Word abonnee

Wielrennen

Wielrennen

Johan van der Velde: ‘Overleven is voor mij gesneden koek’

Een horrorfilm, zo omschrijft Johan van der Velde [...]
Een horrorfilm, zo omschrijft Johan van der Velde (63) zijn afgelopen twaalf maanden. Toch heeft de oud-wielrenner de strijd tegen acute leukemie niet ervaren als het moeilijkste gevecht in zijn leven. Met Helden praat hij voor het eerst over de vreselijke ziekte die hem geveld heeft. Hoe hij mentaal overeind bleef tijdens de zwaarste chemokuren en hoe zijn mentaliteit als wielrenner hem geholpen heeft. Op de eerste hulp van het Hospital del Mar in Barcelona weet hij eigenlijk meteen dat het foute boel is. Reeds enkele dagen voordat er een eerste indicatie van zijn ziektebeeld is en de artsen alleen bloed bij hem hebben geprikt, gaan bij Johan van der Velde alle alarmbellen af. De uitslag bloedarmoede brengt hem in een split second 26 jaar terug in de tijd. Een bloedneus, bloeduitstortingen en bloedarmoede waren ook de eerste signalen bij zijn moeder voordat er bij haar acute leukemie werd geconstateerd. Ver weg van huis beseft de oud-wielrenner dat hij voor een van de zwaarste etappes van zijn leven staat. Als buschauffeur van de Roompot wielerploeg is Johan onderweg naar de Ronde van Mallorca, de eerste koers van het nieuwe wielerseizoen 2019. Als de dag van gisteren kan hij zich nog alles tot in de details herinneren. Die winter was hij super actief en hij knapte zijn halve huis op. “Na de kerst werd ik geveld door een zware oorontsteking. Nadat die met antibiotica was behandeld kreeg ik een neusspray omdat mijn luchtwegen dicht bleven zitten. Daarom gaf ik nauwelijks aandacht aan een bloedneus die ik vlak voor mijn vertrek naar Mallorca had. Dat kwam vast door die spray, dacht ik. Voor de zekerheid nam ik wel wat extra watten mee, mocht het probleem terugkomen. De tweede nacht sliep ik in een hotel in Nîmes. Daar had ik in bed opnieuw een hardnekkige bloedneus. ’s Ochtends zat het hele bed onder het bloed. Ik ben opgestaan en meteen naar de bus gegaan. Ik dacht: ik zie het wel. Onderweg zou het vanzelf wel stollen en dat gebeurde ook. Ik reed door naar Barcelona waar ik ‘s middags in de haven arriveerde en incheckte voor de veerboot naar Palma van elf uur ‘s avonds. Die bloedneus bleef opspelen, terwijl ik ook een paar blauwe plekken door bloeduitstortingen aan mijn arm had.” Een Spanjaard, die in de haven voor enkele euro’s hand- en spandiensten voor de chauffeurs verricht, komt met hem praten. “Hij nam me mee naar een medische post waar altijd een paar ambulances stand by staan. Die ziekenbroeders namen mijn bloeddruk op. Die bleek verrassend hoog te zijn, terwijl ik nooit last van een hoge bloeddruk had. En ook mijn hartslag was te hoog. Zij adviseerden me om me verder te laten onderzoeken in het ziekenhuis. Normaal zou ik altijd bij de bus van de wielerploeg zijn gebleven en het werk voorrang hebben gegeven, maar ik had een voorgevoel dat ik dit serieus moest nemen. Intuïtief voelde ik dat er iets niet klopte. Ik ben meegegaan naar het universitaire ziekenhuis dat twee kilometer verderop lag. Die Spanjaard ging met me mee en hielp me.” Bij de eerste hulp is het een drukte van jewelste, maar de nieuwe Spaanse ‘vriend’ van Johan maakt zoveel stampij dat de Brabander snel aan de beurt is. “Er werd bloed geprikt. Vrijwel meteen hoorde ik dat ik bloedarmoede had. De verplegers vroegen of ik wilde blijven. Voor mij was het meteen duidelijk dat ik zou blijven, totdat ze wisten wat ik echt had. Ik gaf die Spanjaard de papieren, de sleutel van de bus en tachtig euro. Ik wist dat er later op de dag nog mannen van de ploeg met een vrachtwagen kwamen, waarvan er een het busrijbewijs had. De Spanjaard vertrouwde ik, hij bekommerde zich echt om mij. En ach, hij was een hand kwijt, dus zomaar wegrijden met die bus zou moeilijk worden.” 'Ook al zit je zo kapot, er gloort in de verte nog iets heel moois. Dat heb ik tijdens mijn ziekte ook zo ervaren' “Weet je,” vervolgt hij het gesprek, “ik wist op dat moment al dat ik acute leukemie had. Toen ze het over bloedarmoede hadden, ging er bij mij direct een lampje branden. Mijn moeder is op 58-jarige leeftijd aan acute leukemie gestorven. Zij had destijds dezelfde kenmerken als ik. Toen ik later die dag mijn vrouw Josée belde, had zij precies hetzelfde. ‘Weet jij waar ik aan denk,’ vroeg ze aan mij. Ja, aan mijn moeder, antwoordde ik. Vanaf de eerste hulp werd ik naar een ziekenhuiskamer gebracht. Die nacht heb ik eigenlijk gewoon geslapen. Ik kon het goed van me af zetten. De volgende ochtend werd er een beenmergpunctie gedaan. Vervolgens werd ik naar een isolatiekamer gebracht, wat eigenlijk ook al een indicatie was dat ik dat onder de leden had.” Toch duurt het nog twee dagen voordat er vier artsen aan zijn bed in het Engels komen vertellen dat de voormalige wielerheld, onder andere winnaar van drie etappes en drie keer het puntenklassement in de Giro d’Italia en winnaar van drie etappes en drager van de gele trui in de Tour de France, daadwerkelijk acute leukemie heeft. “Mijn eerste reactie was: than I’ve a big problem. Helden Magazine 52 Het eerste gedeelte van het verhaal van Johan van der Velde komt voort uit Helden Magazine nummer 52.  In de 52ste editie van Helden schittert Louis van Gaal de cover. Met hem blikken we terug op zijn indrukwekkende carrière. Ook tal van mensen die met de trainer hebben gewerkt komen aan het woord. Harrie Lavreysen, Alexander Brouwer, Niek Kimmann, Kim Polling, Kira Toussaint, Frédérique Matla, Femke Heemskerk, Ranomi Kromowidjojo, Ferry Weertman en Marit Bouwmeester zouden afgelopen zomer schitteren op de Olympische Spelen in het land van de rijzende zon. Het coronavirus gooide echter roet in het eten. Helden fotografeerde de sporters bij wie alles al een tijd draait om Tokio op een bijzondere wijze in ‘Tokiogangers’ In deze editie gaan wij ook terug in de tijd. Pieter van den Hoogenband won twintig jaar geleden olympisch goud op de 100 en 200 meter vrije slag en Joop Zoetemelk won veertig jaar terug als laatste Nederlander de Tour de France. Daarnaast was John Heitinga met Oranje tien jaar terug dicht bij de wereldtitel en won Rinus Israel vijftig jaar geleden de Europa Cup I met Feyenoord. Het was ook dertig jaar geleden dat Mike Tyson zijn wereldtitels en zijn status van onoverwinnelijkheid verloor, bereikte Andre Agassi voor het eerst een grandslamfinale én blikken onder meer uitblinkers Dennis Bergkamp, Frank de Boer en Patrick Kluivert terug op de behekste wedstrijd uit 2000: Nederland – Italië. Verder in de 52ste editie van Helden spreken we sportief directeur van Jumbo-Visma, Merijn Zeeman. Staat Jackie Groenen oog in oog met ‘Het Melkmeisje’ van Vermeer. Kiran Badloe won de strijd met vriend, trainingsmaat én concurrent Dorian van Rijsselberghe. Een exclusief gesprek met Chris Froome over onder meer zijn horrorcrash. Ook verteld Elsemieke Havenga hoe ze tweemaal olympisch goud had kunnen hebben. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Chris Froome: Onbreekbaar

Chris Froome liep een jaar geleden talloze [...]
Chris Froome liep een jaar geleden talloze botbreuken op toen hij in Frankrijk werd gegrepen door een windvlaag en tegen een muur klapte. Hij lag op de intensive care, zijn carrière leek voorbij. Nu is hij terug. De 35-jarige kopman van Team Ineos wil voor de vijfde keer de Tour de France winnen. Een exclusief gesprek over de horrorcrash, zijn rentree, Tom Dumoulin en Mathieu van der Poel. Hoewel hij in de achterhoede van het peloton rijdt, is hij de grote trekpleister van de UAE Tour. In de Verenigde Arabische Emiraten maakt Chris Froome zijn rentree in het peloton. Na zijn verschrikkelijke val tussen de huizen van het pittoreske dorpje Saint-André-d’Apchon tijdens de verkenning van het parcours van de tijdrit in de Dauphiné van vorig jaar moest hij maandenlang revalideren. Zes weken lag hij plat in bed en een kleine maand zat hij in een rolstoel voordat hij voor het eerst weer op z’n voeten kon staan. Met amper twee maanden serieuze fietstraining in de benen is hij naar het golfstaatje getrokken om voor het eerst weer een koers te rijden. Hoewel de viervoudig Tourwinnaar opgewekt in zijn vel steekt en diverse Britse journalisten speciaal voor hem gekomen zijn, geeft hij in de UAE geen één-op-één-inter-views. Alleen voor Helden maakt hij een uitzondering. “Kom maar om kwart over acht naar mijn hotel.” Gelukkig wil Froome vóór het avondeten afspreken. Een half uur na het gesprek gaat het W-hotel Abu Dhabi in een lockdown. De wielerwereld komt die avond voor het eerst rechtstreeks in aanraking met de coronapandemie. Twee verzorgers van een van de teams hebben positief getest op covid-19, waarna alle 612 volgers van de wielerronde enkele dagen in hun hotelkamer worden opgesloten. Achteraf blijkt dit het laatste lange interview dat Froome heeft gegeven. Pijnbestrijders Laten we teruggaan naar 12 juni vorig jaar. Na de vreselijke val duurde het vrij lang voordat je met de ambulance naar het ziekenhuis werd gebracht. Kun je je nog iets herinneren van wat er gebeurde? “Sommige momenten na de val kan ik me nog goed herinneren, maar van de crash zelf weet ik niets meer. Ik weet nog dat ik op het asfalt lag, terwijl mijn coach Tim Kerrison, ploegleider Servais Knaven en mecanicien Gary Blem meteen aan kwamen rennen. De ambulance was vrij snel bij me, de broeders probeerden me ter plekke direct te verzorgen. Hoe langer ik daar lag, des te vager alles om me heen werd. Dat kan ook gekomen zijn door de pijnbestrijders die ze me meteen toedienden. Nadat ze me op de brancard tilden en in de ambulance hadden gedragen, bleven we nog lange tijd stilstaan. Achteraf begreep ik dat het op dat moment moeilijk was om een keuze te maken naar welk ziekenhuis ik moest worden vervoerd.” 'Die eerste stapjes... Het voelde als de grootste overwinning in m'n carrière. Wat een bevrijding' Wat waren je eerste gedachten toen je op de grond lag? “De Tour de France spookte als eerste door m’n hoofd. Ik weet nog dat Tim en Gary tegen me zeiden dat ik absoluut niet mocht bewegen. Ik wilde weten waarom ze dat zo nadrukkelijk tegen me zeiden, ik vroeg wat het probleem was. Ze antwoordden dat ze meteen konden zien dat m’n been gebroken was. Het lag helemaal verkeerd gedraaid ten opzichte van mijn romp, waardoor ze zeker wisten dat het een ernstige breuk was. Ze vertelden me dat ik rustig moest blijven liggen. Ik wist dat ik ernstige verwondingen had. Dat minimaal mijn been en arm gebroken waren, want m’n arm lag er ook heel raar bij. Toch vroeg ik ter bevestiging aan hen of ik de Tour dat jaar kon vergeten. Tim knikte met zijn hoofd. Ik was op dat moment meer teleurgesteld dat ik een streep door de Tour kon zetten, dan dat ik stilstond bij de ernst van m’n situatie. Ik was in een heel goede conditie, de waardes van mijn trainingen voor de Dauphiné waren echt goed en had er enorm veel vertrouwen in dat ik dicht in de buurt van m’n vijfde Tourzege zou komen. Die dag was ik supergemotiveerd voor de tijdrit in de Dauphiné. Dat was voor mij een serieuze test voor de Tour. En dan ineens een windvlaag en alles waar ik maanden aan had gewerkt, ging verloren. Weg droom van m’n vijfde Touroverwinning. Dat was de grootste teleurstelling toen ik daar lag, het overtrof de pijn van de verwondingen.” Ik zou meteen denken aan de gevolgen voor de rest van m’n leven of aan de familie... “Ja, eigenlijk is het best frappant... Toen ik op de brancard lag, had Gary m’n vrouw aan de telefoon. Ik weet nog dat ik Michelle vertelde dat ik zwaar was gevallen en dat ik zeker m’n arm en been had gebroken. Ze zei meteen dat ze een oppas voor de kinderen ging regelen zodat ze zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kon komen. Ik bleef heel rustig en vertelde haar dat het beter was om thuis te blijven. Ik zei dat ze zich geen zorgen om mij hoefde te maken, omdat er toch genoeg mensen van de ploeg om me heen zouden zijn. Dat bewijst dat ik op dat moment de ernst van de val niet in de gaten had. Ik had toen nog geen weet van de andere breuken, de bloedingen en de klaplong. Ik wist dat ik lange tijd uit de roulatie zou zijn, maar hoe erg ik eraan toe was, realiseerde ik me toen niet. Op dat moment kon ik me niet voorstellen dat m’n vrouw zich ongerust over mij moest maken. Dat ze in paniek hoefde te zijn om mij.” Helden Magazine 52 Het eerste gedeelte van het verhaal van Chris Froome komt voort uit Helden Magazine nummer 52.  In de 52ste editie van Helden schittert Louis van Gaal de cover. Met hem blikken we terug op zijn indrukwekkende carrière. Ook tal van mensen die met de trainer hebben gewerkt komen aan het woord. Harrie Lavreysen, Alexander Brouwer, Niek Kimmann, Kim Polling, Kira Toussaint, Frédérique Matla, Femke Heemskerk, Ranomi Kromowidjojo, Ferry Weertman en Marit Bouwmeester zouden afgelopen zomer schitteren op de Olympische Spelen in het land van de rijzende zon. Het coronavirus gooide echter roet in het eten. Helden fotografeerde de sporters bij wie alles al een tijd draait om Tokio op een bijzondere wijze in ‘Tokiogangers’ In deze editie gaan wij ook terug in de tijd. Pieter van den Hoogenband won twintig jaar geleden olympisch goud op de 100 en 200 meter vrije slag en Joop Zoetemelk won veertig jaar terug als laatste Nederlander de Tour de France. Daarnaast was John Heitinga met Oranje tien jaar terug dicht bij de wereldtitel en won Rinus Israel vijftig jaar geleden de Europa Cup I met Feyenoord. Het was ook dertig jaar geleden dat Mike Tyson zijn wereldtitels en zijn status van onoverwinnelijkheid verloor, bereikte Andre Agassi voor het eerst een grandslamfinale én blikken onder meer uitblinkers Dennis Bergkamp, Frank de Boer en Patrick Kluivert terug op de behekste wedstrijd uit 2000: Nederland – Italië. Verder in de 52ste editie van Helden spreken we sportief directeur van Jumbo-Visma, Merijn Zeeman. Staat Jackie Groenen oog in oog met ‘Het Melkmeisje’ van Vermeer. Kiran Badloe won de strijd met vriend, trainingsmaat én concurrent Dorian van Rijsselberghe. Ook lees je hoe overleven voor Johan van der Velde gesneden koek is en verteld Elsemieke Havenga hoe ze tweemaal olympisch goud had kunnen hebben. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Wielrennen in oorlogstijd: ‘Je wist niets, je fietste’

Met baansprinters Roy van den Berg, Matthijs Büchli, Jeffrey [...]
Met baansprinters Roy van den Berg, Matthijs Büchli, Jeffrey Hoogland en Harry Lavreysen heeft Nederland goud in handen. Tijdens de Spelen in Tokio wordt veel van hen verwacht. Het is te hopen dat ze nooit voor dezelfde dilemma’s komen te staan als hun illustere voorgangers Cor Wals, Arie van Vliet, Jan Derksen, Gerrit Schulte en Kees Pellenaars. Frits Barend en Henk van Dorp deden voor Vrij Nederland onderzoek naar wielrennen in de oorlog. Toen Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenviel, verbleven wielrenners Jan Derksen, Arie van Vliet en Cor Wals in Milaan voor het WK op de baan. Derksen was net wereldkampioen geworden bij de amateursprinters, toen de Internationale Wielerunie UCI de overige onderdelen van het kampioenschap besloot te annuleren. De beroemde sportjournalist Joris van den Bergh schreef tien dagen na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog optimistisch: ‘Wat de wielersport betreft, houd ik zelfs rekening met de mogelijkheid dat er winst in kan zitten door het organiseren van wedstrijden waar ze tot nu toe niet zijn gehouden.’ In 1939 al had elk nadeel, in dit geval een wereldoorlog, zijn voordeel. Cor Wals (1911-1994) Henk van Dorp en ik besloten in 1979 ons onderzoek naar sport in de oorlog voor Vrij Nederland te beperken tot voetballen en wielrennen. Iedere wielerdeskundige begon meteen over Cor Wals. Hij was in 1939 in Milaan de grote favoriet voor de wereldtitel achter grote motoren. Wals had maling aan de duvel en z’n mallemoer, maar was vooral een fantastische baanwielrenner. In 1930 won hij, nog geen twintig, met zijn matje Jan Pijnenburg de zesdaagsen van Parijs, Berlijn, Amsterdam, Antwerpen, Brussel en Frankfurt. Als wielerlegende is hij echter niet de geschiedenisboeken ingegaan. Cor Wals waagde het namelijk op 20 juni 1941 gekleed in een shirt met SS-tekens in een vol Olympisch Stadion deel te nemen aan het NK achter grote motoren. En hij werd kampioen van Nederland in dat shirt. Het zou zijn verdere leven bepalen. Met lood in de schoenen zochten Henk en ik hem begin 1979 op in zijn fraaie bungalow in het Belgische Lommel. We werden gastvrij ontvangen, maar hadden ons voorgenomen niets aan te nemen van een ex-SS’er. Zakelijk wilden we Wals zijn verhaal laten doen. “Ik leefde alleen om te fietsen. Ik wist niets, was stom. Wielrenners deden niet aan politiek,” zei hij. En: “Ik was in 1939 zeker wereldkampioen bij de profstayers geworden. Ik had in de serie de snelste tijd gereden. Toen brak de oorlog uit en moesten we meteen uit Milaan naar Nederland terugkeren. Ik heb er op dat moment nooit bij stilgestaan dat er ook in Nederland oorlog zou komen.” En toen viel Duitsland op 10 mei 1940 Nederland binnen. Het werd stil in de kamer. Cor Wals keek zijn vrouw Anneke vragend aan. Zij zei tegen haar man: “We hadden afgesproken dat je niet over politiek zou praten. We hebben het er al moeilijk genoeg mee gehad. Maar ik zie aan je ogen dat je er toch over wilt praten.” Wals: “Ja, ik wil erover praten, maar dan moeten jullie me één ding beloven: dat jullie er in ieder geval bij schrijven dat ik er vreselijke spijt van heb, dat ik nog altijd niet kan begrijpen hoe ik zo stom heb kunnen zijn. Ik ben stom geweest, stom, stom, stom.” Hij sloeg met zijn vlakke hand tegen zijn voorhoofd toen hij zei. “Ik ben volkomen terecht na de oorlog gestraft, vreselijke spijt heb ik ervan, ook van het verdriet dat ik mensen heb aangedaan.” Achter zijn huis in Tilburg hoorde de razend populaire wielrenner in de meidagen van 1940 de pantserwagens van de Duitsers over de weg ratelen. “Ik had toen nog geen flauw vermoeden dat ik een van hen zou worden. Ik heb zoals gewoonlijk vreselijk impulsief gehandeld. Eind 1940 ben ik er pas bijgekomen, bij die club, bij de SS. Ik kreeg mijn opleiding in Arnhem en vervolgens in Klagenfurt.” Anneke Wals: “Cor, stop. Verder ga je niet.” Wals ging wel verder. “Als je in Berlijn won - en ik won nogal eens – dan kreeg je een lint met een hakenkruis. Alle Nederlanders uit mijn tijd hebben weleens met zo’n lint een ereronde gereden. Ik verdiende 1200 gulden per week, was razend populair en nooit heb ik gedacht: ze gebruiken mijn populariteit. Daar was ik veel te stom voor. Na de oorlog, in het interneringskamp, ben ik pas gaan nadenken, als vent van over de veertig. Ik zat daar gevangen met allerlei soorten mensen: professoren, arbeiders, artsen. Toen realiseerde ik me: ik ben letterlijk ingepakt door het propaganda-apparaat, ben er met open ogen ingevlogen. Nu zie ik ook in dat Hitler de Olympische Spelen van 1936 heeft gebruikt. De neger Jesse Owens, de winnaar van de 100 meter, gaf hij geen hand en de Nederlander Tinus Osendarp - Osendarp was overtuigd SS’er - die derde werd, wel.” We vroegen hem naar Albert Richter. Wals was erbij toen de Duitse toprenner, die als overtuigd tegenstander van de nazi’s consequent weigerde de Hitlergroet te brengen, werd opgepakt op weg naar Zwitserland. “Ik zag hem eind 1939 uit de trein gehaald worden. Toen was Duitsland Nederland nog niet binnengevallen. Een week later las ik in de krant dat Richter bij een skivakantie was omgekomen.” Op 5 januari 1940 wijdde het officieel orgaan van de Duitse Wielerbond, Der Deutsche Radfahrer, een kort bericht aan de wereldkampioen sprint van 1932. ‘Albert Richter heeft een misdaad begaan waarvan de Duitse wielersport in haar geheel niet genoeg afschuw kan hebben. Richter heeft voor een Keulse Jood verschillende malen, een, ditmaal godzijdank, mislukte poging ondernomen om grote geldbedragen naar Zwitserland te smokkelen. Daardoor heeft hij zich vrijwillig en met voorbedachten rade uit de Duitse volksgemeenschap en vanzelfsprekend ook uit de Duitse gemeenschap gesloten. Daaruit heeft hij de enige, mogelijke consequentie getrokken en zelfmoord gepleegd. Wij allen betreuren het dat hij die eens een van de onzen was, op dezen wijze zijn vaderland, dat op het ogenblik uiterst moeilijke uren beleeft, verraden heeft. Zijn naam is voor altijd uit ons leven verdwenen.’ Wals: “Pas nu dringt het allemaal tot me door. Richter (die in 1995 een soort eerherstel kreeg toen de wielerbaan van Keulen naar hem werd vernoemd, red.) is daar ter plekke geëxecuteerd.” Het gesprek kwam op het SS-shirt dat hij droeg tijdens het NK van 1941. “Een week voor dat NK trainde ik op de baan in Zürich. Een paar studenten hadden gehoord dat ik lid van de SS was geworden. Ze wilden met me wedden om honderd gulden dat ik niet in zo’n shirt het kampioenschap durfde te rijden. Dat ik iets niet durfde, moest je nooit tegen me zeggen. De vrouw van de directeur van de baan in Zürich, mevrouw Keller, heeft de avond voor mijn vertrek de tekens op mijn shirt genaaid. Ik heb het absoluut niet gedaan om reclame te maken voor die beweging. Niemand zei iets toen ik het aantrok, niemand riep: ‘Niet doen.’ Niet dat ik iemand iets verwijt. Ach, mensen, wat heb ik toch een spijt, wat moet ik toen veel mensen pijn hebben gedaan. Ik wilde ook niet provoceren. Ik ben terecht gestraft. Je kunt van mening verschillen over de lengte van de straf als je ziet wat er na de oorlog allemaal is doodgezwegen. Ik heb de staat benadeeld, maar ik heb nooit iemand verraden.” Henk en ik wilden weten hoe Cor Wals het NK in dat SS-shirt had ervaren. “Toen ik mijn jas uit deed en het shirt zichtbaar werd, is er vreselijk gefloten. Tijdens de race vloog de ketting van mijn fiets. Onder luid applaus stond ik beneden in de baan. Op zulke momenten was ik niet meer kapot te krijgen, wist ik zeker dat ik zou winnen. Belachelijk als ik er nu aan denk, maar ik heb expres de ereronde gereden. Duizenden kussentjes zijn er naar me gegooid. Ik zou kort na de wedstrijd in Amsterdam in Eindhoven rijden. De nacht voordat ik moest rijden, zijn op de baan allerlei leuzen over mij gekalkt. Een van de directeuren vroeg me: ‘Cor, je rijdt toch niet in dat shirt?’ Natuurlijk niet. Na dat NK ben ik meteen gestopt met wielrennen. Jammer dat niemand me probeerde te overtuigen van mijn fout. Ik denk dat ik te overtuigen was.” Wals vertrok in 1941 naar het gevreesde Oostfront. “Ik nam afscheid van mijn eerste vrouw, stapte in de trein en ineens flitste door me heen: Cor, je geeft twaalfhonderd gulden in de week op, je weet niet wat je te wachten staat, behalve dat je wordt opgeleid tot soldaat. Maar ik kon niet meer terug, durfde niet meer terug. Mijn sportcarrière was die dag voorgoed ten einde. In Klagenfurt had je twee opleidingen: een voor kampbewaker en een voor frontsoldaat. Ik werd frontsoldaat. Ik was Rottenführer, een soort sergeant. Je raakte weleens verzeild in een situatie van man tegen man, dan was het hij of ik. Vreselijk. Op onze terugweg moesten we alles in brand steken: huizen, graanschuren, hooi, de zogenaamde tactiek van verschroeide aarde die de Amerikanen later in Vietnam hebben toegepast.” In 1943 schreef Het Volk dat Cor Wals dood was en De Telegraaf schreef een heuse necrologie na een overlijdensbericht in de Deutsche Zeitung in den Niederlanden. Op 24 december 1943, een dag voor kerst, werd duidelijk dat hij toch nog leefde. In 1944 trad Wals in dienst van een zwager die in Polen als aannemer werkte voor de Duitsers. Volgens de procesvoering zou hij daar een schrikbewind hebben gevoerd onder de arbeiders. In 1979 zei hij daarover: “Ik weet dat mij alles wat slecht is in de schoenen is geschoven. Dat schrikbewind is een pertinente leugen. Er was wat met een jongen die een Pools meisje had aangerand. Die heb ik een keer laten marcheren.” Ineens zei hij: “Als ik niet dáár had gezeten, had ik bij het verzet gezeten, want zo was mijn karakter. Dan was ik nu dood geweest. Nu leef ik, maar ik heb er duur voor betaald. Het ergste vind ik nog dat ik onderdeel ben geweest van een systeem dat bij volle verstand Joodse mensen heeft weggehaald en uitgeroeid. En niemand durfde iets tegen me te zeggen. In Nederland was iedereen die me niet goed kende bang. Logisch. Alleen de directeur van de baan in Eindhoven heeft met me over de SS gesproken, althans over dat shirt. Daar ben ik hem dankbaar voor. Natuurlijk heb ik hem niet aan de Duitsers verraden, daar was hij bang voor. Ben je gek. Adrie Zwartepoorte, die niet heeft gereden in de oorlog, is verstandig geweest, de verstandigste. Hij was een kleine renner, had geen klasse maar blijkbaar wel veel hersens. Had ik dat maar gedaan.” In 1945 keerde Wals terug in Nederland. In Tilburg kwam hij de bekende wielersoigneur Jan van Dinteren tegen. “Ik wist tot dat moment niets van de razzia’s en jodentransporten, was me van geen kwaad bewust. Ik heb me vrijwillig in Vught gemeld, liep naar de schildwacht die de wacht hield en zei: ik ben Cor Wals, kom me melden. Voor mijn gevoel had ik niets gedaan behalve het uitoefenen van vreemde krijgsdienst.” Hij toonde ons een foto van zichzelf in gestreepte gevangeniskleding achter tralies met als onderschrift: ‘Eens toegejuicht door duizenden, daarna weggehoond en uitgefloten, en nu eenzaam achter de tralies. De bekende zesdaagse renner Cor Wals in het kamp Vught.’ Wals: “Ik heb niet vrijwillig voor de foto geposeerd. Wat je niet kunt zien, is dat ik een geweer in mijn rug had.” Kees Pellenaars, ex-koppelgenoot van Wals en later bekende ploegleider, vertelde ons dat Wals boos werd toen Pellenaars een keer ‘die koleremoffen’ riep. Voor het eerst die middag reageerde hij boos. “Pel zei dat? Juist hij? Ik zal jullie vertellen hoe het zat. Ik zat gevangen in kamp Vught toen iemand naar me toe kwam en vroeg: ‘Was Pellenaars lid van de SS? Hij ontkent het namelijk, maar staat wel ingeschreven.’ Toen dacht ik: laat ik hem redden, want misschien kan hij mij later ook nog eens helpen. Ik zei dus: ik heb hem lid gemaakt zonder het hem te vertellen.” We vertelden dat in de biografie van Pellenaars staat dat Wals hem tegen zijn zin een SS-blad liet toesturen. “Dat is van A tot Z gelogen. Net als in mijn proces ook is gelogen dat ik meerdere keren in een SS-shirt heb gereden. Dat was precies één keer. Dat is erg genoeg, maar dan moeten ze er niet meer van maken. Pellenaars en ik vormden samen een koppel, we waren beiden niet geïnteresseerd in politiek. Hij liegt ook als hij suggereert dat ik al voor de oorlog sympathiseerde met de NSB of met de Duitsers. Ik ben er pas in het najaar van 1940 bijgekomen en dat weet Pellenaars dondersgoed. Er is maar één waarheid. Toen we visa voor buitenlandse reizen moesten aanvragen en ik ze moeiteloos kreeg, zoals ik ook probleemloos benzine voor mijn auto kreeg, zei ik tegen Pellenaars: Kees, jij moet ook lid worden, dan hebben we nooit problemen met visa. Kees zei: ‘Oké, doe maar.’ Toen heb ik hem ondersteunend lid gemaakt van de Germaanse SS in Nederland. Ik heb hem eind 1940 in Utrecht aangemeld, dus hij wist precies waarom hij dat blad kreeg opgestuurd. Hij heeft zich niet op eigen initiatief aangemeld, ik zal ook niet zeggen dat hij sympathiseerde met de Duitsers of de SS, maar hij is vanaf 1940 met zijn eigen goeddunken lid geweest.” We vroegen Wals of hij ook tijdens zijn proces in 1947 spijt had betuigd, zoals hij dat tijdens ons gesprek had gedaan. “Ik heb mijn eis tot vijftien jaar mogen aanhoren, heb niets mogen zeggen. Ik moest hoe dan ook zwaar worden gestraft. Dat ik ben gestraft, vind ik niet erg. Wel vind ik het erg dat ik geen eerlijke rechtszaak heb gehad. Begrijpelijk voor die tijd, maar niet eerlijk. Maar ja, wat zeur ik. Ik ben stom geweest. Ik ben tot twaalf jaar veroordeeld, onder andere omdat ik door het rijden in een SS-shirt tijdens een Nederlands kampioenschap een slecht voorbeeld ben geweest voor de jeugd. Ik ben in 1952 vrijgekomen en alleen dankzij mijn tweede vrouw ben ik er bovenop gekomen.” Kees Pellenaars (1913-1988) Hij vormde vanaf 1938 dus een koppel met Wals op de baan. Ook Kees Pellenaars was een graag geziene Nederlandse renner op de Duitse wielerbanen tijdens de oorlog. Hij reed veel in Berlijn. Tot 15 januari 1943, toen bij een Britse luchtaanval het dak van de Deutschlandhalle in brand vloog, waardoor de koepel instortte. “Ik heb in het begin niets gemerkt van de NSB-sympathie van Wals,” vertelde Den Pel in 1979. “We moesten in 1941 een keer met de auto de Moerdijkbrug over. Toen we daar een tijdje stonden te wachten omdat er weer zo’n Duitse controlepost was, zei ik: die koleremoffen. Wals zei: ‘Ho, ho, je moet me niet beledigen Kees, want ik hoor daar ook bij.’ Toen voelde ik wel dat ik moest oppassen. Wals, had ik wel gemerkt, kon altijd iets regelen.” Ook Pellenaars wist of merkte niets van concentratiekampen of deportaties als hij door Duitsland reisde. “Je was alleen maar bezig met wielrennen. Ik verdiende goed de kost. Hadden we dan moeten stoppen met wielrennen? In Duitsland was niets te merken. Het enige dat ik me kan herinneren, was dat we volop te eten hadden. Wat ik in de oorlog heb gedaan, was gewoon fietsen voor mijn brood. De rest kon me niet schelen. Moeten jullie je eens indenken: sliepen we in een wachtkamer op een betonnen vloer, hartstikke druk, omdat al die soldaten uit Leningrad terugkwamen. Moest je nog oppassen ook, want die mensen zaten onder de luizen. Je zag soms krijgsgevangenen lopen, maar daar lette je niet op.” In zijn biografie, geschreven door Pierre Huyskens, was Pellenaars de ‘good guy’ tegenover ‘bad guy’ Cor Wals. Pellenaars durfde naar eigen zeggen niet te breken met Wals. “Bang als ik was dat ‘ie me zou flikken. En dat hij daartoe in staat was, heeft hij herhaaldelijk laten blijken ook.” Voor zover bekend heeft Wals geen mensen verraden. Jan Derksen (1919-2011) Hij werd in 1939 wereldkampioen en bleef dat vervolgens zes jaar lang doordat er geen WK’s werden gereden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook Jan Derksen stond ons te woord. “We zijn in 1939 meteen per trein uit Milaan via Basel, Frankfurt en Keulen teruggereisd naar Nederland. Kort daarna vloog ik over zee naar Kopenhagen, omdat de treinen niet via Duitsland mochten rijden en de vliegtuigen niet over Duitsland mochten vliegen. In de winter van 1939-1940 heb ik onder enorme belangstelling verscheidene wedstrijden gereden in de Deutschlandhalle in Berlijn. De sfeer was geweldig, zonder meer. Ook in ’41 en ’42 was het er qua sport geweldig.” Ook Derksen herinnerde zich zijn vermoorde collega Albert Richter. “Een heel fijne renner. Ik weet nog dat hij is doodgeschoten omdat hij bezittingen van zijn manager, Berliner, een jood, naar Zwitserland wilde brengen. Hij was verraden, is uit de trein gehaald en gefusilleerd.” Anno 1979 besefte Derksen dat sport voor de Duitsers een reclamemiddel was om te laten zien dat het leven gewoon doorging. We vroegen hem of hij tijdens zijn reizen door Duitsland iets van de oorlog merkte. “Als we met de trein uit Zwitserland kwamen, gooiden we bij Freiburg vaak sigaretten naar krijgsgevangen die daar aan het spoor stonden te werken. Dat mocht absoluut niet.” En moeite met de wedstrijden in Duitsland, het land waarmee Nederland in oorlog was? Derksen: “Tja, je leefde helemaal voor de sport. Ik vond dat gedoe altijd wel vreselijk: visum aanvragen, uren wachten in de rij voor één wedstrijdje. Maar aan de andere kant was je blij dat het kon. Het voordeel dat je door die sport had, was enorm. Je was jong en greep de mogelijkheden die de sport je bood met beide handen aan. Ik zie het ook absoluut niet als iets verkeerds als ik terugkijk op wat wij hebben gedaan. Dat wij in Duitsland, Zwitserland en zelfs in Parijs mochten rijden, dat was een voorrecht dat je niet zomaar liet schieten. Wat Cor Wals heeft gedaan, dat kon natuurlijk niet. Cor dacht: die Duitsers winnen de oorlog en dan ben ik de man. Dom natuurlijk, je moet dat soort zaken niet bij de sport halen.” Arie van Vliet (1916-2001) Hij behoorde met Jan Derksen voor, tijdens en na de oorlog jarenlang tot de beste baansprinters ter wereld. Trok baanwielrennen voor de oorlog nauwelijks publiek, in de oorlog zaten de tribunes bomvol, aldus Arie van Vliet. “De mensen waren blij met de afleiding die wij ze boden.” Van Vliet, winnaar van goud op de 1-km tijdrit bij de Spelen van Berlijn in 1936, veelvoudig wereldkampioen sprint en in 1953 sportman van het jaar, ontving bij wedstrijden in Berlijn in stadions vol hakenkruisvlaggen in 1942, 1943 en 1944 na een overwinning kransen met een hakenkruis. “Aan die vlaggen was je gewend. Tijdens de Olympische Spelen van Berlijn in 1936 hing naast de vlaggen van alle landen in het stadion ook de hakenkruisvlag. Daar lette je niet op. Tijdens de wereldkampioenschappen in 1938 in Amsterdam hingen die vlaggen ook in het Olympisch Stadion. Ze zeggen nu wel: nicht gewusst. Maar zo was het ook.” Over de verdiensten in de oorlog, vertelde Arie van Vliet: “We verdienden goed, reden tijdens het NK op recettebasis, dat was voor de oorlog ontstaan toen er weinig publiek was. In het tweede oorlogsjaar zaten er 40.000 mensen op de tribune. Ik won twee titels en verdiende 9000 gulden. Voor wedstrijden in Duitsland beurden we gauw zeven- à achtduizend mark, plus de reis- en verblijfskosten. We reisden vaak met de auto en als ik door Duitsland reed, had ik nooit enig idee wat er aan de hand was. Ik heb wel kampen gezien en ook krijgsgevangenen, maar verder wist ik niets. Ik luisterde veel naar Radio Oranje (het radiostation van de regering in ballingschap in Londen, red). Daar werd ook nooit iets gezegd over vergassingen.” Daar had Van Vliet een punt. Na de oorlog is met name koningin Wilhelmina verweten dat ze in mei 1940 niet alleen meteen naar Londen vluchtte en haar landgenoten in de steek liet, maar ook dat ze in haar wekelijkse radiopraatjes via Radio Oranje nauwelijks tot geen aandacht vroeg voor de deportaties van de 105.000 Joden naar de vernietigingskampen. Van Vliet: “Het verstand van nu is niet te vergelijken met het verstand van 1942. Toen wist je niets, je fietste.” Gerrit Schulte (1916-1992) “In Berlijn had ik al het gevoel dat er rottigheid zou komen,” vertelde Gerrit Schulte, die in 1936 meedeed aan de Spelen. “In het Olympisch dorp merkten we dat de conciërge van ons gebouw veel minder te eten kreeg dan wij. ‘Er staat hier iets te gebeuren,’ zei hij me al. Toen ik hem een keer extra eten gaf, reageerde hij heel geschrokken. Hij was bang dat hij gesnapt zou worden. Zo was de sfeer toen al.” Door een schorsing reed Schulte aanvankelijk nauwelijks in de eerste oorlogsjaren, tot de Sport- und Pressereferent van de Rijkscommissaris voor bezet Nederland, Herman Harster, er persoonlijk voor zorgde dat Schulte terugkeerde op de piste. In 1944 reed Schulte nog in Dortmund. “De Nederlanders reden daar zo goed dat we de concurrentie binnen de kortste keren op rondes achterstand hadden gereden. Machtig was dat, dat kunnen jullie je voorstellen. En het publiek was erg sportief.” Schulte had er nooit aan getwijfeld of fietsen in Duitsland wel kon tijdens de oorlog. “Een sportman bemoeit zich niet met politiek. Daarom is het nooit in me opgekomen om te weigeren wedstrijden in Duitsland te rijden. Ik was bang voor bombardementen, maar verder was het al met al een leuke tijd. Ik heb ook fijne Duitse collega’s leren kennen. Als we met de groep Nederlandse renners in de trein door Duitsland reden, zaten we te zingen en lekker wit brood te eten met dik roomboter erop. Die Duitsers zeiden dan: ‘Mensch, halten Sie doch die Schnauze, wir haben es so schwer in Leningrad.’ Dan riep ik: ach, lik m’n reet. Want politiek interesseerde me niets. Geloof me, je lette echt niet op de vlaggen in 1942 in de Deutschlandhalle. Het klinkt misschien raar voor jullie, maar het enige waar je mee bezig was, was wielrennen en nog eens wielrennen. Er is nog nooit iemand geweest die mij kwalijk heeft genomen dat ik in Duitsland heb gereden. De mensen vormden in die tijd een eenheid, ze stonden naast en achter elkaar, ze waren tolerant. Nu hangen ze elkaar op, gunnen ze elkaar niets. Het is niet te hopen dat deze generatie met een oorlog wordt geconfronteerd. Ik geloof niet dat ze erin zouden slagen om zich er zo doorheen te slaan als wij dat in de oorlog hebben gedaan. Weten jullie waarom ik na de oorlog nooit een centje last heb gehad? Omdat ik de mensen met wielrennen veel plezier heb geschonken, ik heb ze iets gegeven.” Het allerlaatste Nederlandse kampioenschap onder de bezetters werd verreden in Valkenburg in 1944 en gewonnen door Gerrit Schulte. Adrie Zwartepoorte (1917- 1991) De Nederlandse wielrenners hadden niet te klagen over de medewerking van de bezetter, de nazi’s hadden niet te klagen over het vertier dat toppers als Van Vliet, Pellenaars, Derksen, Schulte en tot zijn vertrek naar het oosten ook Wals het publiek in Europa boden. Overal waren ze graag geziene gasten. Een van de renners die in de oorlog weigerde in ruil voor veel geld te blijven fietsen, was Adrie Zwartepoorte: nationaal kampioen profstayers in 1940, voor Schulte en Wals. Ook hem zochten we op. “Ik voelde er niets voor in Duitsland te gaan rijden, om daar geld te gaan verdienen. Dat ging me te ver. Ik heb er nooit met mijn collega’s over gesproken waarom zij wel in Duitsland hebben gereden. Het had geen zin. Mijn vader was voor de oorlog lid van de SDAP. Hij heeft me ook aangeraden te stoppen met wielrennen. Toen ik heel klein was, zei hij al dat ik niet te veel met Duitsers moest omgaan. Die opvoeding is van invloed geweest. Ik heb natuurlijk wel gewerkt in de oorlog, heb vier kinderen in die tijd gekregen.” Zwartepoorte stopte in 1940 met wielrennen, kreeg in 1943 een oproep PTT- beambte in Berlijn te worden, weigerde, dook onder en werd actief in het Amsterdamse verzet. Geëmotioneerd dacht hij terug aan de dag dat hij met twaalf vrienden door de Valkenburgerstraat in de Amsterdamse Jodenbuurt liep. Uit een naderende overvalwagen werd plotseling geschoten. Drie verzetskameraden stierven. “Als ik had gewild, had ik in die tijd veel kunnen verdienen met wielrennen. Bijna alle jongens die in Duitsland reden, kregen behalve hoge gages alle kans in hun stuur, in hun banden, in al- les wat zich daar maar voor leende, geld te smokkelen. Die jongens hebben veel geld verdiend. Zoiets moet je kunnen, ik kon het in elk geval niet.” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Haantje de voorste

Van Julian Alaphilippe (27) worden wonderen verwacht in Frankrijk. [...]
Van Julian Alaphilippe (27) worden wonderen verwacht in Frankrijk. Hij moet de Fransen de eerste Tourzege sinds 1985 bezorgen. En als het even kan ook nog olympisch goud pakken in Tokio. “Julian heeft een goeie kop en ligt goed bij de vrouwen.” Zijn grootste overwinning van de laatste tijd boekte Julian Alaphilippe niet op de fiets. Tijdens de Ronde van Colombia in februari liet hij weten dat hij sinds kort een relatie heeft met Marion Rousse. De oud-wielrenster en verslaggeefster van de Franse tv en Eurosport was twaalf jaar samen met wielrenner Tony Gallopin, maar aan die relatie kwam vorig jaar een einde. Het nieuwe sterrenkoppel was meteen hot news in Frankrijk. Het wordt nog drukker rond de bus van Deceuninck-Quick-Step weet teambaas Patrick Lefevere ook. Steeds meer mensen en media zullen iets van Alaphilippe willen. “Julian is de meest extraverte persoon van de ploeg, hij staat meteen op de tafels te dansen. Je moet Julian altijd een beetje in de gaten houden. Hij houdt van feesten, heeft een goeie kop en ligt goed bij de vrouwen.” Maar Lefevere betitelt hem ook als een lieve, zachtaardige jongen. “Ik wens iedereen zo’n zoon of schoonzoon. Er schuilt werkelijk niets slechts in dat kereltje. Doodeerlijk, altijd vriendelijk. Als hij me ziet, pakt hij me vast en drukt me bijna plat. Dat raakt me. Wij Vlamingen zijn dat niet gewend.” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Alles voor de perfecte sprint

Dylan Groenewegen (26) is misschien wel de snelste sprinter van [...]
Dylan Groenewegen (26) is misschien wel de snelste sprinter van het peloton. Zijn successen dankt hij volgens eigen zeggen niet alleen aan zijn toewijding voor het harde wielermetier, maar ook aan alle offers die zijn vriendin Nine Storms (22) bereid is te maken. We gingen bij hen langs. De fiets, de fiets en verder niets. Voor redelijk wat profwielrenners lijkt een somber monnikenbestaan de bijbel voor hun succes te zijn. Hun hele dagindeling wordt ingericht naar de wielercarrière. Voor Dylan Groenewegen en zijn vriendin Nine Storms is het niet anders. Dit zijn de jaren waar het in de sprint moet gebeuren voor de Amsterdammer. Het jonge koppel accepteert dat ze in deze periode van hun leven ‘gevangen’ zitten in een strak regime van trainen, rusten en wedstrijden rijden. Nine heeft zelf van haar twaalfde tot haar achttiende gefietst. Als eerstejaars werd ze teruggeworpen door een darmziekte. Al had ze zelf ook snel in de gaten dat ze geen tweede Anna van der Breggen, Annemiek van Vleuten of Marianne Vos was. “Daarnaast wilde ik op jonge leeftijd al uit huis en zelfstandig wonen. Dat kon ik financieel alleen opbrengen als ik fulltime ging werken. Een combinatie met het wielrennen was dan niet meer mogelijk,” blikt ze terug wanneer we het stel bezoeken in hun pas gerenoveerde huis aan het water in Vinkeveen. Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Theo Bos: ‘Geen poespas, gewoon rammen’

Hoewel zijn pensioen aanstaande is, wil Theo Bos [...]
Hoewel zijn pensioen aanstaande is, wil Theo Bos (36) graag nog voor een zesde keer wereldkampioen op de baan worden. Het zou zijn carrière ‘rond’ maken. In aanloop naar de WK baan (26 februari-1 maart) in Berlijn gaan we met de baansprinter op wereldreis. Pratend wedpaard in Japan “Het is niet zo dat iedere Japanner weet wie Theo Bos is. Ik ben daar lang niet zo beroemd als kickboksers Remy Bonjasky, Peter Aerts, Ernesto Hoost of Sem Schilt, die daar echt heel bekend zijn. Maar binnen de Japanse keirinwereld weet iedereen wel wie ik ben. Afgelopen jaar heb ik er ook weer iets van zes maanden gezeten. Japan is eigenlijk mijn tweede thuis. Ik ben in 2003 voor het eerst naar Japan gegaan om mee te doen aan de keirin. Die is daar heel groot en er wordt flink op gewed. Tijdens de wedstrijden gaan we in quarantaine, worden we afgesloten van de hele wereld. Telefoons, computers en andere communicatiemiddelen zijn een paar dagen verbo­den, alles om matchfixing te voorkomen. Drie dagen lang kan ook mijn vriendin Anne me dan niet bereiken. Het is een eigen wereldje waar ik deel van uitmaak in Japan. Eigenlijk ben ik een pratend wedpaard. Met het publiek, veel­ al gokkers, heb ik eigenlijk geen contact. We komen de baan op, doen ons ding en worden daarna weer afgeschermd van iedereen. Er staan weleens mensen te wachten voor een hand­tekening. Ik mag dan soms nog even een krabbel zetten, maar dat is het dan ook wel.” Levert het nog wat op om in te zetten op jou? “Nee, dat is niet heel lucratief. Als je een euro inzet op mij, krijg je er anderhalve euro voor terug. Vergeleken bij de veelal Japanse renners tegen wie ik het daar op moet nemen, ben ik nog wel een klasse apart.” Ik neem aan dat je er ook nog wat aan overhoudt... “Het is eigenlijk broodfietsen wat ik daar doe, mijn jaarsalaris fiets ik daar in een half jaar bij elkaar. Ik denk dat ik het een stuk minder leuk zou vinden om jaarlijks zes maanden in Japan te zitten als ik er niet zo goed mee zou verdienen, zo eerlijk ben ik dan ook wel weer.” The Boss in Bordeaux “Bij de WK in Bordeaux in 2006 was ik op mijn top. Ik won met overmacht de sprint en de keirin, reed echt superhard.” Je werd The Boss genoemd, werd gekozen als Sportman van het Jaar. Alles wat je in die tijd aanraakte, veranderde in goud. “Klopt, maar tegelijkertijd wist ik dat ik een niveau had neer­ gezet waar de concurrentie naartoe zou gaan werken. Om hen voor te blijven, moest ik er een schepje bovenop doen. Dat deed ik ook en het jaar erop reed ik weer wat harder. Ik prolongeerde op Mallorca mijn wereldtitel op de sprint, maar zag ook dat de concurrentie dichterbij kwam. Ik wist toen al: dit niveau is waarschijnlijk niet goed genoeg om in Peking olympisch kampioen te worden en ben weer harder gaan trainen.” Was de WK in Bordeaux het mooiste moment uit deel één van je wielercarrière? “Dat was heel erg mooi, maar ik kies toch voor mijn eerste wereldtitel. Ik pakte goud op de sprint bij de WK in Melbourne in 2004, een paar maanden voor de Spelen. Een Nederlander die wereldkampioen werd op de sprint, dat kwam zo onverwachts. Ik had nooit gedacht dat ik dat kon worden. Sprinters waren allemaal van die enorme beulen. Liep ik daar rond met mijn spillebeentjes tussen die gasten met enorme dijbenen en opgepompte lichamen. Ik was eigenlijk iemand die het best tot z’n recht kwam op de kilometertijdrit, maar klopte ineens al die krachtpatsers. Hoorde ik ineens in het rijtje Arie van Vliet, Jan Derksen, Piet Moeskops en Leijn Loevesijn, mannen over wie ik als jochie boeken had gelezen.” Tranen in Peking “Daar had het voor mij moeten gebeuren, maar uitgerekend op de Spelen in Peking ging er van alles fout. Ik weet niet eens meer dat ik in tranen was, maar mijn droom viel daar in duigen.” Destijds was je zo beduusd dat je niet wist wat er precies mis was gegaan. Weet je dat inmiddels wel? “Ik werd bij de WK van 2008, in Manchester, op een paar millimeter geklopt door de latere olympisch kampioen Chris Hoy, terwijl ik daar ook weer harder reed dan in 2006 en 2007. Ze hadden aansluiting gevonden bij mij. Meteen na dat WK ben ik nog harder gaan trainen. Ik dook het krachthonk in om in die laatste maanden te proberen toch nog sterker te worden, ging nog beter op mijn voeding letten. Tot op de minuut probeerde ik alles te regisseren. Dat gold ook voor mijn sprintmaatjes Teun Mulder en Tim Veldt. We legden onszelf een spartaans regime op. Ik ben te extreem aan de slag gegaan, kan ik achteraf zeggen. Ik kwam te vermoeid aan op de Spelen. Met de kennis van nu was het juist beter geweest om na dat WK meer rustmomenten in te bouwen. Ach, wisten wij veel. Bondscoach Peter Pieters had het Nederlandse baanwielrennen bij de hand genomen in het najaar van 1998, voor die tijd was er niks. Wij waren aan het pionieren.” Raakte je in paniek nadat je werd geklopt door Hoy een paar maanden voor de Spelen? “Het was niet zozeer paniek. Het probleem was eerder dat we nog niet in die situatie hadden gezeten. Tim, Teun en ik bedachten zelf onze trainingsprogramma’s, waren zelf het wiel aan het uitvinden. En eerlijk, we wisten eigenlijk niet eens wat we aan het doen waren. De steun en kennis waar de baan­ sprinters van nu gebruik van kunnen maken, ontbraken in die tijd. En we moesten het opnemen tegen de Britten, waar op de achtergrond een heel team met deskundigen en wetenschappers bezig was en waar de financiële middelen onuitputtelijk waren. Zij waren op alle vlakken een stap verder, waren er in 2008, met de Spelen van 2012 in Londen in het achterhoofd, klaar voor om het baanrennen te gaan domineren. En tegelijkertijd draai­de het met de hele Nederlandse baanploeg voor geen meter in Peking. Peter Pieters werd keihard onderuit gefietst door Levi Heimans. Dat had heel slecht af kunnen lopen. Niki Terpstra kwam op weg naar de baan ten val en brak allebei zijn armen. Tal van renners kwamen niet vooruit, waaronder ik op de team­ sprint en sprint. Mijn enige kans op een medaille was de keirin. Daarin viel in de halve finale iemand voor me die ik niet meer kon ontwijken waardoor ik meteen was uitgeschakeld. Het was één groot drama.” Maar denk je dat je in 2008 een olympische plak had gewonnen als je die derde manche in de sprint niet op een paar millimeter van Hoy had verloren bij de WK in Manchester? “Ik was het niet gewend om te verliezen, daar baalde ik flink van. Maar ik denk niet dat het invloed heeft gehad op het resultaat in Peking. Eigenlijk heb ik twee jaar te vroeg mijn piek gehad en daarmee de concurrentie, met name de Britten, laten zien naar welk niveau ze toe moesten gaan werken.” Na de Spelen besloot je de overstap naar de weg te maken. Was dat een vlucht? “Ruim voor de Spelen dacht ik al: ik zou het een keer willen proberen op de weg. Maar wat bij mijn beslissing zeker invloed had, was dat ik zag hoe dominant de Britten waren op de baan. En die dominantie zou niet veranderen tot en met de Spelen in eigen land in 2012. Van hen zou ik het niet gaan winnen, ik zou hooguit derde kunnen worden, beredeneerde ik. En de voorspelling dat de Britten zouden gaan huishou­den in Londen kwam ook uit. Sterker, het plan dat de Britten hadden uitgerold op de baan, met Sky als geldschieter, hebben ze vanaf 2010 ook meegenomen naar de weg en ook daarop werden ze dominant. 'Eerst was ik Theo de baanrenner en daarna Theo de wegrenner. Je moet het zien als iemand die ontslag heeft genomen en aan een andere baan is begonnen' Nadat ik overstapte werd de Duitse oud­topsprinter René Wolff bondscoach in Nederland en hij heeft eigenlijk voor het eerst een echt sprintprogramma ontwikkeld. Hoewel René nu weg is, heeft de generatie Nederlandse baansprinters die het nu zo goed doet, daar nog dagelijks profijt van. Als wij iemand als René erbij hadden gehad, dan waren we een stuk verder geweest. Had ik maar in de toekomst kunnen kijken...” Helden Magazine 50 Het eerste gedeelte van het verhaal van Theo Bos komt voort uit Helden Magazine nummer 50, waar op het moment van uitkomen een nieuw decennium is begonnen. Voor Helden een goed moment om jonge, nieuwe sporthelden te belichten. Sportman van 2019 Mathieu van der Poel draait alweer even mee, maar is net 25, wat jong is voor een wielrenner. De alleskunner siert de 50ste cover. In deze editie is er uitgebreid aandacht voor Generatie Z. Er zijn al tal van voetballers die na de eeuwwisseling zijn geboren, zijn doorgebroken of op het punt staan dat te doen. Onder meer Orkun Kökcü, Mohamed Ihattaren en Myran Boadu komen aan het woord. Daarnaast blikten wij aan de hand van afbeeldingen terug met de assistent-trainer van Feyenoord, John de Wolf. Heeft oud-aanvoerster Mandy van den Berg het plezier in het voetbal weer teruggevonden én lees je over de cultclub van Andries Jonker en Co Adriaanse. Verder in de 50ste editie van Helden gingen we langs bij schaatsster Esmee Visser en haar vriend Daan Olivier én legden we het supertalent, Remco Evenepoel, negen namen voor. Daarnaast kan meerkampster Anouk Vetter weer lachen, nadat ze in 2019 door een diep dal ging, is de 21-jarige Griek: Stefanos Tsitsipas de nieuwe ster in het tennis, gaat Victoria Koblenko langs bij judoka Noël van ’t End én verteld Yara van Kerkhof, hoe haar wereld compleet instortte. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Veldrijden

Mathieu van der Poel: ‘Het is uniek wat ik doe’

Mathieu van der Poel reeg de overwinningen aaneen [...]
Mathieu van der Poel reeg de overwinningen aaneen als veldrijder, wegrenner én mountainbiker in 2019. De verwachtingen van de 25-jarige MvdP zijn ook in 2020 torenhoog. “Ik weet nu dat ik olympisch goud kan winnen in Tokio, dat het niet langer alleen een droom is.” Het was een bijzonder jaar, ja, ''zegt Mathieu van der Poel glimlachend. Het hele jaar door was het MvdP wat de klok sloeg. Als veldrijder won hij zo goed als overal waar hij aan de start verscheen, met als hoogtepunt zijn tweede wereldtitel in Bogense. Op de weg maakte hij voor het eerst serieus werk van het voorjaar. Hij won meteen op zelden vertoonde wijze de Amstel Gold Race en nog tal van koersen. Op de mountainbike wist hij zijn eerste wereldbekerwedstrijden crosscountry en de Europese titel te winnen door onder anderen olympisch kampioen Nino Schurter te kloppen. Terug op de weg scheelde het in een kletsnat Yorkshire maar weinig of Mathieu had ook meteen de eerste Nederlandse wereldtitel op de weg sinds 1985 gepakt. Twaalf kilometer van de meet viel hij bevangen door kou en honger weg uit de kopgroep. Maar 2019 was ook nog eens het jaar waarin Mathieu uit huis ging om samen te wonen met vriendin Roxanne Bertels. En waarin hij op 13 november afscheid moest nemen van zijn opa, trouwe fan en wielerlegende Raymond Poulidor op 83-jarige leeftijd. In 2020 zijn de verwachtingen onverminderd hoog wat betreft de man die in december werd verkozen tot Sportman van het Jaar. Als crosser wordt niets minder dan de derde wereldtitel veldrijden verwacht op 2 februari. Op de weg zal hij als favoriet van start gaan waar hij ook maar verschijnt. Of dat nou zijn – mogelijke – debuut in Milaan-San Remo of Parijs-Roubaix betreft of zijn tweede deelname aan de Ronde van Vlaanderen. In Tokio moet hij zijn vier jaar durende avontuur als mountainbiker bekronen met olympisch goud. Zulke hoge verwachtingen, zoveel ogen op hem gericht. We legden Mathieu een paar quotes voor. “De afgelopen tien jaar zat vrijwel iedere grote koers door het ploegenspel op slot en dat is vooral door Mathieu nu wel even anders. Hij koerst met zijn hart en dus zit je in het voorjaar bij iedere koers op het puntje van je stoel. Er is een einde gekomen aan een periode van saaie, voorspelbare koersen.” - Leo van Vliet, oud-renner en organisator van de Amstel Gold Race - “Dat is een van de grootste complimenten die ik kan krijgen. Ik besef wel dat het uniek is wat ik doe, door het crossen, de weg en het mountainbiken te combineren. Maar de manier van koersen veranderen... Ik probeer dat wel en het is mooi dat mensen vinden dat ik dat ook werkelijk doe.” Je rijdt graag op je gevoel, terwijl in deze tijd veel coureurs op de weg kijken naar hun wattagemeter en luisteren naar wat de ploegleiding beslist in de volgwagen. “We zijn bij de ploeg ook wetenschappelijk bezig, hoor. Je kunt in deze tijd niet zomaar iets doen. Alles wat we doen is onderbouwd. Maar als de koers bezig is, luister ik vaak naar m’n instinct. Veel andere renners luisteren naar de orders uit de auto.” Hoe keek jij naar het wielrennen voordat je op de weg reed? Het was allemaal redelijk voorgeprogrammeerd, toch? Ergerde jij je aan de oortjes waarmee renners koersten? “Ik vind dat er oortjes moeten zijn, maar meer voor de veiligheid. Laat ze vanuit de auto maar waarschuwen voor gevaarlijke situaties. Verder vind ik dat je renners vrij moet laten bij het maken van beslissingen in de koers, daar krijg je mooie en onverwachte koersen van.” Niet alleen jij koerst op gevoel, ook Remco Evenepoel, Julian Alaphilippe en Wout Van Aert deden dat afgelopen jaar. Ligt dat aan jullie generatie renners, durven jullie meer? “Misschien wel. Ik denk wel dat het in klassiekers of eendaagse koersen beter gaat om op instinct te rijden dan in grote rondes. Als ik in grote rondes dag in dag uit ga koersen als ik vorig jaar heb gedaan op de weg, dan kan ik na een week naar huis, vrees ik.” Alaphilippe reed ook zo in de Tour, won twee etappes en reed lang in het geel. “Ja, dat is waar. Ik vond de eerste week van de Tour een van de mooiste die ik ooit heb gezien. En met die manier van koersen is hij inderdaad nog heel ver gekomen. Julian is ook wel een voorbeeld voor me. Hij is niet alleen een heel leuke, joviale jongen met wie ik goed contact heb, hij is ook iemand die aanvallend rijdt en die gewoon probeert plezier in het wielrennen te behouden. Zo wil ik ook koersen.” Door de successen op de weg in 2019 zullen steeds meer renners naar jou gaan kijken. Als je demarreert, zullen ze meteen in je wiel proberen te springen. “Misschien moet ik het een beetje rustiger aan gaan doen, wat langer wachten. Ik ga soms te vroeg in de aanval, terwijl het parcours er niet voor gemaakt is om van zo ver al aan te gaan.” Blijf nou gewoon aanvallen wanneer jij dat wil, dat maakt het voor ons juist leuk. “Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat het mij overwinningen gaat kosten.” Afgelopen jaar bracht het je ook juist overwinningen, toch? “Ja, dat weet ik ook. En als je het me op de man af vraagt, dan vind ik het ook leukst om zo te koersen. Soms win ik daardoor koersen en een andere keer verlies ik er juist door. Heel veel mensen komen na afloop zeggen dat ze me graag zien koersen, dat is me ook veel waard. Dat is ook een grote motivatie om het te blijven doen.” Krijg je van collega’s veel reacties op wat je doet? “Ja. Ik merkte het vooral in het voorjaar. Na elke wedstrijd kwamen er meer renners een praatje maken of om me te feliciteren. Vond ik leuk.” ''Hij moet nu bevestigen dat hij er echt staat. Iedere insider weet dat zo'n tweede jaar cruciaal is in een carrière.'' - Vader Adrie van der Poel - ''Mijn vader heeft misschien wel een punt, maar op zich heb ik al moeilijke jaren gehad. Tijdens mijn eerste profjaar bij de ploeg moest ik meteen het verlies van Niels Albert opvullen. Ik heb al wel wat meegemaakt in de loop der jaren, dus normaal gezien zou ik het wel aan moeten kunnen. Ja, 2019 is een heel goed jaar geweest. Extreem goed zelf. Vorig jaar verbeteren zal niet eenvoudig worden. Het was een uniek jaar. Maar ik ga in elk geval proberen om 2019 te evenaren of op z’n minst te benaderen. Voor 2020 heb ik ook heel veel doelen, die lopen als een rode draad door het jaar heen.” De vergelijking met je vader is er altijd geweest en zal er nog wel even blijven. Is dat af en toe irritant? “Ik heb er nooit last van gehad, heb het nooit als druk ervaren. Ik draag mijn naam met trots en ik vind het leuk dat ik door het winnen van de Amstel Gold Race in de voetsporen van mijn vader ben getreden. Aan zijn emoties na de finish kon ik zien dat hij trots was. Mijn vader heeft trouwens altijd al gezegd dat ik een grotere renner word dan hij is geweest. Geen idee waarom hij dat dacht. Dat zal de kenner in hem zijn. Hij heeft wel heel veel verstand van wielrennen, dus ik hoop dat hij gelijk heeft. Hij heeft een indrukwekkend palmares, heeft grote koersen op de weg gewonnen als Luik-Bastenaken- Luik, de Amstel Gold Race en de Ronde van Vlaanderen, in combinatie met veldrijden.” 'Als de koers bezig is, luister ik vaak naar instinct. Veel andere renners luisteren naar de orders vanuit de auto.' Wat voor rol speelt je vader in je loopbaan? “Mijn vader is degene die me alles heeft geleerd. Vooral op mentaal vlak heb ik veel van hem opgestoken. Hij is nu iets meer op de achtergrond, maar tijdens de cross doet mijn vader nog altijd mijn materiaal en we bespreken nog steeds mijn trainingen. Maar het is niet zo dat mijn vader van jongs af aan een pad voor me heeft uitgestippeld, hoor. Mijn broer David en ik waren altijd aan het sporten, maar het was niet alleen maar fietsen wat de klok sloeg. Ik voetbalde en tenniste ook. Vooral voetbal ging wel goed, ik heb nog eens meegedaan met Willem II. Ik liep er stage, maar viel af bij de laatste tien. Uiteindelijk moest ik kiezen. Het individuele in het fietsen sprak me aan. Ik heb het liefst alles in eigen hand. Toen mijn broer en ik begonnen met fietsen, kregen we handige tips van m’n vader. Hij heeft me altijd proberen te behoeden voor de fouten die hij heeft gemaakt tijdens zijn eigen wielercarrière. Mijn vader is een paar keer overtraind geweest. Ik heb dat ook een beetje in me, wil altijd maar doorgaan. Ik trainde soms ook te veel. Inmiddels weet ik wanneer ik rust moet nemen. Helden Magazine 50 Het eerste gedeelte van het verhaal van Mathieu van der Poel komt voort uit Helden Magazine nummer 50, waar op het moment van uitkomen een nieuw decennium is begonnen. Voor Helden een goed moment om jonge, nieuwe sporthelden te belichten. In deze editie is er uitgebreid aandacht voor Generatie Z. Er zijn al tal van voetballers die na de eeuwwisseling zijn geboren, zijn doorgebroken of op het punt staan dat te doen. Onder meer Orkun Kökcü, Mohamed Ihattaren en Myran Boadu komen aan het woord. Daarnaast blikten wij aan de hand van afbeeldingen terug met de assistent-trainer van Feyenoord, John de Wolf. Heeft oud-aanvoerster Mandy van den Berg het plezier in het voetbal weer teruggevonden én lees je over de cultclub van Andries Jonker en Co Adriaanse. Verder in de 50ste editie van Helden gingen we langs bij schaatsster Esmee Visser en haar vriend Daan Olivier. Legden we het supertalent, Remco Evenepoel, negen namen voor én gaan we op wereldreis met baansprinter Theo Bos, die graag zijn carrière ‘rond’ wil maken. Daarnaast kan meerkampster Anouk Vetter weer lachen, nadat ze in 2019 door een diep dal ging, is de 21-jarige Griek: Stefanos Tsitsipas de nieuwe ster in het tennis, gaat Victoria Koblenko langs bij judoka Noël van ’t End én verteld Yara van Kerkhof, hoe haar wereld compleet instortte. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Formule 1

‘Wij doen alle drie een trucje’

Sven Kramer, Steven Kruijswijk. En Max Verstappen zijn boegbeelden [...]
Sven Kramer, Steven Kruijswijk. En Max Verstappen zijn boegbeelden van de Nederlandse sport én Jumbo. Voor deze speciale Helden brachten we Max, Steven en Sven samen voor een goed gesprek. Sven: “Vergeleken bij Max zijn Steven en ik natuurlijk schildpadden.” Mijn dochter heeft gelukkig tot half negen doorgeslapen,” zegt Sven Kramer opgewekt als hij zijn gezicht laat zien op Schiphol voor een vlucht naar Monaco. Dochter Kae van één en vriendin Naomi van As moeten het weer een dag zonder hem doen. De voorbereiding op het nieuwe schaatsseizoen is in volle gang, maar er is nog ruimte voor een speciale ontmoeting met Steven Kruijswijk en Max Verstappen. Steven woont voor het wielrennen met zijn vrouw Sophie, zoontje Perre en dochter Feline aan de Côte d’Azur, waar het weer altijd goed is en hij goed kan trainen in de bergachtige omgeving. Max is een paar jaar geleden net als veel van zijn collega’s in de Formule 1 in het vorstendom aan de Middellandse Zee gaan wonen. Eens per jaar scheurt hij beroepshalve door de straten van zijn woonplaats. Het volledige verhaal lezen? Deze speciale editie van Helden is alleen te verkrijgen bij Jumbo. Bij aankoop van actieproducten krijg je het magazine gratis. Op = op! www.jumbo.com/helden  

Wielrennen

‘Niemand wilde met mij’

Wielrenster Puck Moonen (23) werd in 2017 uitgeroepen tot mooiste [...]
Wielrenster Puck Moonen (23) werd in 2017 uitgeroepen tot mooiste sportvrouw van Nederland. Aan aandacht geen gebrek. Maar wat bijna niemand weet, is dat zij in haar jeugd erg werd gepest. Binnenkort is Puck het gezicht van een campagne tegen pesten op het Vlaamse Cartoon Network. met Helden deelt ze haar verhaal. Twee jaar geleden werd ze uitgeroepen tot Mooiste Sportvrouw van Nederland: wielrenster Puck Moonen. Haar naam en faam heeft ze vooral vergaard op Instagram. Op moment van schrijven heeft Puck ruim 360 duizend volgers, meer dan welke Nederlandse vrouwelijke sporter ook, en dat aantal groeit razendsnel. Een gemiddelde foto op haar pagina 'scoort' zo'n 20 tot 30 duizend likes, bij een bikinifoto gaan er wel 65 duizend duimpjes omhoog. Een succesvolle babe, die ook nog eens hard kan fietsen. Omdat ze zoveel volgers heeft, is ze aantrekkelijk voor mooie merken. Ze rijdt in een grote Mercedes en in haar stories kan je zien dat ze met volle teugen genieten van the glamourous life. Puck is letterlijk en figuurlijk het perfecte plaatje. Zou je denken. Eigen wereldje “Wat bijna niemand weet, is dat ik altijd erg ben gepest. Dat begon al in de kleuterklas, of misschien zelfs op de peuterspeelzaal. Ik was best op mezelf, altijd bezig met andere dingen dan de rest. Heel onderzoekend, geïnteresseerd in dooie beesten, spinnen en slangen bijvoorbeeld. In de kleuterklas merkte ik al dat ik gesprekken met andere kinderen lastig vond. Die snapten de dingen die ik interessant vond niet. Dan val je er al snel buiten en krijg je niet echt vrienden. Dat is altijd zo gebleven. Aanvankelijk was ik me er niet zo van bewust, ik leefde in mijn eigen wereldje. Maar later, als je groter wordt, verandert dat. Vanaf groep 6 worden kinderen gemener. Dan word je steeds bewuster buitengesloten, en gepest. Ik had wel even een goede vriendin op de basisschool. Haar moeder had borstkanker. Er was zo’n groepje dat ons achterna liep, ons tegen onze benen en fietsen schopte. Ze riepen dingen als kankermoeder. Zo gemeen. In de klas maakten ze continu kutopmerkingen. Ik zat op paardrijden met nog twee meisjes uit de klas. Er werd de hele tijd naar ons gehinnikt, dat soort dingen. Erg veel herinneringen heb ik trouwens niet aan die tijd. Ik heb het denk ik een beetje verdrongen. Als ik terugdenk, heb ik wel een paar mensen in mijn hoofd van wie ik me goed herinner dat ze echt heel rot deden, maar wat ze precies deden dat weet ik niet meer. Ik krijg vooral een heel naar gevoel als ik aan hen denk. Nageroepen School vond ik vanaf het begin al niet leuk. Dan zaten we in de klas en moesten we in de kring het Ave Maria zeggen. Iedereen deed mee, maar ik zat ertussen en riep als kleuter al: God bestaat niet, nee hoor, God bestaat niet. De rest van de kinderen vond dat vreemd. Ik was ook de eerste die zei dat Sinterklaas niet bestond. Daarmee heb ik wel eens iemand aan het huilen gemaakt. Die had een cadeautje gekregen en ik zei: dat waren gewoon je ouders, hoor. Ik denk dat ik wel een wijsneus was. Ik wist al jong veel over van alles eigenlijk. En dat wilde ik graag laten zien. Op de middelbare school ben ik weleens naar een psycholoog geweest, ook vanwege het pesten dat toen best wel erg was. Ze dacht dat ik hoogbegaafd was. In ieder geval was ik HSP, een Hoog Sensitief Persoon. Een IQ-test of zo is nooit gedaan, dat vonden mijn ouders niet nodig. Er hoefden niet allemaal labels op mij geplakt te worden. Op de middelbare school dacht ik van al die klote kinderen af te zijn. Van mijn klas gingen we maar met z’n zevenen naar havo/vwo, de rest ging naar het vmbo. Maar met het eerste rondje voorstellen ging het al mis. Ik zei: ik ben Puck, ik woon in Oirschot en ik rij paard. Iemand van de basisschool begon te hinniken. Toen was het meteen klaar. Ik maakte wel een paar vrienden, maar dat waren ook buitenbeentjes. Na de brugklas gingen we allemaal naar andere klassen. Ik kwam alleen te zitten, miste de aansluiting. Als er voor een opdracht tweetallen gemaakt moesten worden, kon ik wel door de grond zakken. Niemand wilde met mij. Hetzelfde gold voor de gymlessen. Ik was best fanatiek en ik kon ook wel dingen goed voor een meisje. Toch werd ik altijd als laatste gekozen. In het begin was ik nog wel gemotiveerd om hoge cijfers te halen. Ik was best een strebertje. Als de leraar iets vroeg, wilde ik meteen antwoorden, ik was gewoon enthousiast. Maar dat heb ik snel afgeleerd, want het pesten werd er alleen maar erger door. Eigenlijk wel zonde. Na het tweede jaar deed ik helemaal niks meer. Ik zat alleen nog maar op school om aanwezig te zijn. Te overleven. Diploma halen en weg, dat was het enige waar ik aan dacht. Het pesten was toen vooral buitensluiten. Er werd geroddeld. Ik werd nageroepen in de gang, zat altijd alleen. In de pauze was ik zoveel mogelijk bezig met heen en weer lopen: van het lokaal naar het kluisje. Naar de wc en weer terug. Dan was er hopelijk een kwartier voorbij. Ik probeerde de tijd vol te maken, want wat moest ik doen? Ik had niemand om bij te staan. Depressief Eén keer heb ik aan de bel getrokken, toen een paar pestkoppen me pakten. Het was zo’n populair groepje jongens dat altijd een zwakkere moest hebben, zodat de rest van de klas lachte. Ik kwam ze tegen op de fiets. Ze begonnen aan me te trekken. Ik kreeg toen net een beetje vorm. Daar wilden ze aan zitten. Ik ben gestopt en heb mijn vader gebeld. We hebben aangifte gedaan. Maar de vader van een van die jongens zat bij de politie, die man kreeg dat dus over zich heen op zijn werk. Zijn zoon was eigenlijk de grootste pester, hij was echt een klootzak. Uiteindelijk moest die groep jongens mij een brief schrijven. Die schreven ze natuurlijk tegen hun zin. Daarna hield het pesten niet op, het werd geniepiger. Precies wat er altijd gebeurt als je wat aan pesten probeert te doen: je krijgt het dubbel en dwars terug. Toen dacht ik al snel: fuck die school. Ik meldde me steeds vaker ziek. Huiswerk maken deed ik niet, thuis had ik geen zin om aan school te denken. Ik haalde het allemaal wel, stond een kwartier voor een toets even snel het boek door te nemen, en dat was het. Ik ben in die periode behoorlijk depressief geworden. Mijn ouders hadden het niet echt door. Ze merkten wel dat het niet goed ging, ze vroegen geregeld wat er met me was. Maar ik zat zo erg in mezelf dat ik niet durfde of wilde vertellen wat er aan de hand was. Laat me nou, dacht ik. Eigenlijk had ik niemand bij wie ik terecht kon. Dat het een depressie was, weet ik nu. Toen wist ik niet wat dat was. Ik gaf gewoon helemaal nergens meer om. Maar ook echt helemaal nergens. Niet om hoe ik eruit zag, ik had zelfs geen zin om mijn haren te kammen. De kleinste dingen kostten de grootste moeite. Zoals douchen. Of eten. Je eet gewoon wat je wilt, als er een reep chocolade ligt eet je een reep chocolade. Je hebt schijt aan groente. Je hebt gewoon nergens zin in, omdat je niks voelt. Dat heeft wel een jaar of drie geduurd. In de vierde ben ik blijven zitten, omdat ik echt helemaal niets deed. Schone lei Uiteindelijk vond ik in de laatste twee jaar van school een groepje. Dat waren allemaal creatieve, gekke mensen. Ik sprak af en toe buiten school af, voor het eerst. Dat contact is wel weer verwaterd. Het klinkt onaardig, maar het was eigenlijk ook alleen maar een groepje om op school bij te zijn. Dan kun je tenminste bij iemand staan in de pauze. Door dat groepje ging het al iets beter met me, maar de echte omslag is gekomen toen ik ging fietsen. Ik kreeg een vriendje van de fietsclub en ontmoette andere mensen, die me niet kenden van school. Dat was fijn, dat je een wereld ernaast krijgt waarin je met een schone lei kunt beginnen. Ik ben best laat begonnen met fietsen, op mijn zeventiende. Ik werd toen uit mijn voetbalploeg getrapt. Paardrijden deed ik al heel lang niet meer, daar ben ik aan het begin van de middelbare school mee gestopt. Ik ging op voetbal, als enige meisje tussen de jongens. Maar toen we zeventien waren, gingen alle jongens door naar de A-junioren. Als meisje mag je niet mee, je moet dan naar een vrouwenploeg. Dat zijn de regels van de KNVB. Ik was helemaal niet goed of zo – we waren allemaal niet goed in dat team – ik vond voetballen gewoon tof. Het was jammer dat ik moest stoppen. Eigenlijk had ik een pokkenhekel aan fietsen. Ik moest altijd op een omafiets zonder versnellingen naar school in Boxtel, twaalf kilometer heen en twaalf kilometer terug. ‘s Ochtends had ik altijd wind mee, ‘s middags altijd wind tegen – en zin om naar school te gaan had ik door het pesten nooit. Ik vond dat fietsen dus echt een hel. Maar goed, ik had er wel een beetje conditie door. Ik was een keer met mijn moeder in de dierentuin en daar stond een podium met twee racefietsen in zo’n roller. Dat kan ik wel, dacht ik. Dus ik deed een wedstrijdje tegen een man van een paar jaar ouder en een paar koppen groter, en ik won. Toen kwam Leontien van Moorsel uit het publiek. Ik kende haar niet. Ze zei: ‘Je moet gaan fietsen!’ Ik dacht: ben jij nou gek, met die vieze strakke broekjes en zo. Thuis heb ik toch maar even gegoogled en toen kwam ik erachter dat ze veel gewonnen heeft. Met dat advies heb ik in het begin niet veel gedaan, tot ik van voetbal af moest en een keer werd aangereden. Mijn omafiets was total loss. Bij de fietsenmaker zag ik een racefiets staan. Die zag er eigenlijk wel vet uit. Ik dacht: als ik daarmee naar school rij, ben ik veel sneller. Mijn vader zei: ‘Heb je het prijskaartje gezien? Dat is ook heel mooi. Ga maar lekker werken.’ Dus ik ging kranten bezorgen en nog een ander stom baantje doen. Uiteindelijk had ik genoeg geld om een derdehands fiets op Marktplaats te kopen. Er was van alles mis mee, maar ik heb me toch aangesloten bij een clubje. Niet veel later ben ik lid geworden van Het Snelle Wiel in Hapert, waar ik wedstrijden kon rijden. Huiskamerolifantje We trainden een of twee keer in de week. Ik werd er telkens afgereden, had geen idee dat je veel vaker moest trainen. Er was niemand die dat vertelde. Ze hadden ook niet echt de focus op de meisjes, er waren er maar drie of zo. Maar we vormden wel al snel een groepje met een paar anderen die er ook niet zoveel van konden. Ik kreeg een vriendje in dat groepje. We waren meer aan het gamen bij hem thuis dan aan het fietsen. Zijn ouders frituurden elke avond wel iets. Kroketten, frikandellen. Daarna zaten we ook nog elk met een zak chips op de bank. Mijn vriendje en zijn broers waren allemaal dun, en bleven ook zo. Maar ik werd een beetje mollig. Zijn vader heeft me een keer huiskamerolifantje genoemd. Dat kwam wel aan. Na anderhalf jaar ging die verkering uit en ben ik serieuzer gaan trainen. Met groepjes uit de buurt mee, met jongens die zeiden: ‘Je moet elke dag op de fiets zitten.’ Oké, dacht ik. Ik ging meer fietsen en viel veel af. Daardoor ging het fietsen beter, ik ging mijn eerste wedstrijden uitrijden. Dat was natuurlijk onwijs leuk en heel stimulerend. In het jaar van mijn eindexamens kreeg ik een contract aangeboden bij een kleine Limburgse opleidingsploeg. Maar heel erg klote: ik kreeg de ziekte van Pfeiffer. Ik bleef thuis van school, sliep hele dagen en fietste helemaal niet. Uiteindelijk heb ik m’n examens gehaald. Ik weet nog steeds niet hoe, want ik had er echt totaal niks voor gedaan. Het was een enorme opluchting. Ik had een diploma en kon weg van school. Eigenlijk wilde ik geneeskunde studeren, maar daar moest ik eerst nog twee deelcertificaten natuurkunde en scheikunde voor halen. Dat ging ik in deeltijd doen, en ik ging fietsen voor een Belgische ploegje, Autoglas Wetteren. Het fietsen ging steeds beter en ik kreeg een relatie met de Belgische veldrijder Eli Iserbyt. In augustus kreeg ik een contract voor 2017 aangeboden bij Lotto-Soudal, een vrouwenprofploeg. Ik heb de examens voor de deelcertificaten niet meer gedaan, maar me helemaal op het fietsen gestort. In januari 2018 werd Eli wereldkampioen veldrijden bij de beloften. Toen waren we net een maand of vier bij elkaar. We trainden veel samen, hij gaf me tips en ik ging die winter voor het eerst met een trainer werken. Vleeskeuring  In die tijd begon ik ook wat fanatieker te instagrammen. Ik was begonnen net als iedereen: voor vakantiefoto’s en om een beetje te volgen wat iedereen aan het doen was. Eerst zet je er iets op om te kijken wie je foto liket en of er knappe jongens bij zitten. Het werden steeds meer knappe jongens, haha. Mijn volgersaantal groeide gestaag. Eerst postte ik elke week een foto, als ik een wedstrijd had gereden of iets anders leuks had gedaan. Later werd dat meer, ook omdat ik meer volgers kreeg. Er was niet een moment dat ik ineens doorbrak, maar ik heb nu wel echt heel veel volgers. Toen nog niet zo lang geleden bekend werd dat ik weer single ben, kreeg ik er ineens wel vijfduizend bij. Niet normaal. 92 Procent van mijn volgers is man. Het worden trouwens meer vrouwen, het begint een beetje te verschuiven. Dat wil ik ook, ik wil graag vrouwen aanspreken. In eerste instantie vond ik het heel leuk om uitgeroepen te worden tot mooiste sportvrouw van Nederland, maar achteraf vind ik het een beetje een vleeskeuring. Daar ben ik wel klaar mee, met dat vleeskeuren. Nu snap ik zelf ook wel dat ik niet veel sportieve resultaten heb om op terug te vallen en te kunnen zeggen: kijk, ik ben ook een waardevolle sporter. Mijn erelijst is leeg. Maar het steekt soms wel dat ik alleen maar als lekker stukje vlees wordt bekeken. Ik heb superveel bikinifoto’s in mijn telefoon staan. Die zou ik allemaal kunnen uploaden, dan ga ik nog veel harder. Maar dat wil ik niet. Het is ook niet mijn type volk dat ik daarmee aanspreek. Ik ben trots op mijn lichaam en er zitten mooie foto’s bij, dus af en toe denk ik: what ever, die post ik. Maar soms voel ik me er daarna niet zo goed meer bij. Dan post ik een bikinifoto en dan krijg ik daar heel veel reacties op, veel meer dan op andere foto’s. Dat voelt drukkend, op de een of andere manier. Wat ik misschien nog wel lastiger vind: mensen verwachten op sportief vlak veel van me, terwijl dat ten onrechte is. Ze kijken op een aankondiging en ze zien: dat is een grote naam. ‘Waarom rij jij geen top tien?’, vragen ze dan. Maar dat is totaal onrealistisch. Tijdens wedstrijden roepen heel veel mensen naar me. Dat is allemaal positief bedoeld, maar het brengt ook stress met zich mee. Als je een mindere dag hebt is dat al waardeloos, maar als je dan ook nog heel hard aangemoedigd wordt, dan zit ik me wel te schamen op de fiets. Ik zou ze dan allemaal willen uitleggen dat ik wel gezien word als grote naam, maar helemaal niet bij de grote namen in het wielrennen hoor. Er zullen ook vast mensen zijn die het niet eerlijk vinden dat ik bij zo’n grote ploeg rij, terwijl ik nog niks heb laten zien. In het begin heb ik dat zelf ook wel gedacht. Maar Lotto-Soudal vond het lastig om de juiste rensters aan te trekken. Ze zagen sportief echt wel wat in me en de reclame die ik kan maken via Instagram is mooi meegenomen. Vaak zien mensen ook niet wat ik doe op de fiets, en dat is werken voor de ploeg. Ze kijken alleen naar uitslagen, maar weten niet dat ik in bijvoorbeeld de Strade Bianche mijn wiel heb afgegeven aan een ploeggenoot. Of dat ik een paar kilometer op kop sleur om een gat dicht te rijden. In het peloton zijn de vooroordelen wel een beetje verdwenen, denk ik. Voorheen hoorde ik nog weleens dat er achter mijn rug om werd gezegd dat ik dom ben en alleen maar leuke blote fotootjes op Instagram zet. Nou, dom ben ik sowieso niet, dat durf ik wel van mezelf te zeggen. En ga ze maar eens tellen, die bikinifoto’s. Dat zijn er echt maar een handjevol. Ik fiets er inmiddels al best een tijdje tussen en rensters die mij kennen zijn heel positief. Die weten dat ik niet iemand ben die profiteert, dat ik altijd wil rijden als ik goede benen heb. Ik rij ook niet lomp. Ja, lomp hard door de bocht, haha. Ik ben aardig tegen iedereen. Als iemand zonder drinken zit, dan bied ik wat aan. Als iemand moeite heeft of de ketting ligt eraf, geef ik een duwtje. Schade opgelopen De mening van anderen interesseren me steeds minder. Dat moet ook wel, als je zoveel volgers hebt. Er zijn er altijd wel een paar die rotopmerkingen maken, gewoon omdat ze dat cool vinden. Oordelen van andere mensen moet je leren loslaten en relativeren. Als je dat eenmaal doorhebt, ben je al een heel eind. Natuurlijk heb ik wel schade opgelopen door het pesten. Als er mensen naar me kijken, ga ik nog steeds vaak van het negatieve uit. Dat zit er gewoon niet in. Ik ben altijd nagekeken en nageroepen. Dat mensen ook iets positiefs kunnen denken of gewoon helemaal niets, daar moet ik nog steeds aan wennen. Het pesten heeft me ook positieve dingen gebracht. Ik ben er hard door geworden. En ik kan veel tegenslag hebben. Ik ben jarenlang alleen maar gericht geweest op mijn diploma halen. Met fietsen denk ik nu ook: het maakt niet uit wat er gebeurt, hoeveel tegenslag ik heb, ik kijk verder. Ik wil de top bereiken. De laatste anderhalf jaar waren niet makkelijk. Fysiek had ik allerlei klachten. Mijn relatie met Eli ging uit. Het kwam allemaal bij elkaar, ik heb me echt heel rot gevoeld. Dat wordt nu eindelijk wat beter. Maar ik ben altijd vastberaden gebleven. Ik heb geleerd dat het belangrijk is om te praten over emoties en gevoelens. Het afgelopen jaar heb ik veel gepraat met mijn ouders. Op de basisschool en middelbare school was ik heel introvert, maar zo ben ik helemaal niet. Als klein kind in de supermarkt praatte ik tegen iedereen, vertelt mijn moeder altijd. Door de gesprekken met mijn ouders heb ik mijn gevoelens en emoties veel beter op een rijtje gekregen. Ze schrokken wel hoe diep ik heb gezeten. Ze wisten dat er iets ergs was, maar je kunt je kind moeilijk naar een psycholoog slepen. Ik kan nu heel goed met ze praten. Dat is fijn en verhelderend, voor hen en voor mij. Ik kom er nu ook achter wat voor fijne mensen het zijn. Nog niet zo lang geleden ben ik gevraagd voor een campagne tegen pesten op Cartoon Network. In eerste instantie vroegen ze me om mijn naam. Toen heb ik verteld dat ik er meer mee had dan ze waarschijnlijk dachten. Ik vind het belangrijk dat volwassenen en kinderen weten wat mij is overkomen. Het kan een grote steun zijn. Zelf had ik dat wel kunnen gebruiken vroeger: weten dat je niet alleen bent, dat er licht is aan het einde van de tunnel. En dat je later echt een leuk leven kunt krijgen, ook al word je nu misschien nog gepest.” Helden Magazine Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.

Wielrennen

Peter Sagan, de Elvis Presley van het peloton

Onzichtbaar reed Peter Sagan mee in de voorjaarsklassiekers. een [...]
Onzichtbaar reed Peter Sagan mee in de voorjaarsklassiekers. een echtscheiding en een virusinfectie lieten hun sporen na bij de Slowaak. Toch blijft hij de populairste wielrenner van deze generatie. In aanloop naar de Tour de France duikt Helden in de slipstream van de zesvoudig winnaar van de groene trui. De laatste meters van Peter Sagan in de Amstel Gold Race zeggen alles over een teleurstellend voorseizoen. Bij de laatste passage van de finishlijn draait hij met het peloton mee de Slakstraat in, knijpt dan in zijn remmen en stapt af. Holle ogen kijken dwars door de toegesnelde fans heen. Hij ziet ze niet en verdwijnt snel naar de luxe camper die altijd voor hem klaarstaat. Een echtscheiding? Een virusinfectie? Het idool van miljoenen wielerfans oogt vermoeid en mist de power in de koers. En voor verstoppen in het peloton komt de populairste coureur van het internationale wielrennen niet naar Maastricht. Sagan mag dan vooral heel onzichtbaar zijn dit voorseizoen, heel slecht is het allemaal ook niet. In de Tour Down Under pakte hij één rit. Een maag- en darmvirus dat hij op trainingskamp opliep en hem drie of vier kilo gewichtsverlies opleverde, weerhield hem er toch niet van om vierde in Milaan-San Remo en elfde in de Ronde van Vlaanderen te worden. Maar ja, van de 29-jarige drievoudig wereldkampioen wordt verwacht dat hij wint, want dat heeft hij afgelopen jaren altijd en overal gedaan. Zijn ploegleider Patxi Vila: “Hij mist het gevoel nog dat hij altijd had. Het gaat goed, maar nog niet perfect.” Schaatsicoon Sven Kramer, zelf in de zomermaanden een meer dan verdienstelijk wielrenner en groot Sagan-fan, ziet thuis in Heerenveen de Slowaak uit de Amstel Gold Race stappen en haalt zijn schouders op. “Het is weer typisch Nederlands of Vlaams om met het vingertje te wijzen en iemand af te schrijven of te bekritiseren. Sagan rijdt al jaren de stenen uit de straat. Hij fietst nu ietsje minder, maar zit nog steeds in kopgroepen tijdens voorjaarsklassiekers. Dan roept iedereen hier dat het meteen allemaal slecht is. Mag het een keer? Je kunt er niet omheen dat hij op dit moment minder goed koerst, maar dat is ook niet meer dan logisch als je al zo lang meedraait. Het gaat een keer z’n tol eisen. Hij heeft natuurlijk ook privéperikelen gehad. Sagan laat zien dat hij ook gewoon een mens is.” Kramer: 'Ik ben absoluut fan van Sagan. Hij stijgt met zijn manier van koersen en met name zijn persoonlijkheid ver boven de sport uit.' Peter Sagan lijkt het beste wat de wielersport de laatste jaren is overkomen. Succesvol in de koers, maar ook een unieke showman op en naast de fiets. Hij is uitgegroeid tot de populairste wielrenner ter wereld. Een merk. De knuffelrebel met de wilde haren. Kramer: “Ik ben absoluut fan van Sagan. Hij stijgt met zijn manier van koersen en vooral met zijn persoonlijkheid ver boven de sport uit.” Helden Magazine editie 47 Het eerste gedeelte van het verhaal van Peter Sagan komt voort uit Helden Magazine nummer 47, waar Lieke Martens samen met Ronald Koeman de cover siert. Helden Magazine editie 47 is een dubbeldik jubileumnummer. Helden bestaat 10 jaar en in dit nummer blikken wij onder andere vooruit op het Wereldkampioenschap vrouwenvoetbal. De OranjeLeeuwinnen veroverden twee jaar terug de Europese titel én de harten van alle Nederlanders. In de WK special komen nog meer speelsters als Shanice van de Sanden, Vivianne Miedema en Jill Roord en bondscoach Sarina Wiegman aan het woord. Verder ging Frits Barend langs in Esbjerg bij Rafael van der Vaart & Estavana Polman en vertellen Sjinkie & Fenna Knegt voor het eerst samen over de dag dat de shorttracker zware brandwonden opliep. Een editie met heel veel inspirerende sportverhalen, waar helaas de turnterreur helaas nog steeds geen verleden tijd is. Dylan Groenwegen de nieuwe topsprinter van het peleton is en Steven Kruijswijk de fietsende familieman. Marit Bouwmeester opnieuw haar zinnen heeft gezet op Olympisch goud en Inge de Bruijn ging na haar zwemcarrière op zoek naar zichzelf. Krijg jij geen genoeg van alle inspirerende sportverhalen? Kies het abonnement dat bij jou past én wordt abonnee. Zo ontvang je telkens de nieuwste edities op je deurmat, voordat het sportblad in de supermarkten te vinden is. Wil je een Helden Magazine cadeau doen? Het is ook mogelijk om een abonnement cadeau te doen, deze abonnementen lopen automatisch af. Daarnaast zijn de recentste exemplaren ook gemakkelijk te bestellen via onze webshop.