iedere keer in te schatten waar het cruciale punt in een koers zou zijn waar we verrast konden worden. Daar probeerde ik dan als knecht met m’n kopman van voren te zitten. Misten we daar de slag, dan was ik immers degene die volop in de achtervolging moest rijden. Kuiper had de klasse dat hij nog iets goed kon maken als hij te ver van achter had gereden. Ik wist hoe moeilijk dat was en hoeveel kracht dat kostte. Daarom was ik steeds bezig om hem erop te wijzen attent te koersen.” Helden Magazine 66 Het eerste gedeelte van het verhaal van José de Cauwer komt voort uit Helden Magazine 66. De 66ste editie staat in het teken van ‘nieuwe Helden’. Op zijn 28ste heeft Nyck de Vries een stoeltje in de Formule 1 bemachtigd. Helden ging bij hem langs in Monaco en sprak hem over het bizarre leven dat hij leidt. In deze editie lees je ook een uitgebreid interview met duizendpoot Rico Verhoeven. Hij is al tien jaar wereldkampioen kickboksen, succesvol ondernemer, vader én acteur. Ook een gesprek met Daphne van Domselaar. Bij het EK van 2022 werd de doelvrouw van FC Twente gebombardeerd tot nieuwe held en is nu de eerste keeper van Nederland. Daarnaast spraken we met Xavi Simons, wie al sinds jongs af aan in the picture staat én breekt marathonloopster Nienke Brinkman record na record. Verder in Helden 66 interviews met de trainer van Feyenoord: Arne Slot, de winnaar van het tennistoernooi van Rosmalen: Tim van Rijthoven, goede vrienden en wielrenners: Fabio Jakobsen en Julius van den Berg, één van de kroonjuwelen van Ajax: Kenneth Taylor én paralympisch zwemkampioene: Chantalle Zijderveld. Klaas-Jan Huntelaar blikt terug op de koninklijke avond in Madrid. Victoria Koblenko spreekt paralympisch wielerkampioen Tristan Bangma. Als laatste verteld Nouchka Fontijn in ‘De dag dat alles misging’ dat ze dacht dat ze wereldkampioen was én Fenna Kalma is de aanstormende spits van de Oranjevrouwen. Wil je het hele nummer lezen? Bestel Helden Magazine 66 via onze webshop. Geen inspirerende sportverhalen missen van jouw Nederlandse sporthelden? Kies het abonnement dat bij jou past en word abonnee.